Het is vandaag al 55 jaar geleden dat de in Gent geboren schrijver Maurice Roelants in Sint-Martens-Lennik is gestorven.

Als vierjarige knaap verliest hij zijn moeder Leonie Vermast, waarna hij een nieuw onderkomen vindt bij zijn tante en oom in Gent. Daar bezoekt hij de normaalschool, waar hij de latere schrijvers Raymond Herreman, Karel Leroux en Achilles Mussche ontmoet. Hij behaalt een onderwijzersdiploma en geeft enkele jaren les in Sint-Jans-Molenbeek. Daarna is hij ambtenaar, journalist en tenslotte conservator van het staatsdomein te Gaasbeek.
Hij was medestichter van meerder tijdschriften waaronder ’t Fonteintje (met Karel Leroux, Raymond Herreman en Richard Minne), Forum (met Edgar du Perron en Menno ter Braak) en het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hij was ook redacteur van Elseviers Weekblad.
Samen met Gerard Walschap zette hij zich af tegen de suprematie van de boerenroman. Het merkwaardigste vind ik dat de romans of kortverhalen, waarvan ik hem ken, binnen een tijdsspanne van vijf jaar zijn geschreven: gaande van “Komen en Gaan” (1927) over “De Jazzspeler” (1928) tot “Het leven dat wij droomden” (1931).

In “De Jazzspeler” doet de passage “Irène, en gij, Clara, en gij, Yvonne, en Anneke, gij, veelvuldige gezichten van mijn jeugd, ik ben hier weer. Aan u verjong ik mij altijd opnieuw. Aan u drink ik altijd opnieuw het water der bronnen. Aan u sterk ik mij altijd opnieuw om trouw te blijven aan de enige uitverkorene (…) Ge houdt allen van mij, ik heb u allen lief. Ik heb u allen in mijn vrouw uitverkoren. In de éne uitverkorene zijt gij allen.” (p.13) mij onweerstaanbaar denken aan het lied “Laisse mes mains sur tes hanches” van Salvatore Adamo: “Sois pas fâchée si je te chante
Les souvenirs de mes quinze ans
Ne boude pas si tu es absente
De mes rêveries d’adolescent

Ces amourettes insignifiantes
Ont préparé un grand amour
Et c’est pourquoi je te les chante
Et les présente tour à tour”
En, eerlijk, ik vind dat Adamo het beter verwoordt.

“Een episode” (uit 1937) vind ik dan weer veel beter. Het gaat over een voorval op het college, waarin ik me meer kan herkennen dan in de verbitterde man die dankzij de jazzmuziek weer zin krijgt in het leven.

Van het volgende verhaal “De stille verbranding” snap ik geen knijt. Als het niet van 1916 was, zou ik zweren dat de auteur over zwaar spul beschikte. Alhoewel, waarom niet? In die tijd kenden ze daar ook wel al wat van, hoor!

Het volgende verhaal “Uit het dagelijks leven naar de heilige stal”, geschreven in 1937 voor en over de schilder Edgard Tytgat (1879-1957) en diens vrouw Maria, heb ik lange tijd als het mooiste beschouwd (prachtige zinnen!), maar het einde (“de heilige stal”) was voor een ongelovige keikop als ondergetekende wat te veel gevraagd…

“Het negerinnenbeeld” (uit 1942) is volgens mij een illustratie van “once you go black, you never go back”, al staat dat daar nergens met zoveel woorden in.

Het laatste verhaal, “Vriendschap, zoete vriendschap” gaat over de beeldhouwer Karel Melsert (niet terug te vinden op het internet, dus misschien is de naam verzonnen) die tijdens de oorlog (1945) onaangekondigd naar Amsterdam vertrekt om daar een paar vrienden op te zoeken. Maar dat bezoek valt door de omstandigheden op een koude steen en geeft aanleiding tot allerlei bespiegelingen over de vriendschap. Zelf zou ik een ander verhaal hebben gekozen om de bundel mee af te sluiten. “Het negerinnenbeeld” misschien? (Ronny De Schepper)

De TV-film « Het leven dat wij droomden » van Robbe De Hert (regie) en van Fernand Auwera (scenario), uitgezonden in het kader van de reeks « Made in Vlaanderen » (21/11/1982), was zeker geen meesterwerk maar hij verraste toch door inhoud en door vorm.
Doorheen het eenvoudige verhaaltje over « twee meiskens die op eenzelfde jongen verliefd worden » wist het « enfant terrible » van de Vlaamse film een knap sfeerbeeld van de jaren zestig op te hangen.
Vertrekkende van het lastige scheppingsproces dat een filmscenarist doormaakt om toch nog « iets » te halen uit een « ouderwets » boek dat hem helemaal niet aanstaat (de roman « Maria Danneels » van Maurice Roelants) toonde Robbe De Hert ons Antwerpen, Brussel en de BRT vanuit heel wat ongewone hoeken, pakte hij vluchtig actualiteitsproblemen als werkloosheid en rijkswachtintimidatie aan en peilde hij terloops naar de zin van de huidige filmerij in ons land. En bij dit alles vergat hij zijn personages en hun liefdesperikelen toch niet.
Heeft de onafhankelijke buitenlandse productie ons reeds talrijke voorbeelden van dit soort intimistische (en interessante) prenten aangeboden, dan is « Het leven dat wij droomden » een van de eerste stappen in die (goede) richting bij ons. Hopelijk bewandelen BRT en filmproducers in de toekomst nog deze weg en ontstaat er een lopende productie waarmee Vlaanderen zich echt kan laten zien in de wereld.
Het wordt stilaan tijd dat ons label ook in de filmwereld een echte betekenis krijgt…

P.S. Het inlassen in bovengenoemde prent van talrijke fragmenten uit gekende filmklassiekers als « Psycho », « De 41ste », « Some like it hot », enz., zal heel wat cinefielen plezier gedaan hebben. Tot een systeem mag men dit echter niet maken, noch voor de gewone toeschouwer, noch voor het budget. De BRT zou zich anders wel eens blauw moeten betalen aan auteursrechten. En de kijker zou het procédé wel wat te gemakkelijk kunnen vinden om tot een normale speelduur te komen. Anders, bravo voor de herinnering…

Referentie
Lode De Pooter, In de goede richting, De Rode Vaan nr.48 van 1982

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.