Na een aantal werktitels geschrapt te hebben opteerde Jonathan Coe tenslotte voor ‘The House of Sleep’ (1997) (vert. ‘Het huis van de slaap’, Meulenhoff, 1974), een titel die hij wegkaapte van de roman van Frank King uit 1934. Voor deze vierde roman zou hij in Frankrijk een jaar later bekroond worden met de Prix Médicis. De titel dekt in dit geval de lading: het werk behandelt uitvoerig de slaap, in al zijn bizarre facetten. En speelt inderdaad grotendeels in wat een huis gewijd aan die slaap genoemd kan worden.

De lezer maakt kennis met een aantal jongeren die wonen in een studentenhuis, Ashdown, eigendom van de universiteit, ietwat spookachtig naar mooie Britse traditie hoewel er geen geesten zullen verschijnen. Deze enorme woning staat centraal in het verhaal – een decennium later zal zij omgevormd zijn tot een soort ziekenhuis, een slaapkliniek. Waar mensen met de meest diverse slaapproblemen behandeld worden door dokter Gregory Dudden. Een bizarre figuur, emotieloos, koel, cerebraal. Hij is niet de ‘genezer’, hij is louter geïnteresseerd in kennis, bouwt in zijn kliniek een laboratorium uit… We hadden hem reeds als student leren kennen. Dat is overigens met alle personen het geval. Immers, zowel de assistent-geneesheer als de patiënten die de slaapkliniek bevolken blijken oude bekenden te zijn, studenten. 
Het verhaal springt voortdurend heen en weer tussen de periode van Ashdown als studentenverblijf en het huis als kliniek. Op virtuoze wijze, dat dient gezegd. Coe maakt een fraaie intrigerende puzzel van zijn roman, waarin vaak niets is wat het lijkt, de emoties dikwijls hoog oplopen, relaties kreunen. En meteen is het een handleiding over de slaap, hij informeert over alle mogelijke afwijkingen, behandelingen… Het meest intrigerende personage wat dat betreft is Sarah Tudor, lijdend aan narcolepsie, kataplexie, en levensechte dromen die zij – vaak noodlottig – verwart met de realiteit. De relaties, de psychologie, en meteen ook op het einde een min of meer detective-plot maken deze roman boeiend. Die wel aan geloofwaardigheid inboet: dat we al die jonge mensen weervinden in de kliniek is wel een al te groot toeval, dat zij allen te kampen krijgen met een slaapprobleem is toch wel ietwat onlogisch. Ook miste ik, wat toch essentieel is in het meeste werk van Coe, de maatschappelijke setting. De focus ligt in de ganse roman op de personages; ze lijken op zichzelf en voor elkaar te bestaan – een buitenwereld komt nauwelijks aan bod. Maar boeiend blijft het wel, spannend zelfs want er is wel een en ander te ontrafelen. En de auteur weet ook de nodige humor binnen te smokkelen, zo is er een ronduit hilarische tekst die door een vergissing met de voetnoten de mist ingaat – verbluffend geknutseld.
Als een rode draad weeft Coe één van zijn stokpaardjes, de film, in de plot via een journalist die o.m. obstinaat op zoek gaat naar een verdwenen film, ‘Sergento cesso’ (1972) van de Italiaanse regisseur Salvatore Ortese; hij vindt slechts een foto en enkele getuigenissen van medewerkers. Voor filmliefhebbers is dit alles, dit gegeven over verdwenen films als deze (het is immers geen fictie) smullen maar het is binnen de roman een extra intrigerend gegeven dat uiteindelijk inhaakt op het algemeen thema. Ook hier vinden we de kracht van Coe terug: hij weet alles knap met elkaar te verbinden. Dan is er, onvermijdelijk, die andere dwingende interesse van Coe, de muziek die obstinaat aan bod komt en de levens van zijn personages begeleidt; in dit geval zelfs de (oorverdovende en dramatische) climax van de plot begeleid door ‘Nessun dorma’ door Pavarotti!
Hierbij is het wel interessant te vermelden dat het sonnet dat op het einde van het boek gepubliceerd is, dat uiteraard een rol speelde in het verhaal, op muziek gezet werd door Danny Manners met wie Coe vaak samenwerkte, en gezongen werd door Louis Philippe. Deze plaatste het op zijn album ‘9th and 13th’ waar Coe ook alle andere lyrics zou schrijven, o.m. ‘Theme from the Rotter’s Club’, zijn zesde en meest succesvolle roman. Jonathan Coe (en Manners) werkten vaak met de Normandische zanger samen. Coe gebruikte de tekst van een song (Yuri Gagarin) in zijn roman ‘What a carve up’ en zou ook de teksten schrijven voor het album van Philippe ‘My favourite part of you’ (2002).         

Johan de Belie           

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.