Het was gisteren dertig jaar geleden dat “Blueberry Hill”, de film van Robbe De Hert, in première ging. Ik was destijds aanwezig op de set en daarvan bracht ik verslag uit in De Rode Vaan…

Zit ik op een avond — zoals elke deftige normale burger — naar het BRT-journaal te kijken, als ik daarin plotseling moet vaststellen dat Robbe De Hert als het ware naast mijn deur zijn nieuwste film « Blueberry hill » aan het draaien is. Daar moet ik bij zijn natuurlijk. ’s Anderendaags fluks de hoorn gegrepen en Independent Films opgebeld, maar dan blijkt dat deze opnamen in het Van Eyck-zwembad meteen ook de laatste waren in Gent. Wel wordt er nog een korte straatscène opgenomen aan de vroegere cinema Rex nabij het Sint-Pietersstation. Nou, ook goed dan en bovendien lopen we minder risico op een nat pak.
Nu kan alleen de hemelse sluiswachter nog spelbreker zijn, maar — zoals mijn moeder altijd zei als het op Ons-Heer-Hemelvaart weer oude wijven regende, na een zonnige één mei — « ons heer is met de socialisten en de vrijdenkers. » De zon is dus van de partij. Van onze partij of van de SAP? Och, dankzij de linkse eenheid doet dit er nu niet meer toe…
In 1959 waren er hier nog geen « snookerpaleizen »…
Als ik in de vroege ochtend aan het Sint-Pietersstation arriveer, wordt er nog net een oude Volkswagen-kever aangesleept. Om hem in de juiste positie te maneuvreren is zo niet paardekracht dan toch mankracht vereist, want het beestje zelf vertikt het nog een kik te geven. Deze proletarische vertegenwoordiger van de jaren vijftig — want in die periode speelt « Blueberry hill » zich af, zoals Fats Domino-fans ongetwijfeld reeds hadden geraden — steekt schril af tegen een fonkelnieuwe Vanguard en een haast even blinkende Opel Kapitan die eveneens voor cinema Rex zijn gekazerneerd. Gentse politieagenten anno 1988 zorgen ervoor dat Toyota’s, Mitsubishi’s en andere producten van onze Computer Age het straatbeeld van 1959 niet komen vertroebelen. Zij zullen straks ook op gezette tijden het verkeer lamleggen als er effectief gedraaid wordt. Ronken automotoren nu anders dan dertig jaar geleden ? Ik kan het mij moeilijk voorstellen. Maar misschien was er in die tijd veel minder gerij en dus uiteraard ook veel minder lawaai op de baan.
Een vijftal grondwerkers die even verder met drilboren de tramsporen uit hun bedding trachten te lichten, beleven met dit mooie weer een van hun betere dagen. Aangezien ze voortdurend moeten stoppen, kunnen ze slechts werken tegen een tempo van Louis Neefs’ « Als ik ooit eens vijf minuten tijd heb ». ’t Zullen wel stadsarbeiders zijn, want we betwijfelen of kapitalistische ondernemers ook zoveel begrip zouden opbrengen voor de lijstduwer van de Linkse Eenheid in Antwerpen.
Luidruchtig geeuwend en zich uitgebreid rekkend komt de filmcrew ondertussen uit café-restaurant-hotel The Royal Oak. Of het iets met het drukken van de rekening te maken heeft, weet ik niet, maar ook dit café krijgt zo dadelijk een « rolletje » in de film. Die naam, « The Royal Oak », dat kan nog net, maar dat er in 1959 nog geen « snookerpaleizen » in België waren, dat weet ook Robbe De Hert. Daarom dienen de ramen die deze attractie adverteren te worden omhooggeschoven. Toch blijft er blijkbaar hier en daar nog een stickertje hangen dat niet uit ’59 kan stammen. Dat wordt er met een Stanleymes afgehaald. Vanachter zijn tapkast zie
ik de waard het schouwspel nadrukkelijk in de gaten houden. Ze hebben immers ook al zijn spiksplinternieuwe terras afgebroken (om er wat van die typische akelige groene ijzeren tafeltjes neer te kletsen) en je hoort hem luidop denken: « Potje breken, potje betalen ».
Ida De Queecker in een gastrolletje als « zwarte madam »
In al zijn ijver vergeet Robbe echter wel een doodgewoon bord te laten wegnemen waarop geschreven staat in het krijt, niet dat Robbe met Ida vrijt, maar « biefstuk-friet 295fr ». Dat zal in 1959 dan toch wel de prijs in de « Comme chez soi » geweest zijn… Het bord staat gelukkig op de grond en zal dus wellicht niet in beeld komen. Toch even uitkijken, net zoals naar de fietsen die tegen de bioscoop staan gestald en waarvan de reflectoren met zwarte stickers zijn overplakt. Als je zoontje dus later in het bioscoopcomplex (want gewone cinema’s zoals deze hier bestaan nu niet meer) vraagt: « Papa, waarom zaten er destijds zwarte lappen tussen de spaken? » dan weet je wat je moet antwoorden.
En wat speelden ze dan zoal in die cinema’s van het einde van de jaren vijftig? Wel, eerst en vooral « Robby the Robot » met Walter Pidgeon (maar er staat Pigeon), een film waarvan ik nog nooit heb gehoord. Volgende week (nou ja, deze toekomende tijd is helaas onherroepelijk verleden tijd geworden) zal echter Brigitte Bardot te zien zijn in « Et Dieu créa la femme ». Straks tijdens het eten (alweer! zal u zeggen, maar – echt waar – filmregisseurs zijn alleen maar te spreken tijdens het eten en dat loopt zeker niet lang uit, geloof me) zal blijken dat ik eigenlijk een beetje te jong ben om dezelfde ervaringen te hebben gehad als Robbe en zijn co-scenarist Walter Van den Broeck, maar dit is toevallig wél een jeugdherinnering! Toen de eerste naaktfoto van B.B. in het uitstalraam van cinema Scala hing in Temse moest ik daar dagelijks voorbij op weg naar de Broedersschool. Dat troebleerde mij zozeer dat ik uit verstrooidheid met mijn fietsje eens pardoes langs achter tegen een autobus ben aangereden, overigens een goed bewaard geheim voor mijn ouders tot op de dag dat deze Rode Vaan zal verschijnen. Stel u trouwens niet te veel voor bij het woord « naaktfoto ». Ik zie hem nog zo voor me: een acteur heft Brigittes kleed op en op die manier kregen we in zijaanzicht een blote bips van haar te zien. Toch bracht dit niet alleen mij maar ook andere scholieren zo in vervoering dat enkele dagen later de foto op last van de schooldirectie diende te worden verwijderd. (*)
IMGMaar terug naar 1988, of toch maar 1959 dus. Robin (tiens, aan wie doet die naam mij nu denken?), de hoofdfiguur uit « Blueberry hill » is hier immers om naar « The wild one » met Marlon Brando te komen kijken. In het voorprogramma draaien ze de rockfilm « High school confidential », maar eigenlijk mag de 17-jarige Robin geen van beide films zien want ze staan gequoteerd als « onder de 18 jaar niet toegelaten. »
« Ha Tybalt! » begroet ik Robin die eigenlijk Michael (« Maikel» spreekt Robbe het uit) Pas heet. Niet om contreir te zijn (zo ben ik niet), maar omdat ik hem zo ken uit Dirk Tanghes « Romeo en Julia » in de KVS. Een schitterende prestatie overigens van Michael. Hij bloost als ik het hem zeg. Ik wist niet dat dit nog bestond: jongeren die in 1988 nog kunnen blozen. Of heeft Michael zich zozeer in zijn rol van 17-jarige anno 1959 ingeleefd?
Hoe dan ook, de dame aan de kassa is onverbiddelijk: hij komt er niet in. Niet zozeer omdat hij er inderdaad te jong uitziet, maar omdat de film reeds een half uur bezig is. Evenals de vroegere « zwarte madam » die hier in dit eigenste loketje zat, blikt ze streng op haar polshorloge (geen quartz). Maar die blik… Heb ik die bij een politieke discussie niet reeds evenzeer in mijn ogen (en in mijn hart) voelen branden ? Inderdaad verdorie, traditiegetrouw heeft Robbe zijn gezellin Ida De Queecker aangesproken voor een gastrolletje en met een kapsel dat haar bijna onherkenbaar maakt zit ze hier « zwarte madam » te spelen. Mijn naamgenoot Ronnie Pede, de enige andere journalist op de set aanwezig – samen met zijn fotograaf die overigens ook voor ons kiekjes heeft geschoten (**) – kan zijn ogen haast niet geloven. Als rasechte Gentenaar is hij immers nog manu militari door de zwarte madam uit deze bioscoop gezet en hij heeft nu zowat een « déjà vu »-Erlebnis.
IMG_0001« Die Hollanders verstaan daar immers toch niks van »
Robbe zelf slaat het hele gedoe met een verheerlijkte glimlach gade, de vertrouwde handdoek in de nek. Ida zal later wel verklaren dat hij in werkelijkheid veel meer gespannen is dan hij laat blijken, toch gaat het er hier op de set het meest ontspannen aan toe van alle werkopnamen die ik in mijn korte carrière (op dit vlak) reeds heb meegemaakt. Al moet ik daar onmiddellijk aan toevoegen dat ook Paul Cammermans en Vincent Rouffaer geenszins aan bepaalde Hollywood-tirannen deden denken.
De sfeer is zelfs zo ontspannen dat de directeur van de Rex zich laat ontvallen : « Mijn dochter zou graag een klein rolletje vertolken in de film. Ze kan vier instrumenten bespelen, » voegt hij er geheimzinnig aan toe (de fluit? de doedelzak? de klarinet? de rommelpot?). « Vraagt u dat maar aan die jongen daar, » wimpelt Robbe hem af. Er loopt inderdaad voortdurend een « go-for » rond die dermate door iedereen wordt aangeklampt dat hij wel een speciale vermelding verdient. Bovendien heeft hij toch een naam om nooit te vergeten (Arno).
Ook Guido Lauwaert neemt hem op een bepaald moment onder de arm : ook om een rolletje te krijgen (hoeveel instrumenten bespeelt de fellen met de rossen haren?) of als toevallige passant? Ik zal het nooit weten, want als Lauwaert in de buurt is ben ik weg. Bovendien is Ida amoureuze herinneringen aan het ophalen. Hoe ze Robbe heeft leren kennen b.v. « Hij was mensen aan het zoeken voor ‘Camera Sutra’ en ik stond aan een tramhalte, toen hij in een wagen passeerde. Bij hem zat Jan Van Broekhoven die ik kende en die mij dus goeiedag zei. Wie is dat maske? vroeg Robbe, want die moet ik hebben voor ‘Camera Sutra’. En zo is dat gegaan, echt zoals in een sprookje… »
« Met dien verstande dat hier de kikker de prinses ontdekte in plaats van omgekeerd, » zeg ik want zoals alle ex-Amadezen heb ik nog steeds zware frustraties omdat de Trotskisten de mooiste vrouwen hadden (dat staat zelfs in het boek dat Lannoo heeft uitgegeven over « De stoute jaren », read all about it binnenkort in dit blad!).
Als we aan tafel aanschuiven, maneuvreer ik dan ook zodanig dat ik naast Ida kom te zitten, terwijl Ronnie Pede de maestro als eerste onder vuur mag nemen. Vanuit het niets is plotseling ook iemand van de « Gazet van Antwerpen » opgedaagd die vooral voor « couleur locale » zal zorgen.
Pede gaat er meteen keihard tegenaan. Waarom « Blueberry hill » werd afgekeurd door de filmcommissie wil hij weten.
Consternatie bij De Hert: « Schat, ‘Blueberry hill’ is nooit afgekeurd. Integendeel, de Franstalige commissie ging er onmiddellijk mee akkoord, alleen wilden ze ook de goedkeuring van de Vlaamse commissie. Kon ik nu gaan uitleggen dat ik het project speciaal aan de Franstalige commissie had voorgesteld omdat men voor de Vlaamse commissie niet twee jaar na elkaar met een voorstel kan verschijnen? » (Robbe bedoelt zijn « Trouble in paradise » die eerlang — na de nodige problemen — in roulatie zal komen.)
Maar waarom dan over de taalgrens gestapt? Waarom niet op Nederland gemikt? « Omdat ik dacht: als die calvinisten zich gaan moeien met heel die katholieke sfeer, dan ga ik in moeilijkheden geraken. Die Hollanders verstaan daar immers toch niks van. Uiteindelijk zijn de Vlamingen dan trouwens toch over de brug gekomen, het is zelfs een coproductie met de BRT geworden, ook al ging Salieri (dat blijkt drama-producer Frans Puttemans te zijn, RDS) daar hoegenaamd niet mee akkoord. »
72 myriam mezieresMaar wordt het dan ook een tweetalige film? « We hebben een beetje ‘gechipoteerd’. Een belangrijke rol wordt namelijk gespeeld door een lerares Frans (de Franse actrice Myriam Mézières, wijd en zijd bekend door haar vertolking in ‘Une flamme dans mon coeur’, zie foto), ook al waren er in de jaren vijftig — en zeker in de katholieke vakscholen — geen maskes als lerares. Maar dat is niet enkel omwille van die coproductie. Het is ook omdat het scenario vereiste dat er op een bepaald moment een zeker contact ontstaat tussen één van de leerkrachten en enkele leerlingen. Nu kan ik u garanderen dat op alle scholen waar ik ooit geweest ben er niet het minste contact was tussen leraars en leerlingen, tenzij als het homofielen waren, maar dat hebben we natuurlijk pas twintig jaar nadien beseft. In ons verhaal komt er echter reeds een jongetje voor dat het niet voor de maskes heeft. Dus als ik dan ook nog eens ga beginnen over een leraar die over de billen van de jongetjes wrijft, ja luister, dan zit ik er helemaal naast. Vandaar dat we er een lerares van gemaakt hebben. Trouwens er is nog een andere reden, want de eerste keer dat dat jongetje die lerares tegenkomt is juist in een janettenkot — want dat bestond wél al in die tijd — en dat maakt precies dat er een verbond ontstaat tussen die leerling en haar. Want eigenlijk gaat deze film over roddel. Over hoe een maatschappij ten onder gaat aan roddel. »
Maar waar speelt het verhaal zich dan af ? Robbe haalt de schouders op. « In een stad, zoveel is zeker. En voor de rest… Ah ja, op een gegeven moment zie je twee bollen van ’t Atomium, maar dat is omdat het over de fifties gaat. » Waarop hij in een aanstekelijke lachbui uitbarst. « Luister, voor mij mocht het zich zowel in het noorden van Frankrijk of in Duitsland afspelen, dat speelt absoluut geen rol. Als het maar in een streek is waar de katholieken nog veel te zeggen hebben. »
« De toon is luchtiger dan gepland »
« Wordt het een film over de katholieken? » vraagt onze Antwerpse confrater bang. « Neenee, » stelt Robbe hem gerust,« reeds jaren geleden heb ik met Van den Broeck het plan opgevat een film te maken over het onderwijs en meer bepaald over een rijksschool, omdat het katholieke onderwijs een aantal extra-problemen schept die niet specifiek zijn voor het onderwijs, maar wel voor het katholiek-zijn. En die problemen wilde ik juist vermijden. Maar anderzijds gaat deze film op de eerste plaats over onze avonturen met de maskes en dan was het toch weer beter van dit in een katholieke school te situeren omdat men die problemen in een gemengde rijksschool in de jaren vijftig veel minder duidelijk kon zien. En dat geeft mij ook de gelegenheid om een Frank Dingenen b.v. als godsdienstleraar op te voeren… »
Nu sta ik wel even paf. Ik dacht dat het een serieuze film was. Maar met een Frank Dingenen in de rol van een godsdienstleraar dan nog wel, kan men dan de karikatuur vermijden? (***) « Ik moet wel toegeven dat de toon van de film uiteindelijk luchtiger is dan wij bij de aanvang op het oog hadden. Maar dat wil niet zeggen dat het een klucht is natuurlijk. »
« Let wel op, » gaat Robbe verder, « de film speelt zich dus af in een vakschool en niet op een college. Dat is heel wat anders. De meeste mensen waarmee ik werk hebben bij de jezuïeten gezeten en herhaaldelijk moet ik dan ook dingen rechtzetten, want zij doen of zeggen zaken die voor een vakschool totaal niet kloppen. Het enige wat men van u op een vakschool verwacht is dat ge later zult kunnen gaan werken. En let op, toen was er nog werk hé! Ik ben nooit werkloos geweest. Als ik een werk beu was, gaf ik er de brui aan, ik ging naar de RVA en nog dezelfde namiddag kon ik ergens anders aan de slag. En altijd tegen een iets hoger loon ! » (****)
« Maar als de film zo’n weerspiegeling is van je eigen ervaringen, als bepaalde personages zelfs aan te wijzen zijn in het werkelijke leven, zoals die homofiele jongen die zelfmoord pleegt of de godsdienstleraar de Stier, wat is dan de inbreng van Walter van den Broeck nog ? Of heb je gewoon zijn pen vastgehouden ? » vraag ik opzettelijk nogal oneerbiedig. « Het is helemaal anders gegaan. Al jaren lopen Walter en ik zoals gezegd met plannen rond om eens een film te maken over het onderwijs. Stilletjes aan kwamen we overeen om een film te maken over onze jeugd, want Walter is precies even oud als ik, en dan hebben we op amper drie, vier dagen het hele verhaal in elkaar gebokst. De kern van het verhaal, namelijk een jongen die heimelijk verliefd is op een maske van een hogere stand, en denkt dat hij die niet kan krijgen, al blijkt achteraf dat zij ook verliefd was op hem, dat komt zelfs helemaal van Walter… al moet ik toegeven dat iets dergelijks mij ook is overkomen. En dan zijn we figuren gaan zoeken om dat verhaal vorm te geven en soms namen we die uit Walter zijn jeugd en soms uit de mijne. En soms hielpen we de realiteit uiteraard een handje zoals in het geval van die homofiel. Die heeft immers geen zelfmoord gepleegd, maar zijn vriend dan weer wel. Wij hebben daarvan dus één personage gemaakt. »
Even gaat de discussie verder over zelfmoord en of men dan al dan niet in de kerk mag worden begraven. « John Massis is toch kerkelijk begraven, » zeg ik. Robbes mond valt open. « Is John Massis dood ?» vraagt hij. Even weten we niet of het ernstig is of om te lachen (« Napoleon is ook dood »). Het is ernst. « Zeg schat, weet gij niet dat ik met een tournage bezig ben ? Ik zit helemaal in de jaren vijftig, hé! »
« Rock’n’roll was een vrij marginaal verschijnsel in die tijd »
Om van onderwerp te veranderen vraag ik of Robbe eens wat over de muziek wil vertellen. Want een film met zò’n titel… « Wacht, het is helemaal nog niet zeker dat de film onder die titel wordt uitgebracht, » zet Robbe al meteen een domper op m’n enthousiasme. « Problemen met de royalties ? » probeer ik. « Nee, er is een heel andere reden. Ondertussen zijn er immers in de VS reeds twee films gemaakt met die titel die in België op video zijn uitgebracht. »
Maar muziek blijft een belangrijk onderdeel? In het BRT-nieuws zei je dat je er per se ‘When I was seventeen it was a very good year’ van Frank Sinatra in wou. Dat copyright moet toch moeilijk te krijgen zijn ?
« Och, voor ‘Vodka orange’ hebben we voor 80.000 fr de rechten gekregen voor een originele Frank Sinatra. En als het origineel toch te duur zou zijn, dan nemen we wel cover-versies. »
En hoe worden die songs in de film geïntegreerd?
« Och, de ene keer duwen ze een plaat op de juke-box, de andere keer zit ergens een orkestje te spelen, zo’n dingen. »
Zelf ben ik erg ingenomen met het gebruik van rock’n’roll in een fifties-film, maar in Vlaanderen moest men zich daar toch niet te veel van voorstellen…
« Dat is waar. In ons klas waren er maar een paar jongens die met rock’n’roll dweepten. Het was een vrij marginaal verschijnsel in die tijd. Zo marginaal zelfs dat men er b.v. ook niet aan dacht om het te verbieden of zo. »
« Bij ons op school wel, » valt Ida hem opeens in de rede.
« Dat is dan weer dat typische verschil met een vakschool, » gaat Robbe onverstoord verder. « De leraars interesseerden zich niet voor wat de leerlingen buiten de schooluren allemaal uitstaken. Dat was uiteraard een groot voordeel. Zo zou het bij ons nooit voorvallen — wat in jezuïetenscholen wél gebeurde – dat een leerling werd vernederd omwille van wat zijn ouders deden. Integendeel, gewone werkmensen werden daar geprezen. »
Baadt de film niet te veel in de nostalgie ?
« Nee, integendeel, want anders had ik hem niet gemaakt. Dat interesseert mij niet. Nee, de aanleiding was eigenlijk dat ik vaststelde dat de kinderen van Ida die nu 16 en 18 zijn, nog altijd met dezelfde problemen worstelen als wij destijds. De ouderen zullen zich dus in de film herkennen in de tijd dat ze jong waren, maar ook de jongeren van nu zullen er zich in herkennen. Het voordeel van het in het verleden te plaatsen is dat je het probleem duidelijker kan uitleggen. Juist omdat we toen veel minder kenden, konden we beter uitleggen waarover het écht ging… Ik vergelijk dat met mijn Priester Daens-project. In die tijd kan men veel beter aantonen hoe de kapitalistische maatschappij in elkaar zit. Nu zien de mensen dat niet meer. Kijk maar naar de verkiezingen. De mensen snappen gewoon niet voor wie of wat ze kiezen. Het is te gecomplexeerd nu. Nu kunt ge niet meer zeggen: ge moogt dit niet of ge moogt dat niet, de jongeren hébben nu zakgeld enz., hun problemen blijven echter precies dezelfde. Maar het is zeker geen afrekening met de katholieken zoals Priester Daens wel een afrekening is met de rijke mensen. Nee, mij interesseert veel meer het probleem tussen jongens en maskes. »
Aangezien je nog zo vaak over Priester Daens spreekt, mogen we aannemen dat dit enkel voor deze film van toepassing is, dat het niet kadert in de algemene trend van depolitisering?
« Dat is zeker niet het geval. ‘Trouble in Paradise’ is b.v. ook heel politiek. Maar per onderwerp moet ge een keuze maken. Ik denk dat het fout is om alles te proberen in één film te steken. »
Op 8 februari 1989 gaan we allemaal kunnen zien of dat gelukt is, want dan wordt de film uitgebracht. Als er tenminste weer geen trouble in paradise is…


Referentie
Ronny De Schepper, Robbe De Hert over “Blueberry Hill”: “Eigenlijk is dit een film over roddel”, De Rode Vaan nr.34 van 1988

(*) Mensen die zich de situatie ter plekke kunnen voorstellen, zullen zeggen: “Amai, toen moet jij – in tegenstelling tot nu – nogal arendsogen hebben gehad!”, want de bus reed op de koop toe in de richting van Antwerpen, dus aan de overkant van de baan. Het hele verhaal (waarmee ik de lezers van De Rode Vaan natuurlijk niet kon lastig vallen) was dan ook dat ik de bewuste foto reeds van nabij had gezien, toen ik te voet naar school ging. Wellicht was ik al fietsend tegen een metgezel (hoogstwaarschijnlijk Eric Poeck) aan het vertellen dat die foto daar hing, toen de bus plotseling vóór me stopte.
(**) Mijn verontschuldigingen bij Piet Goethals, die ik in een automatische reflex dus “Jo Clauwaert” heb genoemd op de foto’s. Bovendien zijn het reproducties van fotokopies, zodat de fotografische kwaliteit helemaal verloren is gegaan.
(***) Een allusie op het toen erg populaire televisieprogramma “Meester, hij begint weer”, waarvan een aantal afleveringen trouwens door Robbe De Hert werden gedraaid.
(****) Alhoewel ik een beetje fier ben dat dit artikel nogal luchtig van aard is en dat in een periode dat De Rode Vaan zowat op zijn kop stond en meer bepaald mijn eigen positie onder vuur kwam te liggen bij de partijleiding (uitlatingen over mezelf als “deftige burger” en “ex-Amadees” kan men dan ook als een soort van provocatie beschouwen), heb ik hier toch wel een grappige anekdote laten liggen. Ikzelf zat natuurlijk ook op een college en weet dus ook heel weinig van vakscholen af, maar je moet weten dat de internen van de vakschool uit de Collegestraat in Sint-Niklaas in het college sliepen en daar dus ’s avonds ook studie moesten volgen. Op een bepaald moment hangt één van die gasten blijkbaar een beetje te veel de aap uit en de studieprefect dondert: “Schrijf mij eens 200 Griekse stamtijden!” Waarop die jongen: “Maar, eerwaarde, ik zit in de vakschool.” De prefect (de legendarische Cauwe) liet zich echter niet uit zijn lood slaan en repliceerde: “Smeed me dan een kruisbeeld!” Allé, nog eentje om het af te leren: die Cauwe was zo legendarisch dat ik bij Anton van Wilderode zelf eens doelbewust mijn huiswerk om zeep heb geholpen. De opdracht was namelijk dat we zouden nagaan vanwaar de namen van bepaalde straten en wijken in onze gemeente etymologisch afkomstig waren. En zo gaf ik als definitie voor de wijk Cauwenburg: “Burcht van Cauwe”, alhoewel ik natuurlijk wel wist dat dit niet zo was.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.