Amper één dag na zijn inauguratie 45 jaar geleden veroorzaakt de kersverse Amerikaanse president Jimmy Carter al ophef door amnestie te verlenen aan de dienstweigeraars van de Vietnamoorlog.

De Vietnam-films waren oorspronkelijk taboe-doorbrekend. Wie was “goed” en wie was “slecht”? Wij wisten het wel, wij hier in Europa, maar wij waren dan ook geen betrokken partij. In Amerika (waar de films vandaan kwamen) lag dat helemaal anders: de jongeren vonden weliswaar dat zij niks te zoeken hadden in dat verre Aziatische land, maar anderzijds waren het wel hun vrienden, hun klasgenoten, hun familieleden die sneuvelden. Dat kon toch ook moeilijk worden afgedaan met: “Ze hadden maar niet moeten gaan!”
Ondertussen is die opdeling in elkaar gevallen, net zoals de Muur in Berlijn. Want dat heeft er natuurlijk veel mee te maken. Het wereldcommunisme zakte in elkaar en de “overwinnaars” van de Vietnamoorlog bleken uiteindelijk ook verliezers te zijn. De Amerikanen herwonnen hun trots en er konden nu Vietnam-films worden gedraaid, die de Amerikanen als “slachtoffers” zagen, als onschuldige jongens die willens nillens in een oorlog werden meegesleurd, waaraan ze part noch deel hadden. (Een aantal van deze “nieuwe” Vietnam-films werden vóór de val van de muur gedraaid, denk aan “The deer hunter” of “Platoon”, maar de tijdsgeest laat zich natuurlijk niet op een exacte datum vastplakken.)
Oorspronkelijk was ook Vietnam een “avontuur”: vergelijk de luchtige toon van het tv-feuilleton “MASH” (weliswaar zogezegd over de Koreaanse oorlog) met die van het latere “Tour of Duty”. Oudgediende Pat Boone (“Speedy Gonzales”) zong zelfs in het nummer “Wish you were here, buddy” onder andere de passage:
“Ik ben op vakantie in Zuid-Vietnam
Met alle onkosten vergoed
Ik heb mijn eigen geweer
Een fantastisch uniform
En een taak die moet volbracht worden
En we moeten echte kogels ontwijken
Jongens, dat is nog eens fijn!”

Het is interessant deze tekst naast “Goodnight Saigon” van Billy Joel te leggen, dat eerder de nachtmerrie weerspiegelt die filmisch wordt opgeroepen in “Apocalypse now”. Andere aangrijpende Vietnam-films zijn de documentaire “Hello America” (authentieke brieven van soldaten, gelezen tegen een achtergrond van rockmuziek uit die tijd), het aangrijpende “Good morning Vietnam” (Barry Levinson, 1987) en “Coming home” (Hal Ashby, 1978) of “Born on the 4th of July” (Oliver Stone, 1989) over de aanpassingsproblemen van soldaten die voor het leven getekend zijn teruggekeerd. Daar staat dan “First blood” (Ted Kotcheff, 1982) tegenover, later Rambo genoemd, naar het hoofdpersonage dat in nog een aantal films zal terugkeren. Onnodig te zeggen dat het hier Sylvester Stallone betreft, al was niemand minder dan John Travolta de oorspronkelijke keuze!
En er is “Casualties of war” van Brian De Palma in 1989, gebaseerd op waar gebeurde feiten die destijds werden blootgelegd door Daniel Lang in het tijdschrift The New Yorker. Het gaat met name over een patrouille die een Vietnamese vrouw meenam “om zich te amuseren”. Nadat ze collectief werd verkracht, werd ze koelbloedig neergestoken (in de film wordt ze neergeschóten omdat het afmaken met een mes te bloederig zou zijn). Een “banaal” oorlogsfeit zoals er zoveel gebeuren naar we mogen aannemen. Het zou dan ook nooit de geschiedenisboeken of het witte doek gehaald hebben, mocht één van de patrouilleleden (die zich afzijdig had gehouden) dit later niet bekend hebben gemaakt.
De film begint met een flashback door het feit dat deze man, die in de film de naam Eriksson krijgt (rol gespeeld door Michael J.Fox), in de metro een Oosterse vrouw ziet die hem terugvoert naar de hel van Vietnam en in de eerste plaats de hinderlaag waarin hij valt, zodat hij een zekere dood voor ogen ziet. Hij wordt echter gered door zijn overste Meserve (Sean Penn). Men voelt het al met de ellebogen: later zou deze Meserve verantwoordelijk zijn voor het misbruiken van die Vietnamese vrouw (Thuy Thu Le als Oahn, ze was aanwezig op het filmfestival in Gent) en de film gaat dus eigenlijk over de twijfels van Eriksson (die overigens niet helemaal “afzijdig” bleef in het hele verhaal, hij moest immers de wacht optrekken terwijl de vrouw verkracht werd). Ook de moord zelf dient te worden “gerelativeerd” in die zin dat ze misschien wel “koelbloedig” was, maar dan wel omdat de strijd met de Vietcong opnieuw was opgelaaid en de vrouw in die omstandigheden een “last” was voor de patrouille.
Hierdoor overstijgt de film het loutere oorlogsdrama omdat hij uitgroeit tot een bezinning over goed en kwaad. In hoeverre zijn Meserve en zijn manschappen slachtoffer van de omstandigheden? Is hun houding verschoonbaar?
Tenslotte besluit Eriksson – op het gevaar van zijn eigen leven – het misdrijf te melden aan zijn oversten. Maar deze gaan er licht overheen. Zo’n feiten “gebeuren nu eenmaal” in oorlogsomstandigheden. Daarom besluit hij uiteindelijk naar de pers (The New Yorker) te stappen.
Maar dat zijn natuurlijk allemaal films die na het beëindigen van de oorlog werden gedraaid. Terwijl deze in volle hevigheid woedde stellen we integendeel vast dat Hollywood zich opnieuw op de Tweede Wereldoorlog gooit, maar dan met een totaal nieuwe aanpak: de spektakelfilm. Voorbeelden: “The Guns of Navarone” (Jack Lee Thompson, 1961), “The Longest Day” (diverse regisseurs, 1962), “The Battle of the Bulge” (Ken Annakin, 1965) en “Tora! Tora! Tora!” (Richard Fleischer, 1970). De bedoeling was duidelijk: met veel actie en veel heldhaftig gedoe moest de “draft resisters”-beweging de kop worden ingedrukt. Als we dan toch de vergelijking maken met de popmuziek, laten we dan bijvoorbeeld zeker ook niet “The ballad of the green berets” van Sgt.Barry Sadler naar de gelijknamige film van en met John Wayne (1968) onvermeld laten! (*)
Een ander speciaal segment wordt gevormd door de films over oorlogsveteranen. In “Heroes” van Jeremy Paul Kagan vindt Henry Winkler als Vietnam-veteraan rust bij Sally Field. Hetzelfde gebeurt in “Coming home”, waarin Jane Fonda zelfs de invalide Jon Voight boven haar viriele echtgenoot verkiest. Ongetwijfeld een typische Hollywood-wensdroom, wat door een “nieuwe” Vietnamfilm als “Born on the 4th of July” al heel anders wordt voorgesteld. Hoezeer de visie van “Coming home” afweek van de realiteit wordt bewezen door de populaire hit uit die tijd “Ruby, don’t take your love to town”, die onderhuids een misogyne boodschap met zich meedroeg, die je zelfs koude rillingen bezorgt, als je ziet welk succes dit nummer had. Men mag immers veronderstellen dat, zeker in Engelssprekende landen, de kopers zich achter de idee schaarden. De zanger dreigt in het liedje zijn vrouw te zullen vermoorden, als die haar seks elders gaat zoeken, nu hij ze haar zelf niet meer kan geven. Misschien ging de wraakactie de luisteraars wel te ver, maar in de grond gaven ze de man wel gelijk (het thema keert ook terug in “Lyin’ eyes” van The Eagles, al is het daar niet duidelijk of het eveneens over een Vietnam-veteraan gaat). Maar waarom eigenlijk? Waarom moet een jonge vrouw een heel leven seks ontberen, omdat haar man zich heeft laten kapotschieten in een zinloze oorlog?

Ronny De Schepper

(*) Kort daarna verliet Sadler het leger en ging werken als muzikant, maar kon geen vervolg geven aan zijn eerdere succes. n 1978 schoot hij tijdens een ruzie over een vrouw de countryzanger Lee Emerson neer, waarvoor hij meerdere jaren de gevangenis in moest. Tijdens de jaren 80 werkte hij als militaire opleider in Guatemala. Daar kreeg hij in 1988 een schot in het hoofd, waarbij tot heden niet duidelijk is, of het een geplande aanslag, een zelfmoordpoging, een ongeluk met zijn eigen wapen of een gewone overval was. (Wikipedia)

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.