De Reflexspray kijkt me nog steeds aan, daar op dat plekje in de badkamer waar jij hem maandenlang klaar voor gebruik had liggen. Vruchteloos. Hopeloos. Schouderpijn, zo geloofde je. Zo bleef je beweren. Hoe lang je ook die spray hanteerde, hoe feller de pijn ook werd. Tegen mijn ongeloof in. Tenslotte allicht tegen je eigen beter weten in.

Die spray. Ik kom er niet toe hem in het kastje op te bergen. Zo blijft ook het puzzelwoordenboek op het schapje onder de salontafel liggen, met jouw bril en de pen waarmee je graag die honderden, duizenden kruiswoordraadsels invulde. Doelloos vergaren ze daar stof. Al meer dan zes maanden. Zinloos. Je komt niet terug om peinzend naar de tuin te staren, dan uit het gras of uit de wolken het gezochte woord blijkbaar gevonden, de vierkantjes met letters te vullen. Maar hen wegruimen, dat is zo definitief. Dat betekent jou opgeven. Blijkbaar slaag ik daar niet in. Nog niet. 

De spray vloekt me aan. Dat je capituleerde. De huisarts bezocht. Die dadelijk diepe rimpels in zijn voorhoofd kreeg, nog voorzichtig suggereerde eerst. Maar je op pad stuurde, een pad dat aan duidelijkheid weinig inboette. Zodat langzaam, heel langzaam de martelgang van onderzoeken, resultaten, en nog veel meer kon beginnen. Dat alles op een bedje van steeds meer pijn, twijfels, angst. Gelardeerd met covid wat dat alles vertraagde, bemoeilijkte, waarvoor je telkens weer extra en moeizaam de deur uit moest. Vergeefs. Zodat ik je nu vaak, vooral ’s avonds en wanneer ik ’s nachts wakker schrik, als een schim in de deuropening zie staan, of zie voorbijgaan, hoor hoe je bezig bent in een andere kamer of de trap opkomt om je naast mij te vleien.

Het zijn de klassieke beelden die blijkbaar iedereen die een partner mist geduldig moet verwerken. Soms is het even schrikken, het went. Je bent niet meer reëel, dat besef is er inmiddels. Al wil ik de beelden van me afduwen, hoe je die laatste keer de ziekenwagen in werd gemanoeuvreerd, de foto van het sterfbed, het onbarmhartig uitstrooien van de as. Het had allemaal niets met jou te maken – het was een lichaam, het mag mij niet beroeren, niet ontroeren.
Zie je, kijk, toevallig viel me dit in handen: een mapje met herinneringen aan Heidelberg, het eerste deel van onze huwelijksreis, september 1974. Drie dagen ‘Heidelberg mit Herz’, een georganiseerde driedaagse reis die bijna in het water viel omdat we ei zo na de trein misten weet je nog! Dat na de korte huwelijksnacht we overhaast – geen tijd voor koffie – vertrekkensklaar stonden toen men het kookvuur kwam leveren én aansluiten. De leverancier bracht ons in ijltempo naar het station en uiteindelijk bereikten we, trein in trein uit, hongerig en dorstig toch hotel Zum Ritter voor een afgrijselijk maal, vette schnitzel met peren in een saus met een buitenissige smaak, en belandden tenslotte in een koude kamer. Gelukkig was er de dag nadien hoog boven de Neckar de Philosophenweg om romantisch te wandelen en daar de dialoog te repeteren die enkele dagen later zou dienen voor mijn toelatingsexamen aan het conservatorium.

Waarna het tweede deel van onze reis volgde, dagen aan zee. Dat alles het gevolg van die rare ontmoeting toen ik een toneelclub startte en jij je als eerste gegadigde meldde. Wat een beeld. Ik geknield bij de mazoutkachel, jij die binnenkwam en vroeg of hier… Inderdaad. Veel later zou je zeggen dat hoewel ik absoluut jouw type niet was, je toen ‘iets’ voelde, een flits, dat je ‘met deze persoon ooit zou huwen’. Het leven kent vreemde kronkels, het brein des te meer. Ik was pas later gegrepen, eerst beroerd door jouw mooie lange haren die mij aan Françoise Hardy lieten denken, maar al snel door jouw aanleg voor het toneel. Want je bleek een goede actrice. Dat was ook duidelijk bij dat net vermelde examen van mij waar jij de rol van de stervende Ase, de moeder van Peer Gynt, was en mij als Gynt van de planken speelde. Wat een stervensscène. Die je nu, 47 jaren later, helaas te natuurgetrouw overdeed.
Dat je gemist wordt door veel mensen hoef ik je niet te vertellen. Het ligt voor de hand. Er zijn de kinderen, en de zes kleinkinderen die het nauwelijks of misschien helemaal niet kunnen bevatten. Logisch toch, is het te begrijpen? Hier gelden de regels van de ratio niet meer. Uitgeschakeld. Terwijl drijven op emoties – wat een gevaarlijk spel. Maar onontkoombaar. Er zijn jouw zussen en broer. Ach de zussen. Jullie vier die vrijwel iedere zaterdagnamiddag op stap gingen. Antwerpen, Beveren, Sint-Niklaas. Shoppen (minder jouw dada); een taartje of pannenkoek eten; iets drinken, cava, nee voor jou een wit wijntje. In de zomer waren er de wandelzoektochten die jullie heel wat hoofdbrekens kostten en zelden een goed resultaat opleverden tot jouw ‘terechte?’ verbijstering.

Soms ontving ik op zo’n zaterdag in de vooravond een sms dat je later zou arriveren, dat ik al mocht eten. Wat ik nooit deed, alleen eten was zo ongezellig. Hoé vervelend besef ik nu. De eenzame maaltijden zijn smakeloos. Hoe lekker ook bereid. Want nee, maak je geen zorgen, de kinderen proppen me vol. Boodschappen, koken, het huis aan kant maken… er wordt uitstekend voor mij gezorgd. Ze houden mij gezelschap, en ook jouw oudste zus komt vaak op bezoek. Ik mag niet klagen. Toch klaag ik: je had er niet zo vlug, zo onverwacht vandoor mogen gaan. Dat er van jou nog alleen wat stof in twee houdertjes rest, een schande. Ashes to ashes, dust to… die as willen je zussen uitstrooien in zee, net zoals jullie deden met deze van je moeder, pit Josée. Dat wens ik niet mee te maken. Het beeld van hoe wat er van jou restte over het gras daalde, op de wind wegwaaide, het blijft een nachtmerrie op mijn netvlies en in mijn hersenen. Een wonde.
Herinneringen. Ze zijn talloos. Maar ook, onvermijdelijk, gekleurd. Of in ieder geval getint. Grijzig of rose, al naargelang. De geboorte van de kinderen, van de kleinkinderen. Onze reizen. Piekmomenten. Er waren trieste dagen, confrontaties met ziekten, pijn, depressies, tegenslagen. Zon en regen. Daar waren wij wel tegenpolen. Jij bleef in het verleden steeds graven naar het negatieve. Het bleek zo moeilijk voor jou de kwalijke momenten, de negatieve gebeurtenissen van je af te schudden. Telkens weer kwamen ze de kop opsteken. Het waren jouw demonen die je achtervolgden. Na tientallen jaren kon wat ik tot een lang verdrongen feit verbannen had, zich in jou als een kwalijke oprisping manifesteren. Mijn onbegrip was dan pijnlijk. Sorry daarvoor. Wat kon ik er tegenover stellen… In mijn hoofd hadden de zonnige dagen de bovenhand, de gelukkige ogenblikken. Ik klampte me vast aan het goede dat ons overkwam, het geluk dat ons te beurt viel. Dat weerwoord viel in onvruchtbare grond, ik werd de zwijgende partner tegen wat soms tot verbittering uitgroeide.

Gelukkig waren er dan toch weer al die zonnestralen en bleef jij warmte ontvangen en zelf uitstralen. Wat genoot je van de bezoeken van de (klein)kinderen, van uitstappen, van de vakanties in Disney, Efteling, Roompot… En we keken samen dagelijks naar dat dwaze feuilleton, Home and Away – dat heb ik van het scherm verbannen, zonder jou is het al te klef. Ook de opnames van EastEnders op de digibox heb ik stopgezet; je bent er niet meer om op zondagnamiddag twee uren de avonturen in het Londens decor te volgen terwijl ik naast jou zat te lezen. Het zijn bittere, gevreesde minuten geworden. 
Ontwaken. Luisteren. Waar zijn de ooit vertrouwde geluiden. Tasten naar de plek naast mij. Koud. Kil. Ik kruip uit bed, met tegenzin. Waarom. Waartoe. Voor wie. Zelf koffiezetten. Een halve kan. Je kijkt me verwonderd aan? Welja, ooit, toen volstond driemaal een volle pot per dag nauwelijks terwijl ik nu… Jij dronk, slurpte een ganse dag het zwarte goedje. Een forse besparing dus nu. Alles heeft zo zijn voordelen zegt de cynicus. Zo start mijn dag. De radio brengt enig lawaai in huis. De buitenwereld komt binnen via pc, phone, sms. Iemand dwaalt binnen – verpleegster, dochter, zoon. Terwijl mijn blik, gericht op het scherm, op de bladzijde in een boek, op een gelaat en een mij toesprekende mond, soms wegvlucht op zoek naar… Naar wie. Naar een gestalte die druk bezig is. Naar een lichaam gedoken over de krant. Naar een gelaat met peinzende uitdrukking – zoekend naar een puzzelwoord, of kommerend over de zwaarheid van het leven?  
Stel je voor, hier zit ik en schrijf aan jou alsof je het zou lezen. Vreemder nog, ik de zo zwijgzame, de stille, ik betrap er mezelf op dat ik nu vaak tegen jou praat, dat ik moet schrikken van mijn stemgeluid. Ja het verwondert je. Ik praat! Natuurlijk geloof ik niet in het voortbestaan. Nee, je bent niet in een of andere hemel. Je bent geen verre ster in de nachtelijke lucht. Geen rondzwervende molecule. Hooguit nog wat levenloze materie, stof – maar dat kan ik onmogelijk ‘jou’ noemen. Daar kan ik mij onmogelijk tot richten. Dat uitgestrooide, die materie, daarin was jij al niet meer te herkennen. Die kon ik niet meer benoemen. En jouw naam uitspreken dat betekent trouwens pijn, de wonde verversen. Alsof dat nodig is. Het litteken schrijnt zo wel. Het slijt. Het mindert. Zegt men. Dat zal dan wel, ik ben graag goedgelovig, nu toch. Wat moet ik anders? Op jouw raad hoef ik niet te rekenen. Fraai is dat, me zo aan mijn eigen kleine ik overlaten. En ik kan er niet eens boos op jou om zijn…      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.