Hoewel ik het interieur meermaals gezien had, telkens licht gevarieerd afhankelijk van de smaak en het inzicht van regisseur en decorbouwer, bleek het toch nog schokkend toen ik die ochtend de flat binnenstapte. Grauw, armtierig, op het randje van vervuiling. Geen plek om te leven. Geen plaats om gelukkig te zijn. Ik werd verwacht.

Mijn entree was ietwat bijzonder vermits ik geen gebruik maakte van de voordeur maar het pand betrad via de vierde wand, het niets in feite: de open ruimte naar de toeschouwer gericht. Ik kwam vanuit de toneelzaal en stapte zo de scène, of het appartementje binnen. Waar zij me opwachtte, zittend op de sofa. Zij glimlachte. Wat mij dadelijk opviel was hoe sterk zij geleek op wie haar gecreëerd had, deze die haar als persoon op de wereld geplaatst had. Zij nodigde mij uit te gaan zitten. Aan tafel. Vroeg of ik thee wilde. En verdween naar de keuken, de deur rechtsachter wist ik leidde daarheen – deze tegenover me was de buitendeur, enfin naar de traphal. Rechts vooraan was de toegang tot de slaapkamer met, tot haar ergernis, slechts één bed voor haar en haar moeder. De kopjes die zij op tafel zette maakten alvast geen deel uit van een servies, het mijne droeg bloemen, op het hare prijkte een dolfijn. 
OPA: Eerst en vooral bedankt dat u dit interview toestaat.

JO: Oh, wel het is leuk. Er gebeurt verder niet veel meer in mijn leven. Routine, telkens opnieuw hetzelfde. In feite interesseert niemand zich verder om mij, ze doen maar met wat voorhanden is, dezelfde zinnen, dezelfde emoties, voorspelbaar, vervelend dus. Voor mij dan.

OPA: Het is routineus vermoed ik, er zo telkens tegenaan te kijken. Eh trouwens, mag ik u Jo noemen?

JO: Natuurlijk hoe zou u mij anders noemen, een familienaam heeft Shelagh me niet gegeven. 

OPA: Een vader in feite evenmin als ik het goed begrijp?

JO: Hij moet er wel geweest zijn, zo’n fenomeen was Helen nu ook niet! Maar wie hij was? Zij heeft er verschillende verhaaltjes over verteld, het ene al zotter dan het andere. De waarheid is waarschijnlijk dat zij het zelf niet weet, dat ik van één van haar klanten de afstammeling ben. Een arbeider, of zo’n ambtenaartje dat thuis niet aan zijn trekken kwam, een handelsreiziger, of wie weet een politicus of een directeur want zij vist in feite nogal naar rijke vriendjes. Een matroos was het allicht niet, die lopen er in Manchester niet zoveel meer rond. Hoewel…

OPA: Ja, jouw Navyboy, Jimmie.

JO: Mijn zwarte prins Ossini!

OPA: Wel vreemd dat schrijfster Delaney hem in de rolverdeling niet met zijn naam vermeldde maar hem aanduidde als ‘a boy’?

JO: Ik denk dat hij vooral een symboolfunctie had, dat hij stond voor iedereen van een ander ras, iedereen die wegens een andere huidskleur aan de zelfkant moest leven of verdrukt werd. Hij kreeg ook weinig karaktertrekken mee, hij groeit niet uit tot een echt individu.

OPA: Zijn optreden is ook vrij kort natuurlijk. En wat dat betreft, staan niet alle personen in het stuk een beetje symbool. Peter de burgerman, conventie. Jij de jeugd zonder toekomst, uitzichtloos. Geoffrey die ondanks alles uit het moeras omhoog krabbelt.

JO: Misschien wel ja. Al kreeg ik toch voldoende kleine individuele trekjes mee om er een boeiend psychologisch portret van te maken. Ik zou mezelf anders vlug vervelen. Er schuilen heel wat tegenstrijdigheden in mij. Gelukkig.

OPA: Het valt me nu ook op, enfin dat deed het steeds al, dat jij je moeder aanspreekt als Helen.

JO: Hoe zou ik haar moeten noemen, mum, mother… zo heeft zij zich nooit gedragen. Zij keek nooit om naar mij. Een egoïstische bitch. Mannen en geld, en drank. Een hoer.

OPA: Nu, ‘a semi-whore’ zo omschrijft Delaney, jouw echte, spirituele moeder, tenslotte de schrijfster van het stuk, haar, een halfhoer.

JO: Zo hypocriet was zij wel ja. Zij liet zich niet rechtstreeks betalen, wel via cadeautjes. Of een tijdje op de zak van zo’n rijke patser leven en hem uitzuigen. En dan telkens verhuizen, dat was het fraaiste. Waar we niet overal gewoond hebben, waar ze mij niet overal heen gesleept heeft. Ik heb nooit de kans gekregen ergens vrienden te maken, en iedere keer waren er andere scholen. Nauwelijks leerde ik iemand kennen of we zaten al in een andere wijk. Daar had madame een nieuwe minnaar gevonden, of beter nog zij was op de vlucht voor de vorige zoals hier.

OPA: Peter bedoel je.

JO: Ja die vuige, racistische patser, dat egotrippend alfamannetje. Door wie zij zich dan toch weer liet inpalmen en bij wie zij dan opnieuw introk terwijl zij mij hier achterliet in deze dump.

OPA: Tja ondertussen is het nog altijd niet echt gezellig. Al is het minder erg dan toen je arriveerde, die eerste blik die jij op de ruimte wierp – gelijktijdig met het publiek want het was de eerste scène – dat was ontluisterend.

JO: Wat wil je! Zo’n kaal iets. Benauwend. En die wijk. Vanuit het raam had ik uitzicht op de gasfabriek, het kerkhof en het slachthuis… die geuren jong! Hoe noemde Peter het hier ook weer toen hij ons gevonden had, ‘a ghastly district’, een afschuwelijke wijk. Ik kan hem geen ongelijk geven. En de flat zelf. Dat bloemetjesbehang, deels losgeweekt door het vocht.

OPA: Je moeder zei dat het condens was.

JO: Ja, een goede uitleg heeft zij wel. Het behang zou zij vervangen, én er was een badkamer, al moesten we die delen met de andere huurders. Oh ja, het bed, nog zoiets, dat moest ook gedeeld, één slaapkamer, één bed voor ons beide. Tenzij ik steeds op die krakkemikkige sofa wou liggen. Verwarmen en koken, dan mocht ik hopen dat Helen een shilling had om in de meter voor het gas te stoppen! Dat was niet haar grootste bekommernis, drank ja, whisky. Dat was ook het eerste dat ik in onze bagage mocht zoeken, een glas en een fles. Uitpakken zouden we later wel doen!

OPA: Terwijl jij naar gezelligheid hunkerde. Het was, binnen alle confronterende rauwheid van die eerste scène wel ontroerend hoe jij een hekel had aan het armzalige peertje dat als verlichting dienst deed zodat je trachtte een beetje sfeer te creëren door er een sjaal overheen te draperen.

De waterketel fluit en Jo schiet overeind richting keuken. Ik hoor haar rommelen voor de thee. Onderwijl denk ik dat ik moet vragen hoe zij stond tegenover het feit dat Jimmie, de vader van de op til zijnde baby, zwart is, hoe die rassenkwestie speelde in het geheel.
JO: Sorry melk heb ik niet, wel nog citroen uit zo’n flesje. 

OPA: Geen probleem. Wat ik wou vragen, het is misschien wat indiscreet, vind je het erg dat je baby vermoedelijk gekleurd zal zijn?

JO: Voor hemzelf misschien wel ja. Ik heb daar zelf nooit een probleem van gemaakt. Het was een issue dat nooit speelde, blank, zwart, geel, bruin, nooit bij stilgestaan. Het is maar door hufters als Peter dat mijn ogen open gingen. Over rassen en zo. En homo’s. Discriminatie weet je. Dan besefte ik hoe essentieel dat was in de maatschappij. En dat het daarover ging tenslotte. Over al die mensen die buiten de maatschappij gesloten werden. Een andere kleur, ander seksueel gedrag. En ook de arbeiders die door een omhoog gevallen patser als Peter met zijn villa, een dommerik, minachtend bekeken worden. Dit toneelstuk ‘A taste of honey’, nee ik mag dan de hoofdfiguur zijn, het draait niet echt rond mij. Shelagh Delaney heeft het over al die mensen, over onrecht. Zij stelt dat alles aan de kaak.

OPA: Jimmie, zwart, en Geoffrey, homo, worden dan ook heel sympathiek ten tonele gevoerd.

JO: Jimmie was een schat van een boy. Al pleit het niet voor hem dat hij niks meer van zich laat horen. Al weet je maar nooit, tenslotte zit hij bij de Navy en komt hij misschien binnenkort binnengewaaid, als de baby er is.

OPA: Zijn baby.

JO: Onze baby. Zwart misschien, of lichtbruin, of met strepen (lacht). Maakt mij niet uit. En Geoffrey, zoals die moedertje voor mij speelde al die voorbije maanden. Enfin dat was in de onderscheidene scènes te volgen. Poetsen, koken, inkopen doen. Deze thee heeft hij trouwens nog gekocht, die zat bij de boodschappen die ik onder de tafel vond. Toen werd het voor mij duidelijk dat hij nog hier geweest was. En begreep ik dat Helen hem de deur gewezen had, op straat gezet. Iets wat het publiek had zien gebeuren maar de schrijfster had mij toen verbannen naar de slaapkamer. En de sul had het laten gebeuren, allicht in de overtuiging dat mijn moederlief na een tweede breuk met haar Peter nu voor mij kwam zorgen. Mooi niet dus, even later was zij ook opnieuw verdwenen.

OPA: En nu zit jij alleen. Red je het?

JO: Het is einde verhaal. Delaney liet het doek vallen, dus… ik zie wel.

OPA: Het toneelstuk heeft wel een impact gehad, en succes gekend.

JO: Onvoorstelbaar toch! Sheila, want zo heet zij werkelijk, zij veranderde de schrijfwijze naar het meer Ierse Shelagh, was nauwelijks negentien toen zij ‘A taste of honey’ schreef, geboren op 25 november 1938 in Broughton.

OPA: Nabij Manchester waar zij het stuk laat spelen. Inmiddels is zij overleden, op 20 november 2011, in Suffolk, maar dat weet je wellicht.

JO: Bij haar dochter Charlotte, helaas ja, we hadden een goede band. Ik herinner mij de première op 27 mei 1958 door Joan Littlewood’s Theatre Workshop. Daarna beleefde ik maar liefst 368 voorstellingen op West End. En dan de triomf op Broadway. Daar kroop Joan Plowright in mijn huid, misschien zag je haar ooit in ‘Equus’ van Peter Shaffer. Maar vooral Angela Lansbury was daar sterk als Helen.

OPA: Die maakt furore in de detectiveserie ‘Murder, she wrote’, populair. Heb jij enig idee welk publiek dit stuk bereikte?

JO: Oh, ik denk zowat alle lagen van de bevolking. Vooral omdat het ook dikwijls door liefhebbers gespeeld werd. En daar ontmoet je toch zowat alle klassen. Ook die met de pet. Okay misschien niet direct deze die je hier in de straat tegen het lijf loopt, die deze wijk bevolken. Of bevolkten in jaren zeventig dat het stuk speelt. Geen gemakkelijke tijd toch… (Er valt even een stilte) 

JO: Mensen moesten overleven. Werkloosheid. Honger. Samenhokken in vuile ongezonde flatjes. Geen hygiëne. De kinderen gingen nauwelijks naar school, werden verwaarloosd – nu ja niet echt, maar de omstandigheden stonden een opvoeding in de weg. Alcoholisme. Waar moest je anders met je hoop en dromen heen, met je wanhoop. De thuissituatie van de werkende klasse met een tal van controversiële thema’s, sociaal, politiek, seksueel, homo’s, abortus, klassenverschil, rassen…, dat kwam allemaal aan bod in het toneel waartoe dit stuk ook behoorde. Werk van de angry young man. Hoe noemen ze het ook weer, kitchen sink realism.

OPA: Drama van het keukenaanrecht, John Osborne, Arnold Wesker, John Arden. Op televisie kreeg je dan series als ‘Coronation Street’ en ‘EastEnders’ die het leven in dergelijke buurt gedramatiseerd tonen, ze lopen nog steeds op BBC en ITV.

JO: Essentieel, cruciaal is wat Geoffrey zegt in antwoord op Helens woorden over de buurt dat deze “rotten” is, en de flat zelf “dump”, een stort. Hij repliceert: “There’s one thing about this district, the people in it aren’t rotten”, en dat klopt. Onder dat vuile groezelige uiterlijk gaat tenminste bij de meesten een eerlijkheid, een oprechtheid schuil. Die ik nooit aantrof bij die patsers van rijkelui of snobs met wie mijn warmbloedige, zeg maar hete Helen steeds rondzeulde. In een roes van whisky. Zij had geluk dat zij er zelfs op haar leeftijd nog zo goed uitzag, zelfs mooi, ik geef het toe. Zij kon de mannen om haar vinger winden, toch voor een poosje telkens. Ook zo’n hufter als Peter.

OPA: Die man zit je wel heel hoog éh!

JO: En of, hij vertegenwoordigt zowat alles waaraan we een afkeer hebben, Shelagh en ik. Ja kan je wel stellen, hij zit me hoger dan die baby hier, die is aan het dalen. Ik zou dat boek dat Geoffrey kocht ‘Looking after baby’ toch eens moeten lezen. Och een echt moedertje was hij aan het worden, die Geof, poetsen, koken, goh ik heb nog enkele plakjes fruitcake die hij gebakken heeft, ogenblikje…
Jo verdwijnt naar de keuken, komt even later terug met een bordje met twee sneetjes vruchtencake. 

JO: Arme Geof, wie weet waar hij nu slaapt. De schuld van Helen, en van Peter. Alles wat buiten de norm was… kleurtjes, dat sprak vanzelf, nikkers, spleetogen, indies. Maar ook homo’s, zoals hij Geoffrey beledigde, zijn minachting voor de student kunstgeschiedenis met het te lange haar, die hij aansprak als Cuddles en ‘little fruitcake parcel’ en Jezebel. Ik haatte hem. De afkeer was trouwens wederzijds, hij wou mij niet in zijn prachtige villa, ik kon hier blijven wonen, nog geen negentien jaar, zwanger, in dit hol waar naar hij zelf zei de kakkerlakken oorlog voerden.

OPA: Toch alles wel welbeschouwd was jou wel een prachtige rol toebedeeld in dit stuk. Die beroemdheid, is dat niet fijn.

JO: Niet overdrijven, ik ben geen Julia. Of geen Rose DeWitt Bukater éh. (zij staart een tijdje voor zich uit, staat op en wandelt naar het venster – kijkt naar buiten). Zie, voor hen deden we het, Shelagh, en ik en de ganse cast, telkens weer. Ze komen van hun werk in de textielfabriek. Het is 1973 en wanneer ze de baas ontmoeten nemen ze gedwee de pet van het hoofd en knikken en mompelen “sir”. Om dan in de pub bij een pint lager het stof van hun ziel te spoelen. Dan naar vrouw en koters in het donkere vochtige hol voor een schamel bord puree met een worst en het bed in tot de volgende troosteloze dag. Men denkt dat ze dom zijn, en naïef, maar ze zijn intelligent, gevoelig, en uiteindelijk cynisch. Alleen ontbreekt de tijd om zich slim en sentimenteel of romantisch te uiten. En kijk, die daar, zou dat geen homo zijn? Grapje! Nee net als bij Geoffrey is het niet echt merkbaar in zijn gedrag, zijn kleding, zijn houding. Ook dat moest aan bod komen, weg van dat stereotiepe, de karikatuur. 

OPA: Had het impact denk je?

JO: (draait weg van het raam, haalt haar schouders op) Een toneelstuk verandert de wereld niet. En ook die verfilming in 1961 door Tony Richardson, tja dan bereik je heel wat publiek maar ook dan…

OPA: Rita Tushingham?

JO: Een schitterende ‘ik’, kon me geen betere wensen. Weet je wat ons veel genoegen deed, Shelagh en mij, dat die rockgroep The Smiths die trouwens uit Manchester is, in het nummer ‘This night has opened my eyes’ het verhaal vertelt van dit stuk en er zelfs enkele zinnen uit verwerkt heeft.

OPA: Hun zanger, en tekstschrijver, enfin spil van de groep, Morrissey, vertelt dat het voor 50% aan Shelagh Delaney te danken is dat hij schrijft. Prijkt haar foto niet op hun album ‘Louder than bombs’ en ook op de hoes van de single ‘Girlfriend in a coma’. Wat een hommage toch. We spraken trouwens nog niet over de muziek in de voorstelling.

JO: Ah dat was nochtans tamelijk origineel, toch voor dit soort theater. Om op het podium enkele musici te plaatsen die af en toe live het stuk begeleidden, jazz… Ja dat zorgde wel voor een aparte sfeer, bevreemdend soms. Het maakte veel scènes wel indringender denk ik. 

OPA: Hoe groot de impact van Delaney’s werk was in dat tijdsgebeuren blijkt  ook uit het feit dat de Britse historica Selina Todd een boek over haar schreef, ‘Tastes of Honey: the making of Shelagh Delaney and a cultural revolution’ dat het belang van haar werk in een politieke en cultureel-sociale context plaatst.

JO: Zo blijft zij toch een beetje herinnerd. 

OPA: Ook door jou natuurlijk. Hoe moet het nu verder met jou? Komt Geoffrey nog terug? Of Helen? En wat met de baby?

JO: End of story. Zo gaat dat bij het theater. Het doek valt, het applaus sterft weg, de spots zijn gedoofd. En wij, de acteurs: de buiging is gemaakt, de schmink van onze smoeltjes weggepoetst. En daar (duidt met hoofdknik het raam, de straat aan) gaat het leven verder.

OPA: Bedankt voor het gesprek.        

Johan de Belie            

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.