De Hongaars-Oostenrijkse dirigent Stefan Soltesz zou vandaag 75 jaar geworden zijn, maar ik zie nu dat hij reeds op 22 juni 2022 is gestorven tijdens het dirigeren van een uitvoering van Richard Strauss’ Die schweigsame Frau in het Nationaal Theater München. Hij stierf vervolgens op 73-jarige leeftijd in een nabijgelegen ziekenhuis.

“Toen ik hier Elektra deed, was ik zeer onder de indruk van de artistieke kwaliteit van de Vlaamse Opera. Vooral dan van het orkest. Elektra was pas hun tweede opera en toch was ik onmiddellijk erg tevreden over het resultaat. Alhoewel het orkest van de Vlaamse Opera nog erg jong is en zeer internationaal samengesteld, is het toch een ‘romaans’ orkest, wat klankkleur betreft. Alhoewel ik tot nu toe haast uitsluitend ervaring heb met ‘germaanse’ orkesten, vind ik dit toch uitstekend, want ieder orkest moet zijn eigen specificiteit hebben. Het wordt dan ook tijd dat er met dit orkest platen worden opgenomen. Tegelijk ben ik ook op Antwerpen zelf verliefd geworden. Ik vind het een prachtige stad. Toen Marc Clémeur me dan ook de post van muziekdirecteur aanbood, kon ik eigenlijk niet weigeren.”

Geboren in 1949 was Stefan Soltesz pas zes toen hij in het fameuze jaar 1956 met zijn ouders Hongarije heeft verlaten. Hij kon tijdens “Elektra” nog wel een paar woorden in het Hongaars wisselen met titelrol Eva Marton, maar eigenlijk is het een echte Wiener, hij is zelfs lid geweest van de Wiener Sängerknaben! Als dusdanig heeft hij dertien wereldtoernees gemaakt en in de Wiener Staatsoper gezongen.
Op 14-jarige leeftijd is hij dan begonnen compositie te studeren op de Hochschule für Musik. Daarna heeft hij klavier gestudeerd en op 18-jarige leeftijd heeft hij bij Hans Scharowsky, de leraar van o.a. Claudio Abbado en Zubin Mehta, zijn eerste dirigeerlessen gehad.
Als hij 21 is, krijgt hij zijn eerste job als dirigent en wel bij het Theater an der Wien, waar hij vooral musicals als “Anatevka” en “My Fair Lady” dirigeert. Twee jaar later wordt hij koorrepetitor bij de Wiener Staatsoper. Zeer vroeg begint hij daar ook te dirigeren, zijn debuut was het ballet “Petruschka” op 23-jarige leeftijd.
Gedurende tien jaar blijft hij in Wenen werken met o.a. Karl Böhm, Christoph von Dohnànyi en Herbert von Karajan, terwijl ongeveer het ganse courante operarepertoire erdoor wordt gehaald. Die drie grote namen vroegen hem ook om hen bij de Salzburger Festspiele te assisteren. Nog terwijl hij in Wenen was, had hij reeds contracten als gastdirigent, zo b.v. bij de opera van Graz en van Hamburg (waar von Dohnànyi toen intendant was). Daar is hij dan ook vaste dirigent geworden. Reeds na een jaar wordt hij gastdirigent bij de opera van Berlijn (bij Götz Friedrich), wat zo’n succes is dat hij daar eveneens als vast dirigent wordt aangeworven. Als Rolf Liebermann echter intendant wordt in Hamburg wil hij Soltesz terughalen, maar aangezien dat niet meer kan, wordt hij dan maar opnieuw gastdirigent.
Vier jaar later wordt hij dan muziekdirecteur in Braunschweig, waar hij ook verantwoordelijk is voor het concertleven, waardoor hij dus ook het symfonische repertoire onder de knie heeft. Hij is zelfs een tijdlang, blijkbaar tegen zijn zin, intendant geweest tot men een nieuwe had gevonden.
Op de vraag in hoeverre zijn persoonlijke smaak zou gaan doorwegen op het programma antwoordde Soltesz: “Ik vind het zeer gevaarlijk als een speelplan alleen maar de voorkeur van de muziekdirecteur zou weerspiegelen of zelfs dat van de intendant. Opera maak je nu eenmaal voor een publiek. Is het niet schrikwekkend dat sommige theaters gedurende jaren alleen maar de voorkeur van de muziekdirecteur brengen? Daarmee voldoen ze toch niet aan hun cultuuropdracht? Daarom moet men natuurlijk ook niet het publiek geven wat het vraagt, maar wat het nodig heeft. En ook wat het operagezelschap zelf nodig heeft om zich te profileren. Als natuurlijk de voorkeur van de muziekdirecteur overeenstemt met dat profiel, dan is het een ideale situatie. Maar anders: muziekdirecteuren komen en gaan, wat blijft is het orkest! En, overigens, de beste muziekdirecteur is de beste dirigent…”
Maar hij heeft toch een eigen voorkeur? “Mijn favoriete trio op operagebied is Verdi, Strauss en Wagner. En op concertgebied Mozart-Haydn. En natuurlijk hou ik ook wel van Bach maar om die te dirigeren, dat laat ik toch liever aan specialisten over. Maar dus vooral Verdi. Ik dirigeer hem bijna aan de lopende band. Ooit heb ik Aida, Otello en Falstaff in één week gedirigeerd. Ik druk me graag eenvoudig uit en daarom voel ik me misschien zo tot Verdi aangetrokken. Want in het diepste van zijn hart is Verdi altijd een Italiaanse boer gebleven. Vat dit asjeblief niet verkeerd op, want ik bedoel het in positieve zin: gezond, direct, nooit decadent, aan de aarde gebonden, eenvoudig, helder. Verder zou ik ook wel graag een grote opera van Richard Strauss dirigeren, Die Frau ohne Schatten b.v. En natuurlijk Wagner. Tristan misschien of de Ring, al zal dat door de omstandigheden (de reeks in de Munt, RDS) niet voor de eerstkomende jaren zijn.”
“Natuurlijk dirigeer ik alle Mozart-opera’s en de standaardwerken uit het Italiaanse repertoire. In een interview vroeg mij eens iemand: hoe kun je nu op vrijdag Der Rosenkavalier dirigeren, op zaterdag Salome en ’s zondags Die Zauberflöte? Ik heb hem geantwoord dat dit zestig jaar geleden de normaalste zaak van de wereld was. Een dirigent die dat niet zou aangekund hebben, zou nooit een contract hebben gekregen! Voor Karajan doorgebroken is, had hij in Ulm reeds zowat tachtig opera’s gedirigeerd! Nu kan men al wereldberoemd worden met twee opvoeringen…”
Natuurlijk kwam er ook een vraag naar zijn verhouding met regisseurs: “Als ik me met een regisseur niet kan verstaan, dan dient er een compromis te worden gezocht en eventueel dient de productie zelfs te worden afgevoerd. Want het spijtige is dat men dat pas kan vaststellen zo’n drie weken voor de première. Muziek- en theaterwetenschap zijn nu eenmaal praktische wetenschappen. Op papier ziet het er altijd anders uit. Maar het is überhaupt uitgesloten dat ik voor meerdere producties met een regisseur scheep zou gaan, waarvan reeds bij de eerste poging blijkt dat het niet klikt. Ik ben niet iemand die met een regisseur twee jaar over een project discussieert om uiteindelijk in een rechtszaak te belanden.”

DON CARLO
Het is de gewoonte dat er jaarlijks een succesproductie wordt hernomen in de Vlaamse Opera, maar midden de jaren negentig was er na Tsjaikovski’s “Evgeny Onegin” nog een tweede aan de beurt, eveneens uit het Mortier-interregnum: Verdi’s “Don Carlo” in een regie van Gilbert Deflo (dat eigenlijk toen ook reeds een herneming was van een Muntproductie uit 1981). Dat het er twee zijn is te wijten aan de fameuze brand in het Teatro Liceo van Barcelona. Eigenlijk moest “Don Carlo” immers dààr opgevoerd worden. De kostumes van Franca Squarciapino werden dan ook letterlijk “uit de brand gesleept”, terwijl ook de decors van Ezio Frigerio ternauwernood konden worden gered. De rolverdeling is, zoals dat wèl te verwachten is, grotendeels gewijzigd. De titelrol wordt gezongen door de Amerikaanse tenor Marcus Jerome Haddock (die in deze verkiezingstijd voortdurend aan Bert Anciaux deed denken), terwijl de Poolse sopraan Barbara Madra was voorzien voor de rol van Elisabetta di Valois, waarop Don Carlo verliefd is tot zijn vader Filippo II (typisch gechargeerd gezongen door de Russische bas Evgeny Nesterenko) hem voor is en ze zelf inpikt. Don Carlo vindt dan troost bij zijn vriend Rodrigo (gezongen door de Belgische bariton Marcel Vanaud). Het is precies deze speciale vriendschap die de homo-vereniging Het Gehoor ertoe heeft aangezet in groep deze opera bij te wonen. Ook hun (weinige) vrouwelijke leden konden trouwens hun gading vinden in deze opera. Mocht Elena Vink alweer in een travestierol aantreden en als de page Tebaldo de hofdames in de billen knijpen, dan was vooral de haat/liefde-verhouding tussen de koningin en haar dubbele rivale prinses Eboli door Deflo ook opzettelijk ambigu in beeld gezet. Deze rol werd gezongen door Livia Budai, die ofwel niet in topvorm was, ofwel over haar hoogtepunt heen, want in tegenstelling tot de anderen was zij doorgaans ondermaats en in het moors lied zong ze gewoonweg vals. Bovendien was ze miscast, want in “O don fatale” moet ze zingen hoe vervelend het wel is zo onweerstaanbaar te zijn en dat is ze hoegenaamd niet. Misschien daarom dat kostuumontwerpster Franca Squarciapino haar een kleed had gegeven met een decolleté tot aan haar navel, waarin haar reusachtige airbags de aandacht moesten afleiden. Over casten gesproken: vaak wordt Clémeur verweten dat hij in kleine rollen geen beroep doet op eigen mensen. Dit verwijt was hier toch wel erg terecht als men ziet dat de “sei deputati Fiamminghi” door zes… Russen werden gezongen! Het orkest werd geleid door muziekdirecteur Stefan Soltesz.

RIENZI
Toen de Gentse opera met die van Antwerpen werd gefusioneerd om tot de Vlaamse Opera te komen, waren de Gentse muziekliefhebbers een beetje bang om hun aloude voorkeuren in de nieuwe programmatie verloren te zien gaan. Inderdaad, het aantal operettes en Franse opera’s werd teruggeschroefd, maar men kan zich de vraag stellen of dit ook niet met de tijdsgeest te maken had. Marc Clémeur heeft alleszins dit seizoen bewezen dat hij bereid is op dit vlak toegevingen te doen als het mogelijk is. En anderzijds moet men ook toegeven dat hij ook van typisch Antwerpse verschijnselen probeert af te raken. De Wagner-erfenis b.v. Tot grote ergernis van het Vlaams Blok is er niet langer een “Parsifal”-traditie. Integendeel, voor dit seizoen is nog wel een Wagner-opera voorzien, maar dan in concertante versie en bovendien is het deze keer het jeugdwerk “Rienzi”, waarbij Wagner zijn eigen stem nog niet had gevonden, maar dat helemaal in de sfeer zit van de Franse “Grand Opéra”. Als klap op de vuurpijl gaat die ook nog in Gent in première en wordt dan nog één keer hernomen waarna hij in Antwerpen liefst vier keer wordt uitgevoerd! Het libretto vertelt het verhaal van de Romeinse tribuun Rienzi, die in de 14de eeuw het slachtoffer wordt van een politiek complot. Tekstueel zitten er wel reeds Wagner-thema’s in, zoals het volk dat de held ofwel verwenst, ofwel kritiekloos toejuicht, aldus de perstekst. Aangezien dat volk een stem krijgt via het koor, is het vooral een koor-opera geworden en is de rol van koorleider Andrew Wise dus bijna even groot als die van dirigent Stefan Soltesz. De solisten worden hierdoor wat naar de achtergrond gedrongen. Vermelden we dus alleen dat de titelrol wordt gezongen door de Amerikaanse Wagner-specialist Gary Lakes.

UN BALLO IN MASCHERA

En dan springen we ineens naar 1997, het jaar dat Stefan Soltesz alweer opstapte bij de Vlaamse Opera. Naar aanleiding van “Parsifal” was het Clémeur opgevallen “dat dit blijkbaar nog altijd gevoelig ligt”. Hij beklemtoonde nogmaals dat het niet de bedoeling was deze traditie verder te zetten en daarom werd dit seizoen “Tannhaüser” uitgevoerd, op de koop toe in een regie die het stuk weghaalt uit de christelijke sfeer. Deze regie (van Hans Hollmann) ging twee jaar geleden in première in München en was spraakmakend, aangezien men het thema overplaatste naar de kunstenaar die door de maatschappij wordt uitgestoten. De muzikale leiding is in handen van de afscheidnemende muziekdirecteur Stefan Soltesz en bij de rolverdeling valt vooral Nina Stemme op, een jonge Zweedse sopraan, die o.m. ophef maakte tijdens de Cardiff Singer of the World-wedstrijd van 1993. Zij vertolkt de altruïstische liefde in de persoon van Elisabeth, die tegenover het erotische genot van Venus (de Zwitserse Yvonne Naef) staat. De minnezanger Tannhäuser (de Amerikaanse tenor Gary Lakes) zorgt voor een rel tijdens het jaarlijkse Eurovisie-songfestival op de Wartburg door zijn ode aan de lichamelijke liefde, maar Elisabeth, de nicht van de landgraaf (de Noorse bas Carsten Stabell), zal hem in bescherming nemen en “bekeren”. Alle rollen worden gezongen door debutanten!
Clémeur beklemtoonde ook nogmaals dat concertante uitvoeringen van opera’s enkel omwille van financiële redenen worden gepland. Zo was “Die Frau ohne Schatten” in de Bijlokehal te beluisteren.
Er waren ook drie hernemingen: “La Bohème” en “Un ballo in maschera”, tweemaal met een andere cast (in het geval van de “Ballo” wordt Amelia vertolkt door de tweede Tosca, Soja Smoljaninova), en daarnaast ook “Cinderella” in een nieuwe vertaling (in Gent in het NTG). Voor “Un ballo in maschera” van Giuseppe Verdi waren uitzonderlijk nog plaatsen beschikbaar. Dat is eigenlijk toch wel merkwaardig. Akkoord, het is een herneming, maar dan wel van een productie uit de tijd toen de Gentse opera dicht was. Zouden zoveel Gentenaars destijds de verplaatsing naar Antwerpen hebben gemaakt? Nochtans is de versie die door de Vlaamse Opera wordt gebracht zeer interessant. Het betreft immers de originele, “Zweedse” versie. Verdi kreeg immers met censuur te maken omdat in deze opera de koning van Zweden, Gustav III, door een samenzwering wordt gedood. Alhoewel de moordenaar zelf, eerste minister Ankerström, uit jaloezie handelde (de koning, overigens zijn beste vriend, had een verhouding met zijn vrouw), vonden de autoriteiten dat dit bepaalde mensen toch wel eens op ideeën zou kunnen brengen. Om aan de censuur te ontsnappen plaatste Verdi in een tweede versie het stuk over naar een minder politiek geladen Amerikaanse context (daar waren alvast geen koningen) en die krijgt nu meestal de voorkeur. Maar de Vlaamse Opera opteert dus voor de eerste versie. Het grappige is dat ook deze versie niet helemaal “correct” is. Koning Gustav was immers homofiel en verliefd op Ankerström zelf en niet op diens vrouw! Die correctie zou echter wat te veel “aanpassingen” vergen en dus zullen we die wel nooit te zien krijgen.

Referentie
Ronny De Schepper, Met de opera het nieuwe jaar in, Het Laatste Nieuws 28 december 1993

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.