De Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath (1932-1963) schreef voornamelijk poëzie. Verder waren er briefverzamelingen, een dagboek, haar scriptie en enkele kinderboeken. Maar vooral dus die ene roman waarmee zij zich beroemd maakte: ‘The bell jar’ (de glazen stolp) die na haar dood in 1963 werd uitgegeven onder het pseudoniem Victoria Lucas (*).

Hoofdpersoon is de 19-jarige Esther Greenwood die met haar moeder in een tuinstadje bij Boston woont. Zij heeft in een verhalenwedstrijd samen met elf andere meisjes een verblijf van een maand in New York gewonnen. Daaraan verbonden talloze etentjes, shows, danspartijen, ontmoetingen, fotosessies… het mondaine leven. En meteen een opleiding binnen de redactie van het organiserend modeblad. Is dit een coming of age-roman? Ten dele. Veeleer beschrijft dit semi-autobiografische werk de strijd van een meisje, een jonge vrouw, met haar psyche. En dat gevecht is niet mals. Het is duidelijk dat zij, Esther/Sylvia een bipolaire stoornis heeft. Jubelend soms, dan zwaar depressief. Soms met een bizarre voorliefde voor tragische gebeurtenissen. En zonder empathie. Zodat zij b.v. een dronken vriendin in de steek laat. Ook hoe zij vrij lacherig afstand neemt van haar jeugdliefde Buddy die aan tbc lijdt wanneer zij hem als huichelaar betitelt. Dan zijn er momenten van vriendschap, begrip, hypergevoeligheid. Maar zij wil ook steeds spanning, afwisseling; één kant van de medaille. Anderzijds kruipt zij vaak beschut weg in bed. Of zij voelt zich goed in een afgesloten ruimte, ver van de buitenwereld: “In het begin vroeg ik me af waarom de kamer me zo’n veilig gevoel gaf. Toen realiseerde ik me dat dat kwam doordat er geen vensters waren.” “Ik zat toch altijd onder diezelfde glazen stolp te smoren in mijn eigen zure lucht.” Opvallend is dat zij ook speelt met, of gebruik maakt van, een andere identiteit, als bescherming: geen schizofrenie maar louter afscherming van haar ware ik. De laatste dag van het verblijf in New York breekt aan, alle meisjes mogen apart voor het tijdschrift op de foto met een attribuut dat hun gewenste toekomst symboliseert. Esther, besluiteloos – zij heeft voor zichzelf wel tien vaak absurde opties – , opteert voor poëzie, een bloem als symbool. Maar zij barst in snikken uit; geen foto. En na een feest waarheen zij zich liet meeslepen en waar zij bijna werd aangerand, gooit zij al haar kleren over het balkon zodat zij wegvliegen over de stad; zij keert in geleende kleding naar huis, naar Boston terug… overspannen. Waar haar dé ontgoocheling wacht: zij is niet toegelaten tot een schrijfcursus waarop zij haar hoop gevestigd had. Een klap op haar broze gestel.
Jeugdvriend Buddy die zij in het sanatorium bezoekt, vraagt haar ten huwelijk; zij weigert. Onder zijn stimulans gaat zij een eerste maal skiën en, zij lijkt weer in een hoog-bui, zij stort zich blindelings met overmoed naar beneden: gebroken been! Sindsdien gaat het steeds slechter: zij lijdt aan slapeloosheid, eet nauwelijks, wast zich niet, draagt gedurende weken dezelfde ongewassen kleren. Zij speelt met zelfmoordgedachten die ze telkens weer om bizarre redenen afwijst. De psychiater bij wie zij terechtkomt laat haar een elektroshockbehandeling ondergaan, tot haar afgrijzen (en dit van de lezer!). Alles lijkt haar zinloos, zij is bang. “De lucht onder de stolp zwachtelde zich als een wattendeken om me heen en ik kon me niet meer verroeren.”
Tenslotte onderneemt zij met medicatie een echte zelfmoordpoging, belandt in een psychiatrische afdeling. Waar zij bovendien paranoïde stemmingen heeft. Onder de hoede van een rijke schrijfster belandt zij uiteindelijk in een privékliniek waar de behandeling beter is. Zij evolueert dan ook en wordt telkens weer verplaatst naar een afdeling met vrijer regime hoewel zij ook hier elektroshocks, driemaal per week, te verduren krijgt – deze gebeuren wel moderner en ‘humaner’. In dit ziekenhuis wordt overigens ook lobotomie toegepast, gelukkig niet op haar. Wel ziet zij zich er geconfronteerd met alle ziektebeelden, alle patiënten – wat haar nu eens aangrijpt, dan afstoot. Tenslotte zal zij opnieuw college gaan lopen terwijl zij nog tijdelijk in de kliniek verblijft: de vrijheid. Maar zij eist ook haar seksuele vrijheid op: een pessarium. Een huwelijk, kinderen, zo’n toekomst acht zij uitgesloten, haar maagdelijkheid wil zij nu uiteindelijk kwijt en zij geeft zich aan een professor die haar te brutaal neemt: een zware bloeding doet haar dankzij de hulp van haar medepatiënte tevens jeugdvriendin Joan in een ziekenhuis belanden. Tenslotte lijkt zij haar leven op de rails gekregen te hebben… het bericht bereikt haar dat deze Joan zelfmoord gepleegd heeft. Wie vindt ooit de definitieve uitweg? Is die haar voorbestemd?
‘The bell jar’ is een aangrijpend relaas van een psychologische strijd die tenslotte, jaren later, fataal zou eindigen. Niet verwonderlijk wanneer je leest: “Voor degene onder de stolp, wezenloos en gestuikt als een dode baby, is de wereld zelf de boze droom.”

Johan de Belie

(*) Plath had voor een pseudoniem gekozen om de mensen die ze in de roman portretteerde te beschermen, en ook omdat ze onzeker was over de literaire verdienste van de roman. “The Bell Jar” verscheen dan in 1966 onder haar eigen naam in Engeland, en ondanks de tegenwerpingen van haar moeder ook in 1971 in de Verenigde Staten. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.