Met de titel ‘La guerre, la guerre, la guerre’ (2020; in het Nederlands verschenen als ‘Mathilde’, Nieuw Amsterdam 2020), verwijst Leïla Slimani naar de woorden “War, war, war” uitgesproken door Scarlet O’Hara in ‘Gone with the Wind’. Waarmee zij doelt op de eeuwige strijd die de mens voert, binnen zijn gemeenschap, wereldwijd, en met zichzelf. Deze roman is het eerste deel van de trilogie ‘Le pays des autres’ waarvan inmiddels ook het tweede deel, ‘Regardez-nous danser’ verschenen is.

‘La guerre…’ behelst de periode van het einde van WO II tot 1956, de onafhankelijkheidsverklaring van Marokko waar het verhaal speelt, in de buurt van Meknès. Daarheen heeft Amine, die voor Frankrijk (de bezetter van Marokko) tegen Duitsland gevochten heeft, Mathilde als bruid meegenomen. Ze leerden elkaar kennen toen hij als krijgsgevangene in haar stadje in de Franse Elzas was. Zij was betoverd: het exotische van Afrika, uit de grauwe sleur aan de hand van een knappe Arabier…

Amine blijkt een ondernemend man die een plantage uitbouwt en innoveert met alle ter beschikking staande middelen. Het wordt een harde strijd, tegen de natuur, vaak met geringe financiën. Mathilde wordt geconfronteerd werd een heel andere wereld. Zij moet zich aanpassen. Enerzijds is er de familie van Amine, waar zij aanvaard wordt, maar waar gebruiken en vooral relaties en opvattingen botsen met haar inzichten en opvoeding. Anderzijds zijn er de kolonialen, een wereld die haar nog meer bevreemdt. Hoewel daar uitzonderingen zijn, en zij enkele vrienden kan maken, mensen die zich net als zij trachten aan te passen en begrip hebben voor de Marokkaanse gemeenschap. Zij integreert, meer zelfs, langzaam ontpopt zij zich tot verpleegster en bouwt een beperkte ziekenpost uit. 

Het gezin, met hun kinderen Aïcha en Selim, woont op enkele kilometers van Meknès vrij geïsoleerd en heeft weinig weet noch last van de roerige tijd: de steeds heviger wordende roep en strijd om onafhankelijkheid. Wel gaat men vaak naar de stad, zal hun dochtertje Aïcha dagelijks naar school moeten gebracht worden, en vooral blijft Mathilde zelf hunkeren naar enige Europese luxe die zij zich niet kan veroorloven. Terwijl Amine dag en nacht wroet, zijn plantage uitbreidt, studeert, nieuwe technieken toepast en beseft dat hij zijn echtgenote niet kan geven wat zij wenst. Een innerlijk conflict; hij, de moslim, organiseert een kerstfeest… Hoe verschillend de culturen ook, de liefde blijkt te primeren. Is niet één der experimenten van Amine ‘Le citrange’, waar hij een twijg van een citroenboom ent op een appelsienboom, is er mooier symbool denkbaar?

Er is ook de familie van Amine, wonend in de medina van Meknès, zijn moeder, weduwe, zijn broer Omar en zijn jonge zusje Selma. Ook deze zullen een cruciale rol toebedeeld krijgen. De moeder als toonbeeld van een oude wereld die de vernieuwingen met onbegrip lijdzaam ondergaat. Omar die steeds strijdbaarder opkomt voor de onafhankelijkheid van zijn land, zich in het gevecht stort, zich opwerpt als hoeder van de traditionele waarden en beschermer van de eer van zijn jonge zus. Deze laatste, Selma, vrijgevochten, ontworteld, in haar ideeën, gesteund door Mathilde in wie zij een vriendin en beschermster vindt, is het prototype van de jeugd die zich afzet tegen de tradities. Zij zal tenslotte het onderspit delven en, anno 1956, uitgehuwelijkt worden om haar eer en deze van de familie te vrijwaren. Op een ogenblik dat zelfs Amine, onder druk van de omstandigheden en het gebeuren, teruggekeerd is naar de opvattingen uit zijn jeugd. 
Tenslotte worstelde hij steeds met zijn positie, uit de oorlog teruggekeerd als held, gevochten voor Frankrijk, maar ook scheef bekeken (en dit vaker naarmate de roep om onafhankelijkheid luider klinkt) als dissident en verrader om deze reden en wegens zijn huwelijk met een Europese vrouw. Ook zijn dochter Aïsha gaat gebukt onder een dualiteit: zij is voor de enen Marokkaans, voor de anderen Europees, en weet niet hoe zichzelf te voelen. In het tweede deel van de roman neemt zij een prominente plaats in, haar twijfels, haar verhoudingen, haar visie op wat gebeurt en op de mensen die haar wereld bevolken. Zij zal tenslotte ook het laatste, indringende woord krijgen, wanneer de omringende plantages van de Europeanen in de laatste definitieve strijd in brand staan: “Laat ze branden, dacht ze. Laat ze ophoepelen. Laat ze creperen.” Dit is wat in deze roman aan bod komt: de strijd om zelfbeschikking, de Fransen moeten Marokko verlaten. Slimani tekent het vaak bloederige gevecht, genadeloos. De uitbuiting door de kolonialen, hun denigrerend optreden tegen de autochtonen, het superioriteitsgevoel; maar ook dezen, zeldzaam, die het goed bedoelen, de idealisten. Een oorlog die een rollercoaster is.
Daarnaast, en dominanter, is er het thema van de ontvoogding van de vrouw – het stokpaardje van de auteur. Uiteraard is dat binnen de cultuur waar het werk speelt, nog meer een heet hangijzer. Opvoeding, familiale positie, studie, plaats in de maatschappij, seksuele onderdrukking… alle facetten komen aan bod. Niet alleen in de Islamitische wereld, Slimani laat haar hoofdpersoon Mathilde gedurende enkele weken terugkeren naar haar geboortestad in de Elzas, Mulhouse. Waar we geconfronteerd worden met een gelijkaardige problematiek op westerse leest geschoeid. Hier is de schrijfster op haar best, als voorvechtster, in de bres, duidend hoe lamentabel de positie van de vrouw overal is en welke weg er nog af te leggen is richting gelijkwaardige behandeling.
‘La guerre…’ is een boeiend verhaal over een deel van de geschiedenis van Marokko, over een (fictieve) plantage en gezin. Al is Slimani niet echt een heel grote romanschrijfster stel ik ook nu nogmaals vast. Het werk vertoont enkele gebreken. Een soms hortende stijl, amechtig. Af en toe duikt een nevenfiguur op die met enkele zinnen wordt neergezet en dan terzijde geworpen, overbodig blijkt – de lezer blijft op zijn nutteloze honger. Slimani hanteert vaak teveel pompeuze beelden zoals “een mollige hals geurt naar boter” of “een vettige mannelijke vriendschap”. Al slaagt zij er wel in de natuur fraai in beeld te brengen en dienstbaar te maken aan de vertelling en de plot. En zijn er omschrijvingen die tonen dat zij toch een heel mooie taal hanteert. Zoals deze ‘ode’ aan de zee: “Dat ruisen, alsof iemand zuchtte in een krant die hij tot verrekijker had gerold en tegen het oor van iemand anders gedrukt hield. Dit suizen, als de ademhaling van iemand die sliep, gelukkig en met veel dromen. Die branding, die tedere woede…”
Leïla Slimani heeft zich als schrijfster van geëngageerde literatuur zoals deze roman behoorlijk in de kijker gewerkt. Daarvan getuigt ook het feit dat zij door president Macron werd aangesteld als ambassadrice van de Franse taal in de wereld, en hem vaak in deze hoedanigheid vergezelt op buitenlandse reizen. Wat, zo stelt zij, niet betekent dat zij van plan is hem naar de mond te praten. “Engels, ik heb het nodig. Frans, ik wil het. Frans is de taal van het verlangen…” geeft zij mee. 

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.