Bij Matteüs 6:26 lezen we “de vogels in de lucht ze zaaien niet, ze oogsten niet, ze vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse vader die hen voedt”. Dat klinkt allemaal veelbelovend maar is het de realiteit? Kijk ik naar de tuin dan zie ik die beestjes toch wanhopig op zoek naar wat korreltjes die hopelijk her en der verspreid liggen. Of vechten om een plekje aan het graanbolletje dat we, goedhartig als we zijn, opgehangen hebben uit medelijden (en omdat we genieten van hun aanwezigheid en van het spektakel dat soms een gladiatorengevecht lijkt wanneer de ene de andere het licht in de ogen niet gunt). Wij: empathisch en sadistisch, zo (her)kennen we onszelf weer.

Na een fikse regenbui stel ik vast dat ze op de loer liggen om ergens een argeloze worm die de domme kop boven de grond uitsteekt (weten die nu nog niet dat hen de guillotine wacht) met veel moeite uit zijn onderaardse hol te sleuren. En dan die inspannende jacht op insecten die krioelend door hun territorium vliegen. Happend en snappend moeten ze trachten hun maag en buik te vullen met het mager rantsoen aan vetten, suikers, vitaminen dat het gevleugelde ongedierte oplevert. Of speuren naar wat zich op de aarde mogelijk als toetje aandient, levend of dood. Daar kan immers ook nog iets rondkruipen. En anders heeft dat groteske exemplaar op twee benen overal wel allerlei onsmakelijks achtergelaten waar in kan gegrabbeld worden; een smakeloos gedoe, maar een vogel moet eten. En niet vergeten dat hij op gezette tijden ook nog kieskeurige babybekjes moet volproppen.

De hemelse vader? Een luilekker leventje?  Het lijkt allemaal mooi. Zo vrij als een vogel in de lucht. “Ach mijnheer, een mooie vogel wil ik zijn, met sterke vleugels alstublieft mijnheer Merlijn”, Tim Visterin vertolkte hiermee weliswaar veler droom maar of die zo realistisch is? Mij lijkt het geen ideaal bestaan. Ze moeten weliswaar niet zaaien, hoewel: via hun faeces blijken ze toch te zorgen voor heel wat voortplanting in het rijk van de flora. Maar oogsten, niet in de zin van de landbouwer natuurlijk… Evenwel hun oogsten, het ganse jaar, is een me dunkt heel wat intensievere arbeid. Materiaal hebben ze niet ter beschikking, geen paarden om voor hun kar te spannen, geen dorsmachine. Het geschiedt met de natuurlijke, hun lijfelijk ter beschikking staande materialen, bek en voor een aantal soorten poten en klauwen – met ogen als hulpstukken en bij geavanceerde exemplaren nog wat extra technologie die als sensor dienstig is.
“Free as a bird. Like a homing bird I’ll fly, as a bird on wings…” zongen The Beatles. Een droom zo oud als de mens, vliegen als een vogel, vrijheid, het luchtruim doorklieven. Wat we inmiddels kunnen, op een iets minder vrije wijze weliswaar. Maar is dat altijd zo koek en ei? Wat al gevaren schuilen er niet in dat hemelspan. De tijd dat ze door kwajongens met behulp van een geknutselde katapult uit de lucht geschoten werden is misschien voorbij, maar jagers liggen nog steeds op de loer. Het roven van eieren uit de nesten is ook niet echt een nationale sport meer, de jeugd houdt zich liever bezig met ‘Angry Birds’.

Hier te lande wordt er wel nog een volksvermaak in ere gehouden, iets met vinken. De beestjes moeten een aantal keren per uur ‘slaan’, een vinkenzetting heet zo’n eeuwenoud spel, suskewiet ook. Fazanten zijn nog steeds niet veilig voor enthousiaste bezitters van buskruit. Gelukkig is de lijmstok als barbaars vangmiddel verbannen, hoe wreed kun je zijn… free as a bird! Wat me bij al die sukkels brengt die hun leven slijten, opgesloten in kooitjes. Een zalig leven van nietsdoen. Zaadbakje dagelijks gevuld, de uitwerpselen opgeruimd (niet dat ze daar in de natuur last van hebben). Vreselijk, gezelschapsdier van het fenomeen mens. Dat je wil horen fluiten tot jij het beu bent en een doek over zijn huis drapeert zodat het binnen een seconde nacht wordt. Wat zingt Alicia Keys in ‘Caged Bird’: “I know why the caged bird sings, only joy comes from song. Why not just set her free? So she can fly spreading her wings and her song.”

Hij zal maar tot de soort behoren die onze taal weet te imiteren – dat vinden we pas leuk! Op de meest ongeschikte ogenblikken moet Coco zijn kunstje ten gehore brengen, beweren dat hij ‘kopje krauw’ leuk vindt, of zo’n onbeschaafde vloek lanceren, dat is pas amusant voor ons. En wordt beloond met zo’n armzalige uitgedroogde pinda. Terwijl het dier de ganse dag door de tralies treurig naar zijn soortgenoten in het zwerk kan loeren zoals Casanova vanuit de Venetiaanse piombi, intriest.
Bij het ontwaken hoor ik steevast het roekoeën van twee Turkse tortels. Een liefdespaar. Ontroerend. Denk ik dan. Zodat ik begin te mijmeren over het vrije liefdesleven van de gevleugelden. Benijdenswaardig. In mei legt iedere vogel een ei; de feminiene helft van de populatie dan. Is het wel zo idyllisch? Als we nader toekijken moeten we concluderen dat ze zich heel wat inspanningen moeten getroosten om een partner te vinden. Tinder kennen ze niet. Programma’s als Blind Date, Naked Date of Temptation Island liggen niet in hun bereik. Ze moeten het hebben van wat wij noemen ‘balts‘, een systeem om een partner aan te trekken – iedere soort op zijn wijze. Waar elk een specifieke plaats voor uitkiest, waarvoor we ook een naam hebben, lek. Niet dat de terminologie hen iets kan schelen, ze hebben het op dat ogenblik veel te druk. Er zijn er die pronken met hun kleurrijke vederpracht, de pauw is het ons bekendste voorbeeld, een dandy! Anderen trachten te verleiden door een fraai nest aan te bieden zoals de prieelvogel, of te verlokken met voedsel – materialisten pur sang. En dan de macho’s die met hun rivalen graag een robbertje vechten, soms zelfs in de lucht, spektakel. Het kan ook sierlijk, veel soorten lokken met hun danscapaciteiten. ‘So you think you can dance’ of ‘Dancing with the Stars’, dat is er klein bier tegen wanneer je de paradijsvogel aan het werk ziet. Of hoe de futen – eens de partner verleid – buik aan buik, borst aan borst – een één tegel sexydans laten zien, ongehoord!. De waaierhoenen maken er een gezelschapsspel van, zo’n zeventig mannetjes trachten indruk te maken op de vrouwtjes, het lijkt de Zillion zonder buitenwipper. Wie voor seks meest over heeft lijkt me toch de Amerikaanse zeearend: het koppeltje stijgt hoog in de lucht, haakt de poten in elkaar en stort zich in vrije val naar beneden. Overleven ze dit, dan paren ze; indien niet, nu ja dan… Een mooi liefdesleven? Me dunkt dat ze zich heel veel moeite moeten getroosten, dat ze afgunstig toekijken hoe u links dan wel rechts zit te swipen.
Hoe komen ze aan hun einde. In het beste geval geveld door de ouderdom. Maar er liggen vijanden op de loer, wij zoals reeds vermeld, uit boosaardigheid of om hen te degusteren. Die andere wreedaardige boosdoeners, katten, of godbetert grotere soortgenoten die hen of hun eieren als smakelijke lunch wel zien zitten. Het vreselijkste dat hen kan overkomen: in de handen belanden van een taxidermist. Die geeft hen misschien ‘het eeuwige leven’ zou u denken. Wat een triest lot. Ontdaan worden van je ingewanden, uitgebeend, hun pluimen gewassen en gespoeld, bewerkt met chemicaliën. Volgepropt met een smerige substantie om tenslotte te belanden als kijk- en lustobject op een kast bij een ouder echtpaar dat zich trots verlustigt aan de roerloosheid van hun eeuwige roerloze schoonheid. Tot, ja tot ze beiden het loodje leggen en hij een verwaarloosbaar deel van hun schamele erfenis vormt. En belandt in de vuilcontainer of, meer geluk, op een zolder. Waar hij jaren later gevonden wordt door een stel kinderen. Stoffig, vervuild, onder de spinnenwebben. Ze blazen het stof van zijn verkleurde pluimen. Ze gooien hem als lelijke vogelschrik ver van zich af, of hij wordt een trofee en ‘geniet’ een nieuw leven als speeltje, veren tooien de kruin van het opperhoofd der Apachen, een tweede maal siert hij een nu duister hoekje ingericht als theekransje voor kwebbelende meisjes… “Roodborstje tikt tegen ’t raam tin tin tin, laat mij erin, ’t is mij te koud en te guur naar mijn zin.” En het meisje strooit brood en suiker, en het vogeltje verdwijnt welgezind terug naar het bos. Idyllisch, zo zag ene Jan Goeverneur het bijna tweehonderd jaren geleden. Heel schattig, maar met dat ongezond rantsoen lag dat mooi, schattig diertje de volgende dag waarschijnlijk stijfbevroren met de pootjes omhoog in het bos. “Ze zaaien niet, ze oogsten niet…”, naar de Aldi of de Lidl kunnen ze ook niet.    

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.