De Col de la Republique was de eerste berg in de Tour, al meteen in de tweede editie van 1904. Het jaar daarop komt organisator Henri Desgrange alweer met een aantal nieuwigheden op de proppen. Met de Ballon d’Alsace en de Col Bayard worden nu ook de Vogezen en de Alpen aangedaan. Nog een jaar later komt Desgrange weer met een nieuwigheidje. De laatste kilometer van een rit wordt voortaan aangegeven met een vod in de vorm van een rode driehoek. Maar dit volledig terzijde. Wat ons echt interesseert: in 1910 komt Alphonse Steinès, een journalist van L’Auto, bij Desgrange de Col du Tourmalet voorstellen.
Hij was bij de verkenning bijna zelf omgekomen tijdens een sneeuwstorm, het wegdek was een ware verschrikking en er werden wel eens beren op de flanken van de Tourmalet gesignaleerd, maar Desgrange had er wel oren naar. Dus trok het peloton in 1910 voor het eerst de Pyreneeën in. Er stonden twee Pyreneeënritten op het programma. De eerste naar Luchon over de Col de Portet-d’Aspet werd gewonnen door Octave Lapize. De tweede, van Luchon naar Bayonne met onder meer de beklimmingen van de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque, werd gewonnen door, opnieuw, Lapize. De renners waren echter niet te spreken over deze nieuwe beproevingen. Ze scholden Desgrange uit voor moordenaar. Hoewel er uiteindelijk geen renners tijdens de Pyreneeënritten werden opgegeten door beren, zoals men had gevreesd, valt er toch een dode. De totaal onbekende Adolphe Hélière krijgt, tijdens een zwempartijtje in zee op de rustdag in Nice, een hartaanval en verdrinkt.
Toch was het niet helemaal juist dat Steinès de Tourmalet heeft “ontdekt”. In augustus 1902 was er immers reeds een wielerwedstrijd geweest op de Tourmalet, georganiseerd door les Amies de Vélocio, de uitvinders van het wielertoerisme – en dat reeds in de negentiende eeuw! En de winnares was zowaar een vrouw, Marthe Hesse. Een jaar eerder was zij ook de eerste vrouw geweest die de Mont Ventoux had bedwongen, eveneens in een organisatie van les Amies de Vélocio.
Le but de ces manifestations était d’encourager les différentes marques de vélos à développer le dérailleur. En 1895, Jean Loubeyre a conçu le « Polycelere », le premier vrai dérailleur, qui a été inscrit au catalogue de la Compagnie Générale des Cycles. Mais il fut interdit par Henri Desgrange, organisateur du Tour. C’est seulement en 1937 que l’usage du dérailleur a été autorisé pour le Tour de France. Le seul modèle approuvé alors était le « Super-Champion » de l’ancien coureur cycliste Oscar Egg.
Les coureurs de 1902 roulaient tous sur des vélos de la marque « Gauloise », avec des systèmes de démultiplications différents. Mademoiselle Hesse avait enfourché une bi chaîne à 3 vitesses qui pesait 16kg 500 (zie afbeelding). Son changement de vitesse comportait trois pignons lui permettant de développer respectivement 5m 85, 4m 10 et 2m 75. C’est évidemment sur ce dernier développement que la jeune femme parvint au sommet du Tourmalet depuis Luz-Saint-Sauveur, sans avoir jamais mis pied à terre. Seuls trois hommes réussirent le même exploit lors de cette course Tarbes-Tourmalet-Bagnères-Lourdes-Tourmalet-Tarbes.
Ronny De Schepper
