‘The dwarves of death’ (1990) was de derde roman van Jonathan Coe. Vaak aangekondigd als een thriller, wellicht om commerciële redenen, wat hij allerminst is. Zoals de auteur later zelf oordeelde balanceert dit werk tussen een verhaal over muziek, over de liefde en over een misdaad.

Het is geïnspireerd op de tijd toen hij zelf, nog student, speelde in een groepje (The Peer Group), in de jaren tachtig, met andere universiteitsstudenten. Ze brachten hoofdzakelijk zijn composities. Muziek, dat is het grote thema van deze roman. Coe neemt ons mee in de wereld van de beginnende bands in London, groepjes die hopen hits te scoren, wereldberoemd te worden. We volgen het bandje The Alaska Factory waar de hoofdpersoon William, pianist, mee optrekt, onder de dubieuze leiding van hun manager Chester. In negen hoofdstukken, telkens ingeleid met een citaat uit een steeds andere song van Morrissey die iets over de inhoud suggereert, volgen we het wanhopige (en hopeloze) gevecht van de jongens om goede muziek op een demo te zetten in de bevreemdende sfeer van de studio’s, eigendom van een bizarre figuur. Terwijl William zelf, geruggesteund door zijn vroegere pianoleraar in Leeds, zijn talent verder ontwikkelt. Inmiddels beleeft hij een wel heel langzaam evoluerend amoureus avontuur – dat tenslotte met een sisser moet eindigen. Het zal, net als een tweede vage liefdesrelatie, een deprimerend beeld schetsen van de verhoudingen. Muziek doorkruist, compleet met notenbalken gespijsd, het ganse verhaal. En soms een vleug mysterie, een suggestie – wat bevindt zich achter de hermetisch gesloten deur van studio B? 
En wanneer duiken de ‘dwergen des doods’ op? Oh gruwel. Verkeerde plaats, verkeerde tijd, William is er getuige van hoe twee dwergen een muzikant vermoorden; erger, hij staat er bij, zou beschuldigd kunnen worden. Moet hij onderduiken? En wat zou de link kunnen zijn met dat punkgroepje van jaren her, The Dwarves of Death, dat enkele dagen voordien ter sprake kwam, waarvan hij het enige plaatje in handen kreeg? Een mysterie dat uiteindelijk op het einde van het boek – de lezer moet nog heel wat geduld oefenen want het leven van de band en de liefdesperikelen krijgen voorrang – ontraadseld wordt. Met geweld en gruwel, maar tamelijk knullig en ongeloofwaardig. Coe acht het dan ook slechts enkele bladzijden waard, gelukkig!
Dit is vast niet de beste roman van Coe maar houdt desondanks alle beloften in die we later mochten verwachten. Een vlot verhaal, sterke sfeerschepping. Zeer goede en scherpe tekening van de personages, de hoofdfiguren maar ook de mindere goden worden met enkele trekken fijn neergezet. Het beeld dat hij schetst van de beginnende bands, hun ploeteren, hun veelal vechten tegen de bierkaai, is een tijdsdocument. Dit alles is overgoten met de zo typische humor van Coe. Die is soms terug te vinden in een tussenwerpsel van drie woorden, quasi nonchalant neergeworpen, ironisch. Het kan ook een uitgesponnen fragment zijn. Zo is het verhaal hoe William vergeefs op een autobus wacht meer dan twee pagina’s lang een hilarische monologue intérieur. Of een wat cynisch (t.o.v. muziek en kunst) zinnetje als “…raar eigenlijk als je bedenkt dat iemand als Debussy vreselijk zijn best heeft zitten doen op een maat uit Pelléas et Mélisande zonder zich te realiseren dat de meeste mannen het te druk zouden hebben met de vraag of ze ongestraft hun hand op de knie van hun vriendin zouden kunnen leggen om naar de muziek te luisteren”.

Het kan nog erger, heel bitter en scherp, zoals in deze dialoog: “Het belangrijkste is dat je waardig sterft. De dood kan zacht en rustig en zelfs mooi zijn. En als iemand waardig overlijdt, kunnen we daar toch vrede mee hebben?” – “Daar heb je helemaal gelijk in” zei Tony. – “Waar is je vader eigenlijk aan gestorven?” – “Gangreen van het scrotum.”  Tot zover de waardigheid van de dood en het effect van de troostende woorden. Een proeve van typische Coe-humor.
Coe liet zijn hoofdpersonage nog even verder leven: in ‘V.O.’, een kortverhaal dat gepubliceerd werd in een bundel van zeven getiteld ‘Loggerheads’, allen geschreven voor 2013, treedt William opnieuw aan. Hij is hier een bekend componist van filmmuziek. Alvast niet deze van de verfilming van zijn roman die als ‘Five seconds to spare’ in de regie van Tom Connolly in 1999 op het publiek werd losgelaten. Daar tekende Ben Pope voor de muziek, duvel-doet-al in de muziekwereld, dirigent bij talrijke orkesten over de ganse wereld, die tevens samenwerkte met talloze popvedetten, maar ook tekende voor heel wat bekende commercials. Een groot succes werd de film niet. Ondanks de verschijning van de roemruchte dj John Peel; helaas slechts in een cameo waar hij als eigenaar van een platenzaak William, zijn bediende, bij de telefoon roept; hij verdiende een grotere rol!   

Johan de Belie 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.