In het noorden van Zweden bracht ik in augustus 1991 samen met mijn toenmalige vriendin een bezoek aan Nordmaling, omdat het ons benieuwde wat zo’n onooglijk dorpje bezielde om mensen als Emma Kirkby, Lars Ulrik Mortensen, The London Baroque en vele anderen in huis te halen…

Onooglijk… Nu ja, we bevinden ons in Zweden natuurlijk en dat betekent dus dat in oppervlakte Nordmaling reusachtig groot is. De kust alleen al bedraagt meer dan het dubbele van onze nationale trots. Toch is het aantal inwoners beperkt tot een kleine tienduizend. De ene bron spreekt van achtduizend, een andere van negenduizend, ik denk dat men ze nog niet allemaal heeft teruggevonden tussen de ontelbare fjorden.
Het ‘centrum’, eigenlijk dus het ‘dorp’ in de ware zin van het woord, telt zelfs slechts tweeduizend inwoners. Toch heeft hier sinds 1987 om de twee jaar een belangrijk barokfestival plaats. Is het verwonderlijk dat een striptekenaar hierbij een groot vraagteken boven ons hoofd zou plaatsen?
De oplossing van het raadsel wordt aangereikt door een zekere heer Carl Wikström, een oudere industrieel, die vond dat hij reeds voldoende winst had gemaakt en dat hij tien miljoen kronen kon afstaan aan een ‘Foundation’ die voor wat cultuur zou zorgen in een dorp dat voornamelijk prat gaat op zijn sporthal, zijn negen ijshockeybanen en zijn rivieren vol zalm. Als een echte maecenas troont mijnheer Wikström, die eigenlijk zelf graag muzikant was geworden, bij alle concerten vooraan in de zaal, maar een ouderdomsziekte hield hem dit jaar weg. Wellicht heeft hij de concerten echter vanop zijn ziekbed kunnen volgen, want de Zweedse radio verzorgde telkens een rechtstreekse uitzending.
IMG_0005De organisatie van het festival is in handen van prof.Tönu Puu van de universiteit van Umea, de grootste stad in de nabijheid van Nordmaling (nog zo’n zestig kilometer meer naar het noorden). Tönu Puu is geen professor in de musicologie of iets dergelijks, maar hij doceert economie. Daarover wil hij echter niet met ons praten, want dat heeft niks met het festival vandoen, vindt hij. Toch benadrukt hij de efficiënte manier waarop hij het festival financieel ‘runt’. Dus toch economie…?
“De Zweedse wetgeving verbiedt dat het fortuin van mijnheer Wikström louter naar artistieke doeleinden zou gaan,” zegt prof.Puu. “Zowat zeventig procent moet naar educatieve en wetenschappelijke projecten gaan, zodat we uiteindelijk toch nog naar andere sponsors moeten uitkijken. Dat is meestal in de vorm van technische ondersteuning. Zo worden de muzikanten gelogeerd met medewerking van de plaatselijke hotels en stelt ook de kerkgemeenschap gratis de kerk als concertzaal ter beschikking.”
“Toen ik werd benoemd aan de nieuwe universiteit van Umea,” zegt prof.Puu, “kwam ik van Uppsala en ik dacht dan ook, zoals iedereen, van hier zo vlug mogelijk opnieuw te vertrekken naar een universiteit met meer naam. Maar uiteindelijk zit ik hier nu al 20 jaar, omdat ik vind dat dit landsgedeelte nog tal van mogelijkheden in zich heeft, die nog niet zijn ontgonnen. En één daarvan was precies het culturele leven, dat zo goed als onbestaande was. Op cultureel gebied is het noorden van Zweden een ontwikkelingsland. Maar er wordt aan gewerkt. Recent is er een operagebouw geopend in Umea en gedurende elf jaar heeft een vriend van mij, eveneens een professor die niets met muziek te maken heeft, er een beroemd festival van kamermuziek georganiseerd. Oorspronkelijk sleepte hij zelf piano’s en kocht hij zelf de bloemen voor de artiesten, maar omwille van het succes werd het festival ‘geïnstitutionaliseerd’, compleet met een raad van beheer, een directeur en tutti quanti. Ze werden ook lid van de Europese Vereniging van Muziekfestivals en op de kortste keren waren ze failliet natuurlijk, want de verliezen begonnen zich op te stapelen en toen het stadsbestuur besliste het festival niet langer te ondersteunen, was het ermee gedaan. Ik van mijn kant ga er dus mee door op mijn eigen manier. Dat is trouwens de énige manier. Eigenlijk is het zoals een puzzle leggen. Je moet ervoor zorgen dat alle stukjes in elkaar passen.”
Nordmaling wordt bestuurd door een coalitie van sociaaldemocraten (13 zetels op de 31) en de Centrumpartij (7 zetels). In de oppositie zetelt ook een communist. Zoals gezegd vinden de concerten plaats in de kerk, waarvan de fundamenten tot 1480 teruggaan, maar de huidige vorm dateert voornamelijk van 1781. De afzonderlijke klokketoren (dat gebeurt wel eens meer in Zweden, bij een bepaalde kerk moest de klokkeluider van dienst zelfs de drukke E4 oversteken) dateert van 1739 en is door Russische krijgsgevangenen gebouwd.
Het kerkje kan maar een paar honderd man bevatten en is dan ook telkens helemaal uitverkocht. De helft daarvan aan barokliefhebbers van buiten de gemeente. Perschef Rolf Holmgren van Nordmaling doet hierover zijn beklag omdat hij vindt dat de inwoners zelf meer aan hun trekken zouden moeten kunnen komen.
Alleszins is de belangstelling van de plaatselijke bevolking groot. Die gaat zelfs zo ver dat ook de baby meegenomen wordt. Een muzikale baby, dat wel, die Emma Kirkby af en toe van repliek dient, maar ik ben er niet helemaal zeker van of we ook dit onder ‘democratisering’ moeten verstaan…
CHITARRONE
De ‘master classes’ werden er die zomer gegeven door twee mensen van The London Baroque, violiste Ingrid Seifert en cellist Charles Medlam, door twee Zweedse personaliteiten die beiden reeds met mensen als Christopher Hogwood of John Eliot Gardiner hebben gewerkt, met name Clas Pehrsson (blokfluit) en Jakob Lindberg (luit), en door de Deense klavecinist Lars Ulrik Mortensen. Er was ook nog een workshop voorzien met Emma Kirkby, maar die kon niet plaatsvinden omdat de gerenommeerde Britse zangeres in haar thuisland nog een zomercursus gaf en pas te laat ter plekke kon arriveren. Met haar hadden we een exclusief gesprek (zie elders op deze blog).
Deelname aan het hele festival (verblijf, maaltijden, master classes en zeven concerten) bedroeg 2.650 Zweedse kronen, dat is zowat twintigduizend frank. Dat is eigenlijk spotgoedkoop, als men ermee rekening houdt dat zoals gezegd àlles in Zweden vreselijk duur is.
79 chitarronesMaar juist omdàt alles zo duur is, blijft het natuurlijk een riskante onderneming voor buitenlanders. Toch kwamen Carlo Andrea Giorgetti en Marzio Matteoli met de wagen helemaal uit het verre Pisa om voor hun leermeester Jakob Lindberg speciaal een ‘chitarrone’ mee te brengen, een soort van buitenmaatse luit die in Italië werd ontworpen op het einde van de 16de eeuw. Het instrument dat zij meebrachten was een kopie van een origineel dat onlangs in Lucca werd ontdekt.
Carlo Andrea organiseert zelf ook soms master classes en zo zijn hij en Lindberg met elkaar in contact gekomen. Toch zijn de rollen van leraar en leerling niet zo omwisselbaar als men hieruit zou kunnen afleiden. De leerlingen uit Lindbergs klas zijn zowel beroepsmuzikanten als amateurs. De eisen liggen wel tamelijk hoog, maar meestal zijn het gitaarspelers die willen overschakelen op luit of althans hun techniek willen verbeteren.
Sture Brändström blijkt uiteindelijk de enige “echte” amateur te zijn. Hij komt meer om te luisteren dan om zelf te spelen. Hij wil dan ook liever niet geïnterviewd worden, maar als ik hem roem en succes in Vlaanderen voorspiegel, dan toch maar. Hij is van Marienstadt, dat is weliswaar ook in Zweden, maar nog voorbij Stockholm, zo’n 800 kilometer van Nordmaling vandaan, kom.
Als ik opper dat er toch niet veel toekomstmogelijkheden zijn voor luitspelers neemt Lindberg gepassioneerd de verdediging van zijn instrument op. “Het was de piano van de renaissance,” zegt hij, “en precies daarom is er meer voor geschreven dan voor eender welk ander instrument, tenzij dan misschien voor de piano.” Dat kan dan misschien wel zijn, maar dat is dan meestal ‘begeleiding’ bij zang? “Er is toch ook een heel groot solorepertoire,” weerlegt Lindberg, “en dat is precies wat deze mensen willen leren.”
Maar toen hij even de ‘chitarrone’ wou laten horen, vroeg hij toch ook of er niemand was die iets wou zingen? “Ja,” geeft hij uiteindelijk toe, “dat de workshop met Emma Kirkby niet kon doorgaan was in dat opzicht erg spijtig. De deelnemers aan de verschillende master classes worden immers aangemoedigd om samen te musiceren. Evenwel niet met de bedoeling uiteindelijk ook samen een concert te geven, de samenstelling van de ensembles verandert trouwens vaak nog dezelfde dag.”
‘A NICE LITTLE GIRL’
Daarover praat ik met Ruth en Erasmus Harland uit Engeland, Ulla Ryman uit Uppsala en Kirsten Lund Jensen (bovenstaande foto) uit Denemarken. Ruth, Ulla en Kirsten spelen blokfluit, Erasmus begeleidde hen die namiddag op de luit. Ook bij de blokfluiten varieert de samenstelling van pure amateurs tot beginnende professionals. Kirsten treedt b.v. reeds geregeld op, maar Erasmus zegt (weliswaar lachend) dat hij elk jaar één cursus volgt. Een verschil tussen luit en blokfluit is natuurlijk dat dit laatste instrument maar àl te populair is. Een opgelegde populariteit weliswaar (in de scholen) die, zoals dan wel meer gebeurt, precies het tegenovergestelde effect heeft. Vandaar dat men ook hier toch weer de vraag kan stellen: waarom dit instrument?
Kirsten is het eens met het feit dat het verplichte blokfluit spelen een averechts effect heeft. Toch is zij aan het instrument blijven ‘plakken’, want “als iemand in muziek geïnteresseerd is, is de keuze van het instrument vaak puur toeval.”
“Het hangt b.v. veel van je temperament af,” zegt ze, “Ik ben ‘a nice little girl’, dus een blokfluit is geknipt voor mij.”
“In tegenstelling tot een saxofoon,” lacht Erasmus, maar Ruth voegt er ‘vermanend’ aan toe dat men in de master classes juist getracht heeft de blokfluit niet als ‘a nice little girl’ te spelen!
STUDIEBEURS ?
Erasmus legt uit dat zowel de blokfluit als de luit, net zoals de viool zeg maar, op een nieuwe manier dient te worden benaderd. Hij spreekt met zoveel passie over de pausen van de ‘authentieke uitvoeringswijze’ dat ik even de proef op de som wil nemen. Zijn de Vlamingen immers niet wereldberoemd op dat vlak?
De naam van Jos Van Immerseel doet al meteen een lampje branden, maar Florian Heyerick of zelfs René Jacobs (zelfs op z’n Engels uitgesproken) zeggen hen tot mijn verbazing niks. Bij de naam Kuijken vraagt Ruth mij welke van de drie ik bedoel…
Een andere overeenkomst met onze Vlaamse barokmuzikanten is dat deze barokliefhebbers ook zeer geïnteresseerd zijn in hedendaagse muziek. Wordt er dan nog veel voor blokfluit gecomponeerd? Jazeker, zegt Ruth, meer en meer zelfs. En is het ook interessante muziek, wil ik weten? Ja, zegt Ruth. Nee, zegt Kirsten tegelijkertijd. Toch wel, houdt Ruth vol, maar ze wordt meestal slecht uitgevoerd. “Nee,” weerlegt Kirsten, “er wordt wellicht wel goede muziek gecomponeerd, maar ook slechte en de tijd is hier nog niet als grote scheidsrechter opgetreden.” Daarmee gaat Erasmus dan weer niet akkoord. De tijd kan ook een slechte scheidsrechter zijn, vindt hij, anders zou iemand als Froberger nooit in de vergeethoek geraakt zijn.
Zijn de buitenlanders met een beurs hierheen gekomen? “Nee,” zegt Kirsten, “niet dat het niet kàn, maar er zijn slechts weinig beurzen en er zijn zoveel aanvragen dat, gezien mijn jeugdige leeftijd, ik niet in aanmerking kwam. Ik heb hier dus een heel jaar moeten voor sparen.” Het feit dat ze zo’n ‘nice little girl’ is, heeft haar dus parten gespeeld. “Try to be a bad little girl next time,” grapt Erasmus, “dàn zal het je misschien wel lukken…”
Juist omdat Kirsten nog zo jong en speels oogt, vraag ik haar of ze dan helemaal niet van popmuziek houdt. “Toch wel,” zegt ze, maar van de namen die ze afdreunt word ik niks wijzer. Het blijken lokale Deense groepen te zijn. Na nog wat aandringen noemt ze Michael Jackson en Prince. En jazz natuurlijk, want voor geïmproviseerde muziek hebben de barokliefhebbers natuurlijk speciale belangstelling, gezien de fameuze “cadenza’s”.
Bij de blokfluitspelers wijst prof.Puu me vooral op de jonge Duitser Martin Schmeding (toen 16 jaar). De leider van de master class voor blokfluit is Clas Pehrsson. Ik tref hem aan samen met de Amerikaanse Katherine Carlson, die na haar wiskunde- en orgelstudies op dit moment klavecimbel studeert in Parijs en speciaal voor de lessen van Lars Ulrik Mortensen naar Zweden is afgezakt. Al geeft ze toe dat ze hier ook nog wel wat verwanten heeft wonen, zoals haar naam reeds laat vermoeden. Een beetje familiebezoek is dan mooi meegenomen…
Wie inlichtingen wil, kan schrijven naar The Nordic Baroque Music Festival, Box 36, S-91400 Nordmaling, Sweden, of telefoneren naar het nummer 00-46-930-14175 (fax: 00-46-930-14176).

Referentie

Ronny De Schepper, De tover van de luit en de fluit, De Rode Vaan nr.39 van 27 september 1991

Een gedachte over “Dertig jaar geleden: bezoek aan Nordmaling

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.