Wanneer hij zich als een wollig deken behoedzaam, teder, over de dag neervlijt, dan koester ik genegenheid voor deze die toch alles om me heen langzaam laat vervagen. Er zijn even zoveel momenten dat hij me onverhoeds overvalt, me bij de keel grijpt, in een wurggreep houdt, zijn ondoordringbaarheid dreigend over me neerstort. Nooit ontkomen we er aan. Net zoals we de dag laten geboren worden zien we hem ook telkens weer kwijnen. Hij dooft. Met tegenzin, tegenstribbelend. Steeds weer blijkt hij onmachtig, niet opgewassen tegen zijn duistere broer. Broeder? Of vijand. Eén en ander.  Liefde en haat. Net zoals de gevoelens die ik voor hem koester. Ambigu. De nacht. Mijn vriend. Mijn strijd.

Ooit was het leven zo simpel – of zo diende het zich toch aan gezien mijn nog prille blik al te onbewust, te onwetend was betreffende wat de grillen van de realiteit in petto hadden, hoe complex de natuur en de daarin dolende mens wel waren. De jaren dat ik in mijn kinderbed ondergestopt werd. Dat de deken, nadat mijn hoofdje als in een nestje een koesterend kuiltje gevonden had waar het ontvankelijk zou worden voor dromen die me voorspeld werden, me tot de hals werd aangeduwd. Met een zoen, een “nachtzoen” en een tegen alle mogelijk uit het duister opdagende demonen beschuttend kruisje, kon ik – het overheersende plafondlicht dat nog even de dag leek te prolongeren werd gedoofd – me koesteren in minuten die traag zouden verglijden in een roes van vergetelheid. Was het dat seizoen waar het zonlicht zich pas laat liet verjagen door de oprukkende duisternis dan kon ik nog luisteren naar activiteiten die zich op de binnenplaats of in de tuin ontrolden. Gissen naar hun betekenis, de handelingen die ermee gepaard gingen trachten te combineren. Nog heel even, terwijl de sluimer langzaam bezit van me nam, deelnemen aan het leven van de dag dat zich beneden – reeds in een andere wereld – prolongeerde. De avonden dat het raam van mijn kamer geteisterd werd door het gekletter van regen die er door windstoten tegenaan gegeseld werd; het loeien, huilen, brullen van het monster dat ik bij dag zo genadeloos en driftig de wolken zag voortjagen; op zo’n avond lag ik met geknepen vuistjes, trachtend de ogen meer te sluiten dan anatomisch mogelijk was. De duivels van het natuurgeweld waren meedogenloos. Alleen een extra bezoek van de moeder zou tenslotte de onrust kalmeren en het onheil bezweren. Zodat de tempeest buiten wegzonk in het duister van mijn nachtelijke droom om er een hopeloze, roemloze dood tegemoet te gaan.          

Men kan me allicht een flink aantal slechte karaktertrekken en eigenschappen toeschrijven maar jaloezie hoort daar niet bij. Maar ik kan wel een beetje afgunstig zijn wanneer ik lees over een individu dat zich tijdens een warme zomernacht ruggelings in het gras laat zakken. Waar hij de blik hemelwaarts richt, de ogen wijd spert en zich overgeeft aan het schouwspel dat zich voor hem ontvouwt: het sterrengewemel. In mijn omgeving, in het leven dat ik al zoveel jaren leid heb ik nog niemand ontmoet die zich aan dit meditatief sterrenkijken verlustigde of daarvan publiekelijk kond deed. Maar in mijn lectuur is het schering en inslag. Heel bizar. Of toch niet – vermits dergelijke exploten voor iedere auteur uitermate geschikt blijken om zijn personage een aantal overpeinzingen in te blazen en dus op het papier aan de lezer mee te delen. Wat de man ook gedaan heeft, het ogenblik is aangebroken om zijn gedachten te ordenen, te filosoferen, zijn bestaan te overpeinzen, zich bewust te worden. De auteur gaat zijn gang. Hij schildert hoe nietig de mens is, hoe klein onder dat heelal dat reeds miljoenen jaren blikkert en schittert ginds lichtjaren van hem verwijderd. Daar horen dan nog andere elementen bij die het tijdstip, en de omgeving, mij inspireren tot het benijden van wat zo’n persoon beleeft. De omringende natuur die hij vooral voelt, die hem meestal slechts mondjesmaat wordt meegedeeld dankzij (al dan niet karig, wolkversluierd) maanlicht. De geuren van bos en heide, zo anders dan overdag blijkbaar. Net als de geluiden die nu onveranderlijk geheimzinnig, mysterieus klinken, soms bedreigend. Een mystieke natuurbeleving kan het zijn, magie, een confrontatie met de oerwereld. De persoon ontdekt soms een sterrenbeeld, wat is daar eeuwenlang geprojecteerd in die onpeilbare diepte waarin zijn waan zich verliest. Moet ik, het oude bijgeloof gestand, een wens naar dat heelal slingeren telkens ik een vallende ster waarneem? Of wacht ik op de komeet Halley, of een willekeurige staartster om me de weg te wijzen, definitief… 

Er schuilt geen astronoom in mij. Het was dan ook niet op Orion dat mijn blik zich vestigde zoveel nachtelijke uren die ik doorbracht met gezellige, onderhoudende, naar ons gevoel soms wijsgerige en spitsvondige kout, met mijn buurmeisje. Zij half hangend uit het dakraam van het huis aan de overkant, ik leunend uit het venster van mijn inmiddels tiener-slaapkamer aan de straatkant. Als een echo klinkt uit die zwoele tijd nog de stem van Marianne Faithfull, ‘Summer Nights’… “summer nights, when there’s magic in the air”.

Het waren de jaren dat ik de dag prolongeerde, hem onbewust zag vervloeien in de uren die aan de slaap dienden toevertrouwd. Die ik stal om te genieten van de klanken die ik, gedempt, gesmoord onder het dekbed op mijn buik, aan de kleine transistor ontlokte. Afgestemd op de zenders Europe Nr 1 of France Inter. De Franse idolen, de Britse pop, Salut les Copains… Tot de vermoeidheid toch meester werd, het genoegen begon te verdringen, het besef dat de nacht zich ook in mijn kamer tot in mijn bed, onder dat dekbed onontkoombaar wist binnen te manoeuvreren. Het bleken ook tijden van een actievere nachtbeleving. Het in de buitenwereld heersende duister, de donkerte die zich in mijn kamer voortplantte en die louter verbroken werd door een cirkel, een vlek tegen die dreiging vechtend licht uit de lamp boven mijn bureautje, zou inspirerend werken. Een sfeer creëren. Mijn gemoed, dat weliswaar niet sterrenstarend gevoelig was, bleek dan poëtisch geïnspireerd. De stilte? De bewegingloosheid van de stad? Het isolement? Het achterlaten van de dwingende drukte van de dag? Mijn pen gleed over het tegen de nacht opbotsende witte blad en liet er in groene inkt zijn kleine letters achter. Vormde woorden, zinnen. Regen hen tot verhalen. Ik schreef. Het was een begin dat nooit meer zou eindigen. Een nacht in mijn hoofd die ik een leven lang zou meedragen, met me mee zou slepen, ongeacht of de dagen zonnig dan wel bewolkt zouden zijn. Ik zou letters blijven priemelen, de nacht voorbij.

In de dag dwalen we rond, nonchalant onze zintuigen gebruikend. We horen vaak zonder te luisteren, we zien zonder werkelijk de blik te focussen, we ruiken en mengen al die geuren tot een vreemde moes. De geluiden bestormen ons, verdoven de stemmen die ons soms wanhopig toeschreeuwen. Als blinden tasten we in een wereld die ons steeds meer bevreemdt. Dan legt de nacht zijn wade over ons heen. Maakt zijn duisternis ons blind en doof, berooft hij ons van de realiteit waar we urenlang in vegeteerden, van hot naar her hollend, onszelf verliezend, zoekend naar onze ik die een schaduw blijkt ons geschonken door het zonlicht? Pas nu, terwijl onze ogen zich verliezen in nauwelijks waarneembare silhouetten, in vage schaduwen, spitst zich het gehoor. Een ritseling bereikt mij uit een grondeloze stilte. Een verre voetstap, overdag betekenisloos, groeit uit tot een verhaal – tot een bestaan, een aanwezigheid in mijn eenzaamheid, vriend of vijand… Met geloken ogen wacht ik terwijl me de geur bereikt van de lavendel in de voortuin. Even later maakt deze van het in de namiddag gemaaide gras zich meester van mijn neusslijmvlies. Plots is er opstijgend een geur van verrotting, het riool. Terwijl mijn smaakpapillen zich inbeelden beurtelings zich aan honing te verlustigen, daarna de bittere artisjok… Ik proef de nacht op mijn tong. In het diepe duister voel ik de geluiden. Mijn ogen bespeuren wat het daglicht verhult, genadeloos. Alleen door wat ik weet en ken schouw ik nog doorheen het zwart alles dat mij omringt. Als een schreeuw komt het naar mij toe, scherp, schril, pijnlijk. De materie zelf transformeert zich in duisternis. Wordt antimaterie, antinatuur, een onpeilbare diepte. 

Hij is niet altijd mild of ons gunstig gezind. Zijn ondoordringbaarheid kan beangstigend zijn. Voedsel voor paniek, voor schrikbeelden, voor doem. Scholen onder ons kinderbed geen spoken of andere monsters die ons tijdens onze onschuldige sluimer zouden grijpen, wegrukken uit het gezin met hun knokige vingers of tentakels; ons meeslepen naar een wereld van hel en verdoemenis ver van ouderliefde en bereid ons eeuwig te kwellen. Middernacht, het uur der spoken. Knudde en consoorten. Vliegen de heksen niet door het hemelruim op weg naar het feestje met de Meester, een baby offerend ginds in het donkere bos. Er werd geloofd in het bestaan van al die creaturen, weerwolven, duivels, ze lagen zohaast de nacht viel op de loer om de eenzame wandelaar te belagen. Ze kwamen aan de luiken rammelen, tegen de deuren schoppen. Desnoods werden ze eertijds een handje geholpen door beruchte benden die de legenden graag voedden, hofsteden overvielen, brand stichtten, plunderden. We hebben dit alles misschien achter ons gelaten. Stellen het nu met wat ons in de slaap daarvan rest, wat het onbewuste ons inblaast. Onze demonen manifesteren zich in nachtmerries. Wat uit het onbewuste opduikt. De angsten en problemen van de dag transformeren zich in wanstaltige, absurde gedaanten, onlogische verhalen, schrikbeelden. Het duister dat achter onze ogen schuilt wordt een filmdoek van een angstaanjagend scenario. Dat ons panisch op de vlucht laat slaan. Vergeefs. We ontkomen niet tenzij iets ons genadiglijk losrukt uit de slaap en abrupt terugwerpt in de onzichtbare realiteit. Waar we ons langzaam, moeizaam losrukken van de gruwel die in ons brein nog nazindert.

Toch weet hij ook mild te zijn. De dag woog ons zwaar. De uren drukten ons, gevuld met mensen, geluiden, beelden. Moeizaam ondergingen we een chaos die ons murw, verslagen achterliet. Het hoofd tolt. Het brein blijkt nog een ongeordende constructie. De wereld vervaagt, een nevelvlek. Hoe welkom is dan de schemer die ons toelaat het inferno van de realiteit achter ons te laten. Beslommeringen te zien verglijden. Te merken hoe alles dat zo belangrijk en onoverkomelijk leek zich langzaam transformeert tot vage schaduwen, oplost in een schemerzone, verpulvert. Terwijl de nacht ons met een sluimer verwelkomt. hij ons langzaam meevoert naar zijn heiligdom van vergetelheid. Genadiglijk glijden we zijn rijk binnen waar het stil is, zonder fantoom. Hij legt de deken van de slaap over ons heen. De nacht, hij verwelkomt mij zoals ik hem telkens – soms weliswaar schoorvoetend – tegemoet ga. Maar hij blijft mijn zekerheid. Dagelijks.            

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.