Vandaag is het ook al vijf jaar geleden dat de Amerikaanse auteur Edgar Lawrence Doctorow is overleden. Zo’n belangrijke auteur en nergens iets van gelezen! Nou ja, als hij Justin Bieber was geweest of deel had uitgemaakt van K3 dan hadden we het wel geweten natuurlijk!

Als Milan Kundera over “de ondraaglijke lichtheid van het bestaan” schreef, dan heeft Doctorow het juist over “de overlopende volheid van het bestaan” (Duikermeer, p.5). Toch worden beiden tot het postmodernisme gerekend. Volgens mij wijst dit er alleen maar op dat men met dat begrip alle kanten uitkan en dat er eigenlijk geen eensgezindheid bestaat over hoe men dit nu precies moet definiëren.
Sedert de jaren zestig wordt naar men zegt de Amerikaanse roman inderdaad grotendeels beheerst door het zogenaamde postmodernisme. “De oorlog in Vietnam, de steeds weerkerende rassenrellen en de opstandigheid tegen het repressieve naoorlogse conformisme hadden een klimaat van vernieuwing en bevraging geschapen waarin voor de ongecompliceerde, ‘naieve’ weergave van de werkelijkheid (het ideaal van de ‘mimesis’) geen plaats meer scheen te zijn,” zegt prof.Kris Versluys. “De structuralistische en later de deconstructionistische aanvallen op het menselijke subject deden verder afbreuk aan de traditionele vertelvormen. De chaotische wereld werd gereflecteerd in de (des-)organisatie van het narratieve materiaal zelf.”
Alhoewel achteraf schrijvers als Nabokov en Vonnegut (en in het Nederlandse taalgebied Ivo Michiels en Sybren Polet of de Franse zestigers van “Tel quel” met Philippe Sollers aan het hoofd) als “postmodern” werden omschreven, kwam het verschijnsel toch pas midden in de jaren tachtig in de mode na het verschijnen van “What is postmodernism?” van architectuurtheoreticus Charles Jencks in 1986 en “Wij amuseren ons kapot” van Neil Postman in 1987. Het eclectisme van de postmoderne architect, die de functionele stijl van Bauhaus en Le Corbusier afwijst en liever pluralistische, ludieke elementen toevoegt, ontmoette immers het oppervlakkige eclectisme van de zapper.
Wie door Kris Versluys o.a. tot het postmodernisme wordt gerekend is de Amerikaanse auteur Edgar Lawrence Doctorow. Zelf kan ik daar niet goed bij, want een typisch kenmerk voor het postmodernisme is toch het gefragmenteerde wereldbeeld, de disparate realiteit, terwijl met name in “Ragtime” van Doctorow alles juist sterk gelieerd is: zowel historische personages als Henry Ford, Emma Goldman, Harry Houdini, J.P.Morgan, Sigmund Freud of Emilio Zapata als romanpersonages met een reëel fundament (“Tateh” b.v. is duidelijk gebaseerd op Hal Roach met zijn “Our Gang”-films) als totaal gefingeerde personages (de zwarte ragtime-speler Coalhouse Walker die om zijn waardigheid te behouden de dramatische ontwikkelingen op gang brengt voor de “familie” van de auteur). Maar goed, waarom Umberto Eco en Milan Kundera postmodernistisch zouden zijn, is me evenzeer een raadsel. Hoe ingewikkeld het allemaal is, wordt nog bewezen door het feit dat Tom Wolfe wordt beschouwd als iemand die op het postmodernisme reageert door te willen terugkeren naar de “social novel” in de traditie van Balzac, Zola, Dickens en Thackeray, al zou ikzelf “Bonfire of the Vanities” juist als een postmoderne roman bestempelen…
E.L.Doctorow van zijn kant is geboren in 1931 in New York City. Na zijn legerdienst in Duitsland, nam hij een betrekking aan als “lezer”, eerst voor een filmmaatschappij, nadien voor een uitgeverij, waarvan hij later hoofd werd (Dial Press). In deze tijd schreef hij “Welcome to Hard Times” en “Big as Life”. Om meer tijd te hebben om te schrijven, verliet hij de uitgeverij om part-time te gaan les geven in Californië. Daar schreef hij in 1971 “The book of Daniel” en vier jaar later “Ragtime”. Ook in “Loon Lake” (Duikermeer, 1980), “World’s Fair” (1985) en “Billy Bathgate” (1989) vervlecht hij realiteit en fictie. Deze laatste, een gangsterroman, werd enkele jaren later verfilmd. Dan werd het een tijdje stil rond Doctorow, maar in 2005 maakte hij een grandioze comeback met de verhalenbundel “Sweet Land Stories”. (Tussendoor gooide hij het in 2002 met “The City of God” over de metafysische boeg.)
Nadat ik (zoals iedereen wellicht) eerst had kennisgemaakt met “Ragtime”, las ik tijdens een verblijf op Tenerife “World’s Fair”. Wellicht omdat ik het aan de rand van het hotelzwembad (Hotel Gala! een beetje reclame maken voor het hotel waar mijn jongste zoon werkt is nooit weg) heb gelezen, heb ik wellicht verzuimd aantekeningen te maken. Daarom deze korte samenvatting van http://www.boekbeschrijvingen.nl: De wereldtentoonstelling is gesitueerd in het New York van de jaren dertig en bevat onmiskenbaar vele autobiografische elementen. Hoofdpersoon van het boek is Edgar Altschuler die negen jaar is als in 1939 de grote Wereldtentoonstelling wordt gehouden. Door de ogen van de jongen roept Doctorow de sfeer op van de crisisjaren, de depressie, met zijn armoede en zijn vele anonieme emigranten die daar het zwaarst door getroffen worden, en de dreiging van de komende oorlog. Een tijdperk dat ook tot leven komt in de schitterende beschrijvingen van de muziek, radio’s en strips uit die jaren, de legendarische football wedstrijden en de aankomst van de Hindenburg boven New York. En als onvergetelijk hoogtepunt een bezoek aan de Wereldtentoonstelling, met zijn belofte voor de toekomst.”
En nu ik toch bezig ben, daarna begon ik aan “Duikermeer” en daarover weet dezelfde site het volgende te vertellen:Duikermeer speelt zich af in het Amerika van de jaren dertig, tijdens de periode van de grote economische depressie. De achttienjarige Joe van Paterson komt via allerlei omzwervingen terecht in Duikermeer, woonplaats van automagnaat F.W. Bennett. Hier maakt Joe kennis met Bennetts vrouw, de verzopen dichter Warren Penfield en de mooie Clara Lukacs. Als Joe zonder het te beseffen verwikkeld raakt in de strijd tussen een lokale vakbond en een gangsterbende, neemt zijn leven een geheel andere wending. Hij besluit gebruik te maken van de enige toegangsweg tot de wereld van macht, invloed en rijkdom die hij heeft: Duikermeer.”
Aangezien ik zoveel mogelijk chronologisch te werk ga, kwam daarna “The book of Daniel” aan de beurt. Dit gaat over de Rosenbergs, zij het dat Doctorow gemakshalve een andere naam gebruikt (Isaacson). Voor wie niet genoeg heeft aan deze informatie verwijs ik naar Wikipedia, maar ook naar mijn eigen stukken over Claus Fuchs en Joe McCarthy.
De Rosenbergs hadden twee zonen, Michael en Robert, maar Doctorow maakt daar een zoon (Daniel) en een dochter (Susan) van. Zij werden na de executie van hun ouders niet door familieleden opgevoed (integendeel, het was juist hun oom, de broer van hun moeder, die de voornaamste getuige ten laste was), maar door een progressieve leraar (Abel Meeropol, in het boek Bob Lewin) en kregen ook diens naam.
Gezien de titel mag duidelijk zijn dat het verhaal verteld wordt door de ogen van Daniel. Dat gebeurt zowel in de eerste als in de derde persoon. En dat soms in één en dezelfde paragraaf, een voorbeeld: “‘I don’t want anyone to be afraid of me,’ Daniel said. He seemed offended. He sat down on a tweed armchair, leaned back, and stuck his legs out and crossed them at the ankles. He massaged his forehead. I looked at Linda Mindish and saw the premature middle age at the corners of her mouth and under her eyes. She is five years older than I am.” (p.276)
Als kleine jongen is het duidelijk waarom dit gebeurt: de ik-vorm geeft de gedachtengang van het kind Daniel weer (hij is ongeveer acht jaar), terwijl de hij-vorm wordt gebruikt als er wat meer over gereflecteerd wordt, wat een kind niet zou kunnen en ook niet zou doen. Tegelijk wordt, zoals men uit het voorbeeld kan afleiden, dat procédé echter ook gebruikt als de oudere Daniel aan het woord is. Daar zie ik er echter het nut niet van in en werkt het alleen maar contraproductief wat leesplezier betreft, net als de “stream of consciousness” die Doctorow soms ook gebruikt, zo maar tussendoor, zonder enige relatie met wat voorafgaat of wat volgt.
Toch is de titel tegelijk ook een verwijzing naar het Oudtestamentische boek van Daniël (herinner u de leeuwenkuil en de oven), maar ik ben niet bijbelvast genoeg om elementen daarvan in het boek van Doctorow te herkennen. Waarom Doctorow van de tweede zoon een meisje maakte, weet ik niet, maar als ik op dezelfde bijbelse weg mag voortgaan, dan lijkt de keuze van de naam Susan mij een verwijzing naar “de kuise Suzanna”. Dat dient men niet zozeer letterlijk op te nemen, want het verhaal wordt in flashback verteld en het hier en nu is dus het Californië van de hippies, de drugs en de vrije seks (waar Doctorow op dat moment dus woonde en les gaf). Dat geeft de auteur de kans om vergelijkingen te maken tussen naoorlogs politiek engagement en de politieke standpunt van de hippies, meer bepaald van de zogenaamde diggers. Uiteraard valt dit in het nadeel uit van de warhoofdige hippies en daarbij is Susan veel extremistischer dan haar nogal hedonistische broer Daniel. Vandaar dus mijn interpretatie als “kuise Suzanna”.
Op basis van een scenario van Doctorow realiseerde Sidney Lumet in 1983 de film “Daniel”. Ook de hoofdpersoon van Sylvia Plath’s roman, The Bell Jar, is geobsedeerd door de Rosenbergs. De roman begint dan ook met de zin, “It was a queer, sultry summer, the summer they electrocuted the Rosenbergs, and I didn’t know what I was doing in New York.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.