Amélie Nothomb (het achternichtje van Charles-Ferdinand) is een Franstalig Belgische schrijfster die in 1991 op 24-jarige leeftijd is gedebuteerd met “Hygiène de l’assassin” (“Hygiëne van de moordenaar”). Alhoewel ze wel degelijk literaire bedoelingen had kan het boek ook gelezen worden als een misdaadverhaal (een 30-jarige journaliste ontmaskert de roman van een schrijver – met dezelfde titel – als zijnde een waar gebeurd verhaal met hemzelf als moordenaar).
Met haar tweede boek “Le sabotage amoureux” uit 1993, in het Nederlands vertaald als “Vuurwerk en ventilators” verliet Amélie echter de misdaadliteratuur voor therapeutische belijdenisliteratuur (over haar jeugd in de Europese kolonie in China). Ze is immers geboren in Japan en opgegroeid in China, waar haar vader diplomaat was. Vandaar de titel: vuurwerk, dat spreekt voor zich, maar ventilators dat slaat op het communistische regime “waar er nooit iets werkt”, dus ook niet de airconditioning, vandaar dus die ventilators. Alhoewel het boek een beetje een schandaalsucces werd, komt er echter niet veel seks bij kijken (tenzij een verheerlijking van het jonge meisjeslichaam), maar skatologische toestanden des te meer.
De verleidelijke samenhang van pijn en genot op jeugdige leeftijd, die merkwaardige verstrengeling van afkeer en fascinatie, die we ook terugvinden bij Anaïs Nin, Violette Leduc en Colette komen we bij Amélie Nothomb als volwassene, in licht lesbische vorm dan nog wel, tegen in “Stupeur et tremblements” uit 1999. (*)
Vooraf was er in 1995 nog “Catilinaires” (vertaald als “Philippica’s”), eerder een novelle over een wel heel vervelend mens (cfr.Horatius), en een jaar later “Péplum”, een toekomstroman, waarin ze van Aldous Huxley zeker de cynische kijk heeft geërfd, waardoor in haar boek b.v. de liefde wordt gebannen. Als ze anderzijds een wereld in de 26ste eeuw schetst die geregeerd wordt door een dictatuur van het verstand, dan leunt ze toch weer bij het positivisme van Asimov aan. Bij haar wordt dat dan echter wel gelouterd door de opvatting dat het hier een totaal amorele, om niet te zeggen immorele, samenleving betreft, het IQ is nu eenmaal omgekeerd evenredig met het ethisch besef, aldus Nothomb. Maar om haar lezers alweer op het verkeerde been te zetten, voegt ze er in één adem aan toe, dat men er ook “presentabel” moet uitzien, volgens het Griekse principe “het mooie is ook het goede”. Om de feministen tegen de haren in te strijken laat Amélie dan wel weinig vrouwen deel uitmaken van de oligarchie, aangezien de meesten er zo slecht uitzien! Haar titel verwijst overigens naar de peplumfilms over de klassieke oudheid, aangezien ze van Wells het reizen in de tijd als vanzelfsprekendheid heeft overgenomen, waardoor ze kan “bewijzen” dat de uitbarsting van de Vesuvius, die Pompei als een openluchtmuseum bewaarde, geen toeval was, maar een opzettelijk uitgelokte reactie, bedacht door die knappe bollen uit de toekomst.
In 2000 was er “Métaphysique des tubes”, wat door Marijke Arijs wordt vertaald als “Gods ingewanden”. Ik vond beide titels nogal ondoorgrondelijk, daarom riep ik de hulp in van chatgpt…
Ik vind de Nederlandse titel Gods ingewanden eigenlijk een schitterende vertaling, al is ze misschien nog raadselachtiger dan het origineel. Ze is vooral interpretatief, niet letterlijk. En net daardoor is ze interessant.
Om met het Frans te beginnen.
Métaphysique des tubes is een titel die op het eerste gezicht klinkt als een filosofisch traktaat, bijna als een parodie op titels als Métaphysique des mœurs van Immanuel Kant. Maar Nothomb bedoelt “tube” heel letterlijk: in de eerste hoofdstukken beschrijft ze zichzelf als baby als niets meer dan een buis, een spijsverteringskanaal met een ingang en een uitgang. Haar ouders noemen haar een plant; zijzelf vindt “tube” nauwkeuriger.
Daar voegt ze een tweede, veel verrassender gedachte aan toe: dat die “tube” eigenlijk God is.
Dat klinkt absurd, maar in het boek is het heel consequent uitgewerkt. Een pasgeborene leeft volgens haar in een toestand van volmaakte zelfgenoegzaamheid. Hij/zij kent geen onderscheid tussen zichzelf en de wereld. Hij/zij verlangt niets, want alles wordt hem/haar aangereikt. Dat is een soort goddelijke toestand. Pas rond tweeënhalf jaar “valt” dat goddelijke wezen uit de eeuwigheid in de tijd, in de taal en in het mens-zijn. De autobiografie wordt zo een kleine scheppingsmythe.
De titel betekent dus eigenlijk:
“Een metafysica van het bestaan als buis.”
Of vrijer:
“Een filosofie van de toestand waarin de mens vóór zijn bewustzijn slechts een lichaam is.”
Nu de Nederlandse titel.
Gods ingewanden is helemaal geen letterlijke vertaling van Métaphysique des tubes. Maar ik vermoed dat Marijke Arijs zich heeft laten leiden door één centrale gedachte in het boek:
- de tube is God;
- een tube is in wezen een darm;
- dus bevindt het verhaal zich als het ware binnen in God.
“Gods ingewanden” is daarom veel concreter en lichamelijker. De titel maakt onmiddellijk duidelijk dat het om een paradox gaat: het verhevene (“God”) en het uiterst lichamelijke (“ingewanden”) vallen samen. Dat is precies de spanning waar Nothomb voortdurend mee speelt.
Persoonlijk vind ik de Nederlandse titel zelfs iets suggestiever dan de Franse. De Franse titel klinkt geleerd en ironisch; je begrijpt haar eigenlijk pas nadat je een flink eind in het boek bent. De Nederlandse titel blijft ook raadselachtig, maar als je het boek uit hebt, denk je: ja, dit hele verhaal speelde zich inderdaad af in Gods ingewanden.
Er is nog een detail dat ik bijzonder mooi vind. In de christelijke traditie verwijzen “de ingewanden” niet alleen naar de darmen. In oudere Bijbelvertalingen zijn de ingewanden juist de zetel van barmhartigheid en mededogen (“de ingewanden der ontferming”). Daardoor krijgt Gods ingewanden onbedoeld nog een extra laag: de plaats waar leven ontstaat, waar voeding wordt ontvangen en waar liefde lichamelijk wordt gedacht. Ik weet niet of Arijs dat bewust heeft meegespeeld, maar het past verrassend goed bij Nothombs wereldbeeld.
Mijn enige bezwaar tegen de Nederlandse titel is dat hij een deel van Nothombs grap prijsgeeft. Het Franse tube is aanvankelijk komisch en banaal; pas later ontdek je dat de tube God blijkt te zijn. In Gods ingewanden staat “God” al op de kaft. Daarmee verschuift de verrassing: de Nederlandse lezer wordt vanaf het begin in een religieuze leesrichting gestuurd, terwijl de Franse lezer eerst denkt: waarom in hemelsnaam een metafysica van buizen? Dat vertraagde inzicht is een van de charmes van het origineel.
Specifiek stond ik in bewondering voor haar vertaling van: “Ik keek naar het regengordijn dat doorging met zijn pleonastische werk: de aardkloot kloten.” (p.90) Hoe luidt die zin in het Frans? vroeg ik me af en dus speelde ik ook dit door naar chatgpt…
Ja. De Nederlandse vertaling van Marijke Arijs is hier bijzonder inventief. Ze probeert een woordspeling van Amélie Nothomb te redden door een andere woordspeling te creëren.
De Franse zin luidt:
« Je regardais le rideau de pluie continuer son travail pléonastique : la terre s’enterrer. »
Het cruciale punt is « la terre s’enterrer ».
Daar zit het spel in het werkwoord s’enterrer (“zich begraven”, “onder de grond verdwijnen”), dat rechtstreeks is afgeleid van terre (“aarde”). De regen laat als het ware de aarde zichzelf begraven: een pleonastische bezigheid, want de aarde bevindt zich al in de aarde.
Marijke Arijs heeft dat niet letterlijk vertaald als:
de aarde die zich begraaft,
omdat daarmee de etymologische verwantschap tussen terre en s’enterrer verloren gaat. Daarom bedacht ze de fraaie Nederlandse vondst:
“de aardkloot kloten.”
Dat is geen letterlijke vertaling, maar een creatieve compensatie: aardkloot ↔ kloten levert in het Nederlands een vergelijkbaar effect op van een zelfstandig naamwoord en een daarvan afgeleid werkwoord, terwijl het absurde karakter van Nothombs formulering behouden blijft. Bovendien roept “kloten” hier, naast de letterlijke betekenis van “tot kluiten maken”, natuurlijk ook de volkse bijklank op van “verknoeien”, wat de humor nog versterkt.
Ik vind dit een mooi voorbeeld van een vertaler die niet de woorden vertaalt, maar het stilistische effect. In dat opzicht is Arijs’ oplossing zelfs een van de geslaagdere vondsten in haar vertaling van Métaphysique des tubes.
De wandeling door de regen aan de hand van haar vader is overigens één van de meest hilarische passages die ik ooit heb gelezen!
Begin 2003 was er dan “Plectrude”, een roman over de meisjes in de balletschool van de Parijse opera. Alhoewel Nothomb zelf balletles heeft gevolgd (in New York van haar achtste tot haar tiende jaar) en ook anorexia heeft gehad (toen ze vijftien was, was ze reeds 1,70 meter groot en toch woog ze maar 32 kilo), is het verhaal eerder gebaseerd op haar vriendin Robert, een populaire zangeres in Frankrijk, zegt ze zelf in Het Nieuwsblad van 22 maart 2003.
In 2004 volgde dan “Antichrista”, opnieuw over een gecompliceerde vriendschapsverhouding tussen twee meisjes. Christa domineert zozeer Blanche dat ze er zelfs in slaagt Blanches ouders van hun dochter te vervreemden. “Ik herinnerde me plots de parabel van de verloren zoon: Christus wist al dat ouders de voorkeur geven aan het kind dat zich heeft misdragen. Christa wist dat natuurlijk des te beter. (…) Haar naam was niet Christa maar Antichrista!”
Nothomb schrijft meer boeken dan ze uitgeeft (in 2005 zijn het er al 54), dus het is niet verwonderlijk dat ze letterlijk regelmatig (ieder jaar dus) met een nieuw komt aandraven. In 2005 is dit “Biographie de la faim”, haar 49ste manuscript, in het Nederlands vertaald (opnieuw door Marijke Arijs) als “De hongerheldin”. Naar eigen zeggen een “thematische autobiografie”. Tot die thema’s behoren opnieuw haar anorexia en haar jeugdig alcoholisme, maar ook het feit dat ze op twaalfjarige leeftijd door vier Indiërs werd verkracht in een zwembad.
In 2006 verscheen haar veertiende boek (maar haar 53ste manuscript), “Acide Sulfurique” (“Zwavelzuur”). Het maakte ophef aangezien het als satire op reality-TV een reality show liet afspelen in een concentratiekamp, waarin de bewoners elkaar letterlijk konden wegstemmen (naar de gaskamer namelijk). Haar uitgangspunt is immers dat de kijkers evenzeer schuldig zijn als de televisiemakers. Opmerkelijk is dat deze keer haar typische onderkoelde humor ver weg is en dat is ook het geval een jaar later, als “Journal d’Hirondelle” (“Dagboek van Zwaluw”) verschijnt. Niet te verwonderen, want deze keer is de ik-figuur een kille huurdoder die zelfs kinderen afmaakt. Toch zal hij juist ten onder gaan aan de blik van een stervend meisje van achttien (Hirondelle) en de inhoud van haar dagboek.
In augustus 2007 is er dan “Ni d’Eve, ni d’Adam”, in de Nederlandse vertaling “De verloofde van Sado”, waarin ze terugkeert naar de periode van “Stupeur et tremblements” en vertelt over haar eerste grote liefde, de Japanse jongen Rinri. Maar uiteindelijk keert ze naar België terug, of beter gezegd: gaat ze naar België (want ze is geboren in Japan en het verhaal is autobiografisch) om er samen te wonen met haar zus Juliette. (Voor wie het overigens nog niet zou weten: zij verzet zich tegen het uiteenvallen van het land. Zoals de meeste Belgen die hier niet wonen.)
Precies een jaar later (augustus 2008 dus) is er dan (om zich af te reageren?) een boek dat helemaal niks met haar Japanse verleden heeft te maken. Le Fait du prince is een zuivere fictieroman, met een intrige rond identiteitsdiefstal die aan een psychologische thriller doet denken. Marijke Arijs (zij weer) heeft het boek heel terecht vertaald als “Champagne!” (mét uitroepteken), maar wat betekent in godsnaam de oorspronkelijke Franse titel? Ik vroeg het alweer aan chatgpt.
Le Fait du prince is een Franse uitdrukking, al is ze tegenwoordig vrij literair en niet erg courant. Un fait du prince betekent letterlijk “een daad van de vorst”, maar figuurlijk gaat het om een willekeurige, eenzijdige beslissing van iemand met macht, zonder verantwoording of rechtsgrond. Denk aan een absolute vorst die beslist: “Zo zal het zijn”, louter omdat hij het kan.
In het Nederlands zou je het kunnen omschrijven als:
- een vorstelijke willekeur;
- een machtswoord;
- een arbitraire beslissing;
- een fait accompli opgelegd door de machthebber.
De uitdrukking sluit aan bij het idee van bon plaisir du prince (“naar het welbehagen van de vorst”).
Waarom koos Nothomb die titel?
In de roman grijpt de hoofdpersoon een volkomen toevallige gebeurtenis aan om de identiteit van een dode man over te nemen. Hij eigent zich als het ware diens leven toe, zonder dat iemand hem daartoe machtigt. Dat is een soort soevereine toe-eigening: hij handelt alsof hij boven de regels staat. Het “fait du prince” is dus zowel de onverwachte wending van het lot als de beslissing van de protagonist om zich die nieuwe identiteit eenvoudigweg aan te meten.
En waarom werd dat Champagne!?
Dat is inderdaad een opmerkelijke keuze van Marijke Arijs. Ik vermoed dat de oorspronkelijke titel in het Nederlands nauwelijks zou werken. Een letterlijke vertaling als “De daad van de vorst” of “Vorstelijke willekeur” klinkt stroef en zegt weinig over de roman.
Champagne! verwijst daarentegen naar een terugkerend motief in het boek: de protagonist houdt zich vast aan champagne als symbool van luxe, identiteit en een nieuw bestaan. Het is een titel die veel aantrekkelijker klinkt voor een Nederlandstalig publiek, maar hij verlegt het accent wel degelijk. Waar Le Fait du prince de nadruk legt op de arbitraire toe-eigening van een nieuw leven, legt Champagne! de nadruk op de sfeer en de levensstijl die daarbij horen.
Persoonlijk vind ik de Franse titel inhoudelijk rijker. Hij bevat een politieke en filosofische ondertoon die in Champagne! grotendeels verloren gaat. Anderzijds is Champagne! als boekentitel ongetwijfeld veel verleidelijker en sluit hij goed aan bij Nothombs speelse toon. Dat maakt de vertaalkeuze verdedigbaar, ook al is ze verre van letterlijk.
Ronny De Schepper & chatgpt
(*) Zangeres Els Helewaut van Elisa Waut relativeert het “big in Japan”-syndroom van westerse popgroepen: “In Japan ben je al beroemd als je blond haar hebt.” Anderzijds mocht ze niet in discotheken binnen om racistische redenen. Jawel. Rare jongens, die Japanners. Lees er Amélie Nothomb maar op na!
Beste Ronny
tja, Amélie Nothomb is me een geval. Ik vraag me af of haar boeken de tands des jeweetwels zullen doorstaan, maar ondertussen maken ze toch wel indruk. Ik heb er heel wat van haar, en heb er ook heel wat gelezen. Heerlijk om nog eens verfrissend Frans te lezen. Stupeurs et tremblements vond ik alleszins een bijna tragi-komisch werk. En een kijkgat in de vreemde Japanse samenleving.
Vele groeten,
Jan
LikeGeliked door 1 persoon
In de jaren negentig ben ik op aanraden van (en dus samen met) Walter Ceuppens naar haar gaan luisteren in de Brusselse bibliotheek. Merkwaardig genoeg heb ik het daar niet over in mijn tekst en ondertussen weet ik ook niet meer wat ze te vertellen had…
LikeLike