De Nederlands-Chinese schrijfster Lulu Wang viert morgen haar zestigste verjaardag.

In 2008 heeft Lulu Wang de prijs voor de Slechtste Seks gewonnen. En wel met deze zin: “Je brulde van de drang om mij volledig tot je te nemen, je kwijlde alvast en je bromde van opwinding toen ik in je handen viel. Hierna verpletterde je mij onder je lange armen en benen en scheurde het gewaad van mijn lijf.”
Ik zou zeggen: gefeliciteerd! Want inderdaad, deze zin komt voor mij allerminst erotisch over. Ik moet daar wel aan toevoegen dat ook literaire “goede seks” me meestal mateloos verveelt. John Irving beschrijft in “Een zoon van het circus” hoe een koppel dat bijna twintig jaar getrouwd is hernieuwde seksuele stimulansen vindt door het samen lezen van het boek “A sport and a pastime” (1967) van James Salter (1925-2015). De passages staan erbij. Ik ben geneigd ze over te slaan, net zoals ik dat gewoontegetrouw bij natuurbeschrijvingen doe.
Met andere woorden, I don’t qualify om in de jury van zo’n wedstrijd te zitten. Maar waarom het me vooral te doen is: in Humo van 1/2/2008 geeft Lulu enige toelichting bij haar tekst. En dat gaat dan als volgt: “In de Chinese cultuur konden vrouwen heel lang nauwelijks initiatief nemen als het op seks aankwam, en wellicht als gevolg daarvan is geweld er een heel essentieel onderdeel van gaan vormen. Je zou het sm kunnen noemen, als dat niet zo’n typisch westers begrip was. Toen ik twaalf, dertien jaar was en al een beetje begon te puberen, was het heel normaal dat, als een jongen een voorbijwandelend meisje leuk vond, hij haar gewoon hardhandig bij d’r arm trok, tegen een muur aandrukte en begon te kussen. In Nederland zou dat aanranding heten, maar die Chinese jongen heeft nooit iets anders geleerd. En dat meisje vindt het, bij gebrek aan referentiekader, ook opwindend. Tedere seks wordt daar al snel bestempeld als flauw – slappe hap.”
Daar ben ik wel een beetje niet goed van. Niet dat ikzelf een aanhanger van “vanilleseks” zou zijn, maar ik heb eens één nacht een Chinees meisje over de vloer gehad en uiteraard ben je dan heel lief en teder. Je gaat die toch niet meteen aan dat sportraam hangen dat in mijn woonkamer staat, zeker? Maar ja, dan blijk je “een slappe hap” geweest te zijn. Misschien daarom dat het bij die ene nacht is gebleven…?


EROTISCHE LITERATUUR ALS JEUGDLITERATUUR

Enfin, nu we weten wat de slechtste seks was, is het misschien interessant te weten wat ikzelf dan de beste seksscène vond? Een grote kanshebber is alleszins Mãdãlina Ghenea’s famous scene in the bath in the movie “Youth” by Paolo Sorrentino. This was number one in WhatCulture.com’s “15 Most Paused Movie Moments Of 2015”: “So gob-smacking, was this nude scene in Paolo Sorrentino‘s Youth (2015), that it ended up being used as the film’s official poster, despite the fact that the scene is a minor part of the film, and of course the fact that no mainstream cinema in the world would be able to display it, for fear of inciting prudish parents. But you can see why they did it: casting Romanian model-turned-actress Mãdãlina Ghenea to play Miss Universe for the nude scene was an inspired choice. As adverts for the beauty of the human body go, there’s no denying she’s pretty compelling.” (Simon Gallagher, 2015) Mãdãlina Ghenea, who played Miss Universe in this movie, was twenty-six at the time of filming. In real-life, she would’ve been the oldest Miss Universe ever (sharing this honor with 1997 American winner Brook Mahealani Lee).
Immers, hoe paradoxaal het ook mag lijken, eigenlijk is erotische literatuur een soort van jeugdliteratuur: misschien daarom dat ook Karl “Old Shatterhand” May, Felix “Bambi” Salten, Leopold “Rode Ridder” Vermeiren (*) en P.L.Travers (**) zich daaraan hebben bezondigd? Mijn uitgangspunt is immers dat ontspanningsliteratuur op de wip zit tussen realisme en romantiek. En dit is ook het geval zowel bij jeugdliteratuur als bij erotische en pornografische literatuur. We hebben het hier dan uiteraard over “realistisch” en “romantisch” als literaire vaktermen en niet zoals ze wel eens in “courant taalgebruik” worden gehanteerd. De auteur Elle Eggels vermijdt dan ook deze termen als ze in de Standaard der Letteren van 24/12/1998 het verschil tussen vrouwelijke en mannelijke auteurs wil uitleggen, maar eigenlijk komt ze wel tot dezelfde conclusie: “Vrouwen zijn meer bezig met emoties en mannen met illusies. Mannenboeken gaan vaak over dingen die ze niet kunnen waarmaken, zoals wilde avontuurtjes met vrouwen, terwijl vrouwen veel meer bezig zijn met wat het leven werkelijk te bieden heeft.”
Zo wordt bv. harde porno vaak aangepraat als zijnde “realistische literatuur”. Niets is minder waar. Literair gezien is harde porno “romantisch” want “idealistisch”. Dat betekent dat de seksuele prestaties die erin beschreven zijn niet “realistisch” zijn of beter, ze zijn gecomprimeerd op een te korte periode om fysisch haalbaar te zijn.
Dit was ook de “verdediging” van Jef Geeraerts toen hij n.a.v. zijn eerste deel van de Gangreen-boeken, “Black Venus”, daarop werd aangevallen. Geeraerts is dan ook een vertegenwoordiger van het zogenaamde vitalisme, dat duidelijk de “romantische” pool is in de erotische literatuur, al was het maar vanwege de verwerping van het intellect ten voordele van het gevoel. Voor de terugkeer naar de romantische opvatting van “le bon sauvage” (de goede wilde) moet men zelfs niet noodzakelijk (zoals Geeraerts) écht naar de brousse teruggrijpen, ook de extatische naaktdans van Lady Chatterley en haar “boswachter” in de regen kan symbool staan voor die vorm van primitivisme. De auteur D.H.Lawrence wordt terecht immers eveneens tot de vitalisten gerekend.
De realistische tegenpool zouden we dan het naturalisme kunnen noemen, met daarbij nog de tegenstelling dat in het vitalisme de seksualiteit aangewend wordt als positieve kracht tegenover de dood (denk maar aan de scène in Jan Wolkers’ “Turks Fruit” als de ik-persoon per se een kind wel verwekken in de kamer boven die van de stervende schoonvader), terwijl het in het naturalisme vaak een destructieve kracht is (b.v. “Nana” van Zola).
Maar hoe broos al die theorieën eigenlijk zijn, kunnen we meteen aantonen door twee goedkope heruitgaven, enerzijds van “Zonen en minnaars” van D.H. Lawrence (Utrecht, Skarabee, 1982, 447 blz.) en anderzijds van een verhalenbundel van de naturalist Guy de Maupassant (“Verlangens en verleidsters”, Amsterdam, Loeb, 1983, 292 blz.). Men kan immers toch moeilijk beweren dat de seksualiteit in de Maupassant bekendste erotische verhaal “Vlieg” een destructieve kracht is?
Tussen haakjes, over “verleidsters” gesproken, ook al is het heerlijke verhaal over “Vlieg” in deze bundel opgenomen, het minste dat men van de naakte schoonheid op de kaft kan zeggen is “dat ze uit haar contekst is gerukt”. Inderdaad, de meerderheid van de verhalen situeert zich niet direct op het erotische vlak. Vandaar dat wij dit werk ook hebben ter sprake gebracht in “Griezel en gruwel”, aangezien er ook klassieke verhalen in dit genre instaan (b.v. “De Horla”).
Overigens, als we het dan toch over misleidende termen hebben, ook de zogenaamde “platonische liefde” is een totaal foutieve term. Plato pleit in zijn “Symposion” wel voor heel vleselijke liefde!
Hetzelfde betreft het onderscheid tussen erotiek en pornografie. Dat is zo goed als onbruikbaar. Het ene is een positieve term en het andere een negatieve, zoveel is zeker, maar waarop dit dan precies slaat is niet helemaal duidelijk. Op de literaire kwaliteiten? Of op de beschreven hoogstandjes?
Toen Jef Geeraerts in 1969 de staatsprijs kreeg voor genoemd werk, dan spraken zijn tegenstanders van een “staatsprijs voor pornografie”. Ondertussen zullen de normen echter alweer verlegd zijn. Tal van verhalen die in de bundel “Eros gesluierd” zijn samengebracht (ed. Theo Kars, Amsterdam, Loeb, 1982, 361 blz.), zijn ooit ontegensprekelijk als pornografisch bestempeld, anders zouden ze niet anoniem en/of klandestien verspreid zijn. Nu worden ze dus blijkbaar bij erotiek ondergebracht.
VROUWVRIENDELIJKE PORNO
Omgekeerd spreekt men van “vrouwelijke erotiek” bij bundels als “Zusters in de Zonde” en “Nieuwe Zusters in de Zonde”, die werden samengesteld door Lydia Rood. Maar als ze zelf erotische verhalen uitbrengt onder de titel “Louter lust”, zegt ze zelf: “Ik noem het gewoon porno.” Haar belangstelling ervoor dateert nog uit haar tienertijd toen ze optrad als jurylid in een pornowedstrijd van mannelijke medeleerlingen. “Slechts één verhaal vond ik goed,” zegt ze. “De andere waren te grof en te hard naar mijn zin. Die winnaar is dan ook later mijn vriendje en nog later mijn man geworden.”
Het voorval maakte haar er wel opmerkzaam op dat porno voor vrouwen dus een zeldzaamheid was, ook al omdat bij de samenstelling van haar “zusters”-bundels het haar opviel dat ook de bestaande vrouwenporno haar niet echt voldeed. “Vroeg of laat gaan ze altijd de romantische toer op, maar als ik een liefdesverhaal wil lezen dan kies ik wel een écht liefdesverhaal.” En dus schreef ze er maar zelf. Eerst die bundel, later (in 1995) een roman “Gedeelde genoegens”. Daarbij blijkt ze zelf toch ook wel tamelijk grof uit de hoek te komen, vooral wat de woordkeuze betreft. Daarom belt ze 06-lijnen op (bij ons zouden dat 077-lijnen zijn) om te weten wat de gangbare terminologie voor bepaalde lichaamsdelen op dit ogenblik is.
Uiteindelijk blijkt haar boek ook meer aan te slaan bij mannen dan bij vrouwen (weliswaar in een verhouding van 60 tot 40%). Wat haar daarbij vooral dwarszit is dat die vrouwen niet reageren. Terwijl mannen dus duidelijk willen weten waarover vrouwen fantaseren, krijgt ze geen “feedback” van haar seksegenoten en dat vindt ze erg jammer.
In 1997 probeerde ze met “Zo veel zinnen” het succes van “Louter lust” over te doen. Tegen die tijd waren er ook al andere schrijfsters in Nederland die op haar weide kwamen grazen zoals Playboy-columniste Hanneke Savenije met “Indiscrete praatjes” en vooral Monique Punter met “Ave Verum Corpus” en “Brandend zand”. Vreemd, maar deze laatste titel (over vakantieliefdes) wordt ook toegeschreven aan Anne Wesseling.
In Engeland had ondertussen (sinds 1993) de uitgeverij Virgin de reeks “Black Lace Books” gelanceerd als porno voor en door vrouwen. In 1998 verscheen reeds de honderdste aflevering: “The Name of an Angel” door Laura Thornton, een professor Engelse literatuur uit Leicester.
Merkwaardig genoeg vind ik dat de beste “vrouwvriendelijke porno” werd geschreven door een man, namelijk de Amerikaan Jonathan Fast met “De zuil van jade”, en in een ver verleden ooit nog de echtgenoot van Erica “Fear of Flying” Jong
PLAYBOY
“Wat is het verschil tussen erotiek en pornografie? De eerste wil de tijd laten duren, de tweede wil de tijd doden.” (Luuk Gruwez in DS Magazine, 7/11/1997) Maar verder, onderscheid erotiek-pornografie? Laten we het maar vergeten, het blijkt gewoon een kwestie van interpretatie zijn. Meer zelfs, de feministen willen zelfs het verschil tussen “zachte” en “harde” porno zien verdwijnen. Dit komt vooral duidelijk tot uiting in “Heksennacht: feministische visies op pornografie” (ed. Laura Lederer, feministische uitgeverij Sara, 1982, 281 blz.). Met andere woorden, een verkrachtingsscène of een omfloerste naaktfoto van David Hamilton, het zijn twee loten van dezelfde boom en de feministen weten er wel weg mee: afhakken! klinkt het resoluut. “If rape is the practice then pornography is the theory.” (Andrea Dworkin)
Zijn hier soms dezelfde rechtse moraalridders aan het woord als die welke Jef Geeraerts liever aan het kruis genageld zagen? Neen, zegt ene Susan Brownmiller in het geciteerde werk maar uit haar uitleg kunnen we enkel afleiden dat zij wél “eerlijke seksuele voorlichting” wil (en dan nog het liefst “vrouwelijke biologie”, wat dat ook moge betekenen, p.67), maar voor de rest vindt zij het ook allemaal “regelrechte vuiligheid”.
Typisch is dat voor de schrijfsters van “Heksennacht” (want het is een grotendeels uit het Amerikaans vertaald boek) het maandblad “Playboy” de grote vijand is. Gloria Steinem slaagt erin de volgende vergelijking te maken: “Een vrouw die Playboy in huis heeft is als een Jood die Mein Kampf op tafel heeft liggen” (p.171). Maar ja, wat wil je, “alle glans en glitter die deze mannenmaatschappij voor vrouwen produceert – de make-up, de schoenen met hoge hakken, de strakke jurkjes – brandmerken ons als vrouwen, even effectief als de gele sterren op de jassen van de Joden in nazi-Duitsland dat deden” (p.179).
Gelukkig zijn niet alle feministen even vooringenomen als deze van “Heksennacht”. Baanbrekend werk op het gebied van vrouwenerotiek kwam bv. van Erica Jong (°1943). Haar romandebuut “Fear of Flying” (1973) werd in het Nederlands commercieel maar toch min of meer terecht vertaald als “het ritsloze nummer” (naar een onderdeel van het boek dat de titel “The zipless fuck” meekreeg). Eigenlijk zijn Jongs romans “picareske” romans, met een vrouwelijke picaro die allerlei (meestal seksuele) avontuurtjes beleeft. In die traditie hoort ook “Every woman deserves an adventure” (1994) van Yvonne Roberts thuis.
In een gesprek met Johan de Geest van “Humo” zegt Erica Jong over het zo verguisde “Playboy”-magazine onder meer het volgende: “Ze verdienen natuurlijk geld door naakte meisjes te tonen, wat voor mij vrij onschuldig is (…) ik heb niet de indruk dat Playboy een slecht blad is: ze hebben me in alle geval meer vrijheid gegeven om te schrijven wat ik wil dan de meeste feministische bladen, die me in naam van het feminisme wilden censureren. De feministen zeiden bijvoorbeeld dat ik niet kon schrijven over een getrouwde vrouw, dat het een lesbische moest zijn… Ongelooflijk hoe repressief ze soms kunnen zijn, en dat nog wel onder het banier van de bevrijding”.
Joske Van Sande (destijds lid van de vrouwencommissie van de KPB) sluit zich hierbij aan: “Je kan niet ontkennen dat porno, vooral dan in de jaren zestig, ook bevrijdend heeft gewerkt. Een heleboel mensen kwamen toen uit een tijd dat er niks te zien en niks te weten was. De bekende 69-houding bv. zal voor een hoop mensen toen een revelatie geweest zijn. De eerste porno-uitgevers in Nederland kwamen trouwens uit de linkse hoek.”
Maar toch moeten we toegeven dat sadisme steeds prominent aanwezig is geweest in de zgn. erotische literatuur. Dat blijkt heel duidelijk in “Eros gesluierd” en dan nog niet eens uit het verhaal van markies de Sade dat werd opgenomen, maar wel uit dat van de anonieme Victoriaan “Walter” b.v. In zijn verhaal over “Sally” (vertaald door Gerrit Komrij) komt o.a. de typische uitlating voor: “Maar ik moet eerlijk bekennen, nooit heb ik meer van de ontucht genoten dan toen ik haar pijn kon doen” (p. 249).
Een dergelijke brutaliteit kenmerkt ook het slot van het verhaal over “Vally Fischer”. In verschillende varianten keert het trouwens ook elders weer, zodat we het zelfs niet zouden vermelden, ware het niet dat dit verhaal geschreven is door Felix Salten, een naam die u wellicht niks zegt, maar de tekenfilm “Bambi” van Walt Disney des te meer. En inderdaad, de auteur van dit verhaal waarbij we als kind allemaal tranen met tuiten hebben geweend is één en dezelfde persoon. Salten is overigens wellicht ook de auteur van het beroemde boek, waarin prostituée Josefine Mutzenbacher haar avonturen in het Wenen van het begin van deze eeuw vertelt. Men vermoedt wel dat deze verhalen authentiek zijn en dat de dame wel degelijk heeft bestaan, maar het te boek stellen zou door Salten zijn gebeurd.
Hoe dan ook, reeds in 1997, een jaar dus na de affaire Dutroux (al was dit niet de aanleiding voor de studie), kwam Steven Eggermont uit Dendermonde in zijn licentiaatsverhandeling “De polemiek omtrent seksuele media-inhouden” (in het kader van communicatiewetenschappen) tot de conclusie dat jongeren porno (in geschrifte of op beeldband) niet verantwoordelijk achten voor dergelijke criminele daden. Een onderzoek toegepast op 212 jongeren wees uit dat 95 % niet denkt dat porno de gevoeligheid voor seksualiteit doet afstompen; 91 % vindt evenmin dat erotiek de normen zou doen vervagen, noch zet porno aan tot vrouwenhaat (88 %). Integendeel, volgens 68 % wordt erotiek er bespreekbaarder door. Niet dat jongeren zo’n pornoliefhebbers zijn. 85 % heeft het wel al eens bekeken, maar 79 % daarvan knapte erop af. Dat is echter geen aanleiding om om censuur te gaan schreeuwen: je kan nog altijd de knop omdraaien, dat is zowat de stelling. Wellicht vat dat inderdaad nog het beste samen hoe de meerderheid er tegenaan kijkt: men is er eigenlijk geen liefhebber van, maar om te masturberen (nu eenmaal een courante seksuele praktijk voor wie geen verhouding heeft of niet bij zijn geliefde kan zijn) is het blijkbaar handig en daarom wordt altijd wel een pornovideo of -boekje achter de hand gehouden.
In de erotisch bedoelde verhalenbundel “Rose verhalen”, door Martin Ros in 1981 samengesteld voor de vijftigste verjaardag van zijn baas bij de Arbeiderspers, Theo A.Sontrop, staan zeer diverse verhalen, die in het beste geval leuk en onderhoudend zijn, maar vaak saai en vervelend en bijna nooit opwindend. Behalve dan het verhaal van de enige vrouw in deze mannelijke bijt: “Het fenomeen van de bassist” van Eefje Wijnberg.
De reden hiervoor is op de eerste plaats bijna “taalkundig”: mannen hanteren een ander taalgebruik dan vrouwen en dat zint me niet. Zoals vaak kan men dit nog het beste bewijzen door net het omgekeerde aan te halen. Een erotisch boek geschreven door een vrouw waaraan ik nochtans een absolute hekel heb, is “Lust” van Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek. En wat schrijft Jelinek op de kaft? “Ik heb met Lust een tegenhanger willen schrijven van Batailles Histoire de l’oeil. Ik wilde vanuit een vrouwelijk gezichtspunt naar het obscene kijken en heb gemerkt dat een vrouw niet over lust kan spreken zonder in de taal van de mannen te vervallen.” Nou, en of!
Het andere bekende werk van Georges Bataille (1897-1962), “De dode”, heb ik gezien in een morsige verfilming door een Amerikaanse underground-“kunstenares”. Toch zou ik alweer zeggen: geef me toch maar liever zijn vrouw, Colette Peignot, waarover Elisabeth Barillé een biografie heeft geschreven. Ze vertelt hierover in Weekendknack van 9/4/1997: “Colette Peignot leefde in de eerste helft van de twintigste eeuw. Ze kwam uit een burgerlijke katholieke familie. Tijdens haar jeugd werd ze benaderd door een priester met perverse neigingen. Ze hield daaraan een walging over voor het katholieke geloof en de lichamelijkheid. Ze had zowel behoefte aan revolte als aan transcendentie. Ze heeft heel extreme seksuele ervaringen gehad. Later ontmoette ze Georges Bataille, met wie ze poogde erotiek en transcendentie te verenigen.”
Hou ik dan nooit van “mannelijke” erotiek? Toch wel, want er zijn natuurlijk ook nog schitterende werken als Mulisch’ “Twee vrouwen” of Maarten ’t Harts “Droomkoningin”, alleen is hier het probleem dat ze door de meesten niet als erotisch worden erkend. Een moeilijkheid die zich uiteraard ook bij vrouwelijke auteurs voordoet, denken we maar aan “Wuthering Heights” van Emily Bronte.
En dan verder eigenaardig genoeg hou ik ook van erotische poëzie, een genre waarmee ik me normaal niet erg inlaat. Bovendien kan dat dan zo uiteenlopend zijn als de speelsheid van de sonnetten van Pietro Aretino (die gestorven is door zich dood te lachen toen zijn zus een schunnig verhaal vertelde) of de bitterheid van Baudelaires “Fleurs du mal”, die erg dicht in de nabijheid komt van het adagium van Pierre Louÿs: “La volupté qui rit n’existe point. Le plaisir touche de plus près à la douleur qu’à la gaieté.” (Les aventures du roi Pausole, p.52)
HET VICTORIAANSE ENGELAND
In 1899 schrijft Kate Chopin de roman “De ontnuchtering” over een vrouw die seksuele bevrediging zoekt buiten haar huwelijk. Het boek maakt evenveel ophef als “Madame Bovary”. Het maakte zijn titel echter waar: Chopin, die tot dan toe populaire romannetjes schreef, kwam tot de ontnuchterende constatatie dat ze vanaf dan geboycot werd.
De Victoriaanse periode is natuurlijk op zich erg interessant, omdat voor de erotiek allerlei vluchtroutes dienden te worden bedacht. Meestal via de zogenaamde gothic novel (zie aldaar).
Omwille van dit alles ben ik mij ook gaan toeleggen op de erotische underground-literatuur van het Victoriaanse Engeland (“Forbidden fruit”, “Sadopaideia”, “My secret life” en het tijdschrift “The pearl”), maar deze lees ik eerder als curiosa dan als literair en/of erotisch hoogstaande werken, want ze zijn tevens de beste voorbeelden om aan te tonen waarom ik meestal niet van mannelijke auteurs in dit genre hou.
De grootste drijfveer van al die auteurs is immers voornamelijk aan te tonen hoe groot hun penis wel is en hoe onuitputtelijk hun potentie. Kwantiteit in plaats van kwaliteit. Het gekke is dat John “Fanny Hill” Cleland wel model lijkt te hebben gestaan voor dit soort literatuur, al moet Cleland toch wel tot meer in staat zijn geweest. Is hij niet de vertaler (in 1751) van de biografie van Catherine Vizzani, een promiscuë lesbienne in mannenkleren?
Onnodig er bovendien aan toe te voegen dat het meestal, zo niet uitsluitend, projecties betreft en dat je je hoegenaamd niet gefrustreerd hoeft te voelen als je hun “score” niet haalt. Ik kan me zelfs best voorstellen dat het mannetje met het pietluttigste pikje de enormste verhalen verzint.
In dit opzicht zijn deze Victorianen ook de voorlopers van de huidige seks- en pornoboekjes voor een exclusief mannenpubliek, waarin – inderdaad, lieve feministische vriendinnen – trouwens ook veel vrouwenhaat steekt. Het ligt in het verlengde van hun penis als het ware.
BENOITE GROULT
Natuurlijk hebben ook de zogenaamde “vitalisten” iets van deze “krachtpatserij” overgenomen, maar zij worden boven dit niveau uitgetild, omwille van hun onmiskenbare literaire kwaliteiten. Toch heeft de Franse schrijfster Benoîte Groult niet helemaal ongelijk als ze in haar pamflet “Ainsi soit-elle” (1975) schrijft dat D.H.Lawrence in “Lady Chatterley’s Lover” eigenlijk een lofzang van meer dan 300 bladzijden op zijn of alleszins toch op dé penis brengt. Hij is dan wel zo handig om hem (de lofzang wel te verstaan) in de mond van een vrouw te leggen. Groults succesvolle roman “Les vaisseaux du coeur” (in het Nederlands vertaald als “Zout op mijn huid”) is overigens overduidelijk een “vrouwelijke” versie van “Lady Chatterley”.
Tot dan toe schreven de zusjes Groult samen of apart vooral feministische werken. Daarom misschien dat het verbazing kan wekken dat in het boek ook wordt gezegd: “Perhaps a woman’s pleasure is in the giving of pleasure” (sorry voor de Engelse quote, maar die komt uit de filmversie). Dit cliché is in flagrante tegenspraak met de (terechte) lust die haar in de armen van Gavin drijft (in het boek Gauvain). Ik vind het zelfs zeer erg dat een vrouwenblad als “Flair” de mening verkondigt dat het vrouwelijke hoofdpersonage daarin “egoïstisch” is!
Wel vind ik het dikke zever dat Groult voortdurend beklemtoont dat haar boek een “schandaal” zou hebben veroorzaakt omdat het een vrouw zou zijn, die dergelijke taal gebruikt. Schandaal? Kom nou, over de andere geciteerde boeken is toch veel meer spel gemaakt en dat waren mànnen. Geef mij dan maar de Britse schrijfster Jenny Diski, die in Gent op een voordracht verklaarde: “Wat ben ik toch gelukkig een vrouw te zijn! Zie me hier grappen maken over een man die verkracht wordt door een vrouw (in haar boek “Happily ever after” namelijk). Het omgekeerde zou een schandaal verwekken!”
Trouwens in een interview met Humo geeft Groult zelf toe: “Veel extravagante manieren van vrijen bedenken mijn minnaars niet: ze ontmoeten elkaar met zo’n ruime tussenpauzes dat elke keer de Eerste Keer is, dat hun lichamelijke liefde veeleer naïef blijft.”
Vandaar misschien dat ikzelf nogal moeite heb met de zogenaamd “erotische” passages. In die zin dan dat ik ze weinig “opwindend” vind. Maar enfin, in de film brengt Greta Scacchi het er toch beter van af dan wat mij tijdens het lezen van het boek overviel. Daarbij schoot de figuur van Groult zelf mij teveel door mijn hoofd en zoals Odile Verhaar in “Markant” haar omschreef, roept ze inderdaad onwillekeurig associaties met Nancy Reagan op en geef nou toe, een kwalijker remedie tegen de liefde bestaat er niet. Diezelfde auteur wijst er trouwens ook op dat het succes van het boek (dat gewoon op de omkering van het lustobject steunt) verdacht samenvalt met de belangstelling van minder leeslustige (en dus nog méér vleeslustige) vrouwen voor The Chippendales en c°.
ALINA REYES
De debuutroman van de Franse Alina Reyes, “De slager”, werd door recensenten heel terecht met “eindelijk eens een boek over gelukkige seks” werd verwelkomd. Eén van de knapste scènes uit het boek is die waarin de vrouwelijke hoofdpersoon op een bepaald moment heel spontaan haar “slager” aan de poten van een tafel en een kast vastbindt, om zich daarna vlak boven zijn gezicht uitdagend te masturberen.
In 1998 volgde “Poupée anale nationale”, een titel die geen toelichting behoeft en daarvóór nog (in 1994) “Derrière la porte” dat in het Nederlands als “Het erotisch labyrint” werd vertaald en dat er op het eerste zicht als een structureel meesterwerkje uitziet. Zo kun je het werk eerst en vooral lezen als “een ontdekkingstocht voor haar” en (letterlijk) omgekeerd (je moet het boek omkeren m.a.w.) als “een ontdekkingstocht voor hem”. Na het openingsverhaal krijg je dan verschillende mogelijkheden hoe het verhaal zich verder ontwikkelt. Zoals ik al zei: dit lijkt wel een structureel meesterwerk. Tot ik doorhad dat uiteindelijk toch alle mogelijkheden aan bod komen. Je stelt dus m.a.w. niét je eigen boek samen, zoals Reyes het wil doen lijken, uiteindelijk is het niet anders dan wat oppervlakkig puzzelwerk.
Alina Reyes wordt ook genoemd als mogelijke auteur (naast Philippe Sollers) van “Zei Lila”, een boek dat werd gepubliceerd in 1996 door Chimo, zogezegd een Noord-Afrikaans auteur, maar het is zo goed dat men dus vermoedt dat het eigenlijk Reyes of Sollers betreft. Een beetje racistisch, nee? Men zou dit trouwens ook van het boek zelf kunnen beweren (wegens het weinig vleiende portret dat er van de Algerijnse “hangjongeren” wordt geschetst) en misschien is het wel juist dààrom dat de auteur zich bewust als Algerijn vermomt, want dan mag dat wél natuurlijk…
Alhoewel, misschien mag het ook wel omdat in datzelfde jaar de Afrikaanse Calixthe Beyala de Grand Prix de l’Académie Française kreeg voor “Les honneurs perdus”, een boek dat achteraf vooral bleek “bijeengestolen” te zijn uit het werk van o.a. Paule Constant, Ben Okri, Romain Gary en Alice Walker. De auteur verdedigde zich niet eens. Tenzij men de opmerking dat zij het recht had om blanken te plagiëren, aangezien die haar geboorteland destijds hadden gekoloniseerd en geplunderd, een verdediging wil noemen. (Sinds wanneer is Alice Walker trouwens blank?) Paule Constant van haar kant nam weerwraak door Calixthe Beyala als hoofdfiguur Gloria Patter te laten herleven in haar roman “Confidence pour confidence” waarin ze met het “politiek correcte” feminisme afrekent. De jury van de Goncourt vond dit natuurlijk spek voor hun bek en kende de prijs in 1998 prompt aan Constant toe.
VITALISME
Henry Miller is volgens Groult nog meer dan Lawrence “a male chauvinist pig”. Ook hierbij kan ik me grotendeels aansluiten. Geen enkel werk van de man van wie Anaïs Nin nochtans zoveel heeft gehouden, kan me immers bekoren. Dat kan echter ook te maken hebben met het feit dat ik Miller (net als Jan Cremer b.v.) pas op latere leeftijd heb gelezen en dat die vitalistische stijl dan voor mij ook niet meer zo per se hoefde. In mijn “Sturm und Drang”-periode daarentegen was ik gewoon wég van Jan Wolkers’ “Turks Fruit” en Jef Geeraerts’ “Black Venus”, twee werken waarover Groult wellicht ook wel iets zou te zeggen hebben, mocht ze deze kennen (vooral het tweede dan).
Dat vond b.v. ook Rina Spooren die uit reactie “Heet koudvuur: Black Priapos” schreef. Volgens de reklametekst is het “een onbeschrijfelijk boek. Open, brutaal-eerlijk, heidens, epicurisch en volkomen schaamteloos. Een vrouw in Kongo die het aandurfde het klimaat, de passies, het ongetemde van het land in zich op te nemen. En die het nu bruisend uit zich laat gulpen. Mannen mogen boeken schrijven over de zwarte vrouw, een lustobject, en krijgen daar literaire prijzen voor. Rina Spooren heeft echter de uitgeverijen plat gelopen om haar werk gepubliceerd te zien. De zwarte man, lustobject van de blanke vrouw. Er zouden moeilijkheden van komen, de publieke opinie was niet rijp voor zulk boek. Literaire pornografie is immers een mannenaangelegenheid, vrouwen zouden het eigenlijk niet eens mogen lezen. Het is tenslotte een marginale uitgeverij (Univers Boekhandel, Hundelgemsesteenweg 310, 9220 Merelbeke) die het aandurft dit overweldigende boek uit te geven, rauw, teugelloos, er zijn geen woorden voor. Niets of niemand wordt gespaard. De missionaris, de wereldvreemde non, de geëvolueerde neger, de koloniaal. Niets wordt verborgen. De zwarte hoertjes, geheime riten, wilde zinnelijke uitspattingen, gruwelijke wreedheden. Een boek om zelf te lezen. Om het vol afschuw weg te gooien. Of om er door gefascineerd te worden. Rina Spooren treft de heren der schepping op hun zwakste plaatsen. In hun trots. En in hun broek.”
En in zekere zin heeft natuurlijk ook Mireille Cottenjé op haar manier gereageerd tegen de geschriften van Jef Geeraerts, vooral dan het met haar beleefde “Indian summer”, al blijkt anderzijds vooral uit “Dagboek van Carla” dat ook Cottenjé tot het vitalisme mag worden gerekend.
DE “CULTURELE EIGENHEID” VAN DE NEDERLANDSE FEMINISTEN
En nu ligt hier de “Spaanse furie” van Aafje Melgers voor mij, een boek over “nachtclubeigenaren, prostituées, aantrekkelijke kleine jongetjes, exhibitionisten, fluwelen minnaars, vrachtwagenchauffeurs, porno-boeren en veel lastige mannen”, waaronder vooral nogal “doortastende familieleden”, als ik de flap mag geloven. Daar staat ook op dat “ook liefhebbers van oud glaswerk en mooie vakanties… aan hun trekken komen”.
Nu is dat allemaal wel waar, van die nachtclubeigenaren en tutti quanti bedoelen we, maar erotiek? Ho maar! Integendeel, als je bijvoorbeeld je al eens opgeilt door te fantaseren hoe het er op een partijtje groepsseks zou aan toegaan, dan moet je “Tussen boek en paard” eens lezen (de titel slaat op een turnzaal, jawel), want – ach ja – dat was ik nog vergeten te vertellen, het betreft hier geen roman, maar een reeks kortverhalen. Dat is dan wel één aspect van de manier waarop vrouwen erotiek plegen te benaderen (namelijk afstand nemen van het onpersoonlijke), maar het nadeel van Melgers is dat ze steeds doelbewust dat effect nastreeft, ook op momenten dat het eigenlijk niet in haar kader past. Ik denk hier bijvoorbeeld aan “Wég met bàfff!”, waarin ze zich ontpopt als een “opleidster van minnaars” die ze dan “af en toe als ze daar aanleiding toe gaven, beloonde (…) met een complimentje”, of aan “De laatste punt”, een verhaal over geslachtsziekten. Want jawel hoor, dit is Nederland, net zo goed met z’n “eigen cultuur”, als de Spaanse die ze zo te kakken zet in het titelverhaal. Uit dit verhaal zou men (ten onrechte) ook kunnen afleiden dat zij “de Spaanse furie” is, iets waarop die flaptekst ook gretig inspeelt. En dàt schept verkeerde verwachtingen. Niet, zoals gezegd, dat de nachtclubeigenaren en tutti quanti er eigenlijk niet in voorkomen, maar dat het een “leuk” boek zou zijn. Deze bundel is integendeel erg cynisch, erg ontnuchterend en daar is natuurlijk niks op tegen, maar het procédé met die flaptekst is wel bedenkelijk.
Is Aafje Melgers dan iemand om in dat andere hoekje te zetten? Bij Laura Lederer en haar “Heksennacht” bijvoorbeeld? Neen.
En dat komt omdat zij zichzelf (er is weinig of geen afstand tussen het ik-personage in de verhalen en de schrijfster zelf) meestal te kijk zet als een soort vrouwelijke Charlie Brown. Zoals in “Witte Kerst” bijvoorbeeld, waarin zij op een bepaald moment aanvoelt dat haar vriend (“één uit de rij”) een ander meisje heeft: “Op zekere dag zei ik: ‘Ik ga weg’, hopend dat hij verontwaardigd zou roepen: ‘Kom nou, daar komt niets van in, dat wil ik niet!’ Maar hij zei: ‘Ja, dat zou ik maar doen als ik jou was’. En ik ging”. En dààrom hou ik uiteindelijk toch nog van Aafje Melgers en als het niet voor die “laatste punt”, was, dan mocht ze altijd eens langskomen…
Nu komt Melgers natuurlijk niet uit de lucht vallen. Zo is er in Nederland ook de ooit bloedmooie MS-patiënte Karin Spaink, die met “Het strafbare lichaam” (1992) en “Vallende vrouw” (1993) a.h.w. erotische boeken over/voor gehandicapten schreef. Met fotografe Gon Buurman zet ze zich trouwens in voor seks voor gehandicapten (“Aan hartstocht geen gebrek”, 1991).
En alles is zowat begonnen in 1976 met “De schaamte voorbij” van Anja Meulenbelt. Over het algemeen wordt dit werk beschouwd als het eerste dat onverbloemd spreekt over vrouwelijke seksualiteit (toch althans in de Nederlandse literatuurgeschiedenis). Dat heeft wellicht te maken met het feit dat hier geen exotiek bij te pas komt, maar dat het integendeel een zeer herkenbaar beeld geeft van een woelige periode van experimenteren met seksualiteit (het autobiografische verhaal is zo al moeilijk te volgen en dan schrijft Meulenbelt nog dat ze voor het gemak een aantal minnaars heeft weggelaten), met communeleven (ook politiek), met het marxisme-leninisme, de culturele avant-garde en, vooral, het feminisme. Dat laatste maakt dat het anderzijds geen “erotisch” boek is geworden. Mannen voelen er zich ongemakkelijk bij, maar ook Annie Romein vroeg zich in “Opzij” af hoe het in godsnaam mogelijk was dat zoiets kon worden gepubliceerd en dan nog wel als “roman”.
Tot slot weze nog opgemerkt dat het natuurlijk niet enkel vrouwen zijn die in aanmerking komen voor het schrijven van “alternatieve pornografie” (soms “erografie” genoemd). In “Eros gesluierd” staat bv. het mooie verhaal van “Flossie, een Venus van vijftien”, wellicht geschreven door de “prefaëlitische” dichter Charles Swinburne. Ik vraag met trouwens af of feministen hier überhaupt graten kunnen in vinden, want het verhaal leert vooral hoe je vrouwen het best en het gevarieerdst kan doen klaarkomen.

Ronny De Schepper

(*) “De naakte fee” in 1993 en “Kama Sutra voor de tweede en derde leeftijd” in 1996. En onder het pseudoniem Paul Ticher “De dans van de dromer” in 1983 en “Droomverhalen”, enkele jaren eerder.

(**) Pamela Lyndon Travers was zelf biseksueel.

(Zeer) selectieve bibliografie
“Het grote land Coitha”, erotische verhalen uit Zweden, vertaald door J.Bernlef (1969)
Katia Broodcoorens, Vrouwvriendelijke pornobladen, Licentiaatsthesis Universiteit Gent, 1998
Sofie Buekenhoudt, “Vrouwen willen wel blote mannen zien”, Het Nieuwsblad 9/10/2015
Ronny De Schepper, Erotiek en pornografie, De Rode Vaan nr.29 van 1983
Ronny De Schepper, De “culturele eigenheid” van de Nederlandse feministen, De Rode Vaan nr.45 van 1985
Marij Wijers en Kim Clemens, Nieuw erotisch magazine voor vrouwen maar… geen naakte man te zien, Het Nieuwsblad 8/10/2015

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.