Jef Turf: “Ik heb voor N-VA gestemd”

In maart werd Jef Turf tachtig jaar. Op dat moment waren zijn memoires al aangekondigd, dus het was gewoon met spanning uitkijken wanneer het zo ver zou zijn. Welnu, dat ogenblik is nu aangebroken. Vorige week nodigden uitgeverij Lannoo en Jef Turf de belangstellenden uit op de boekvoorstelling van “Van kernfysicus tot Vlaams communist” in het Volkshuis, Sleepstraat 33, 9000 Gent. De 80-jarige Jef Turf blikt terug op zijn politieke en sociale leven na W0 II. Een blik op de Koude Oorlog, de vredesbeweging, de amnestiekwestie, de protestacties tegen kernwapens, maar ook een kijk achter de schermen van de grote sociale protesten in België, zoals de staking tegen de Eenheidswet. Jef Turf blijft ook de wereld kritisch bevragen: bestaat er nog een democratische uitweg uit de crisis van het kapitalistisch groeimodel? En niet te vergeten: kan een overtuigd linkse militant ook een overtuigde Vlaming zijn? Jazeker, zo blijkt, want op bladzijde 243 schrijft Jef: ‘Ik heb in 2010 voor N-VA gestemd, en zal dat nog doen wanneer de huidige chaos uitloopt op nieuwe verkiezingen. Maar eens in een zelfstandig Vlaanderen zal ik, zoals altijd, de strijd helpen voeren voor een sociaal, democratisch Vlaanderen, en wellicht tegen de N-VA. Het is het onbegrip voor deze dialectiek die vele linksen in Vlaanderen hindert en hen belet de rol te spelen die eigen zou moeten zijn aan de linkerzijde, en die hen linkt aan de oude, rechtse belgicistische belangen.’ Ik ben uiteraard ontzettend blij dat na al die jaren ik blijkbaar nog altijd op dezelfde lijn zit als Jef.

Ondertussen ben ikzelf deze mémoires aan het lezen dankzij Fons Mariën die op http://www.iedereenleest.be het boek als volgt bespreekt: “Jef Turf is in 2012 tachtig jaar geworden en heeft zijn Memoires gepubliceerd. In de jaren 50 werd hij kernfysicus en werkte hij een aantal jaren in een Waalse vestiging van het KMI als wetenschapper. Tegelijk had hij zich meer en meer geëngageerd in de Belgische Kommunistische Partij. Begin jaren 60 maakte hij de (moeilijke) keuze om zijn wetenschappelijk werk te laten liggen om permanent vrijgestelde te worden voor de KPB in Gent. Hij was van nabij betrokken bij menige sociale en politieke strijd. In dit boek doet hij verslag van die jaren, van zijn gevecht voor het eurocommunisme binnen een partij die vastgeroest was, van zijn ervaringen in een aantal socialistische landen, zijn werk voor De Rode Vaan en zijn inzet tegen de kernenergie die hij gevaarlijk vindt.
In 1988 werd hij uiteindelijk uit de KPB gezet, een partij die geen lang leven meer beschoren was. Hij ging dan aan de slag als journalist bij Belga, als gerechtsverslaggever. Opmerkelijk is zijn deelname aan de Gravensteengroep en zijn positionering als Vlaamsgezind activist, die hem zover brengt om in 2010 voor N-VA te stemmen. Hierover schrijft hij in een polemisch hoofdstuk.
Deze memoires zijn interessante lectuur voor wie geboeid is door een stuk politieke geschiedenis van ons land. Toch vallen mij een paar hiaten op: hij schrijft b.v. zeer weinig over de vredesbeweging en de acties tegen de kernraketten in de jaren ’80. Ook lees ik weinig over de val van de Muur en de ineenstorting van de Oost-Europese communistische regimes, de Sovjetunie incluis, en over hoe een man als hij (overtuigd communist) dat ervaren heeft.”

HET VREEMDELINGENVRAAGSTUK
Ik ben vertrokken van deze recensie omdat ze het boek op zich goed samenvat, maar uiteraard verschil ik van mening met Fons als hij de interpretatieve toer opgaat. Ik ben het b.v. niet eens met zijn besluit. Ik vind integendeel dat Jef dit heel goed verwoordt. Maar niet in een afgerond hoofdstuk, zoals hij dat met andere onderwerpen wel doet, dat moet ik toegeven. Maar het knappe van de analyse van Jef Turf zit ‘m juist in het feit dat hij niet alle Oost-Europese regimes over één kam scheert, dat hij met andere woorden anders reageert op elk land, elk systeem afzonderlijk. Dat vind ik integendeel een grote aanwinst tegenover de veel te globaliserende aanpak van vooringenomen would-be analytici.
Dat het hoofdstuk over zijn Vlaams-gezinde “zwenking” (al beklemtoont Jef juist – terecht – dat het helemaal geen zwenking is) “polemisch” is, daarin heeft Fons honderd procent gelijk. Het is natuurlijk polemisch voor mensen (zoals hijzelf) die het Belgicistische standpunt aankleven, maar het is ook zeer polemisch ten opzichte van de N-VA zelf. Ik hoop dat Bart De Wever het nauwkeurig leest met de wetenschappelijke leesbril die hem door zijn opleiding als historicus is aangereikt.
Maar het polemische stopt zeker niet bij de Vlaams-Waalse problematiek. Jef gaat ook door over het vreemdelingenvraagstuk en slaat daar nagels met koppen. Aangezien Fons deze passage over het hoofd heeft gezien in zijn recensie, voeg ik hierbij een fragment van Jef zelf:
“De overheid blijft in gebreke voor een regeling van de immigratie die ook de rechten van de eigen bevolking respecteert. Men schermt met het begrip `solidariteit’ om het onthaal van migranten te rechtvaardigen. Solidariteit begint in de eigen familie, waarvoor men direct verantwoordelijk is. Ze deint uit, als in concentrische cirkels, naar de buurt, de stad of het dorp, verder naar de sociale klasse, het volk, en ten slotte naar andere volkeren in moeilijkheden. Telkens groeit de collectieve dimensie van plicht tot solidariteit, plicht die telkens door de bevoegde overheid gedragen moet worden, uiteraard met de hulp van de bevolking.
In onze Belgische praktijk gaat het anders. Het ontbreekt aan solidariteit met de eigen bevolking die in nood is. Het aantal mensen met een inkomen beneden het levensminimum neemt bestendig toe, het aantal mensen dat financieel niet meer mee kan en verstoken blijft van voldoende gezondheidszorg, onderwijs en toegang tot cultuur en gerecht blijft stijgen. Het inkomensverschil tussen rijk en arm neemt onvoorstelbare afmetingen aan. Solidariteit is geen populair begrip bij de bevoordeelde klasse. De crisis, veroorzaakt door de schraapzucht van de banken en de speculanten, heeft de toestand nog aanzienlijk verergerd. Eigen mensen, die behoefte hebben aan solidaire hulp, blijven in de kou staan en vinden geen oplossing voor hun toenemende problemen.
Het is de plicht van de Vlaamse overheid en, zolang ze er nog is, van de Belgische overheid om in de eerste plaats de solidariteit te verzekeren voor het eigen volk en elke discriminatie voor eigen mensen te verbieden.
STOP DE TOEVLOED…
Dit is slechts mogelijk wanneer aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Een eerste voorwaarde is het filteren van de immigratiestroom, zodat uitsluitend aan de slachtoffers van vervolgingen en oorlogsgeweld asiel verleend wordt. Wie hier gewoon wil wonen om te profiteren van de sociale zekerheid, waarvoor geen enkele bijdrage werd geleverd, moet worden geweerd, net zoals de komedie van de familiehereniging zoals ze thans bedreven wordt, moet worden gestopt. Verder moeten criminelen onvoorwaardelijk teruggestuurd worden naar hun land van herkomst.
De periodieke regularisatie van illegalen, die tienduizenden extra asielzoekers lokt, moet gestopt worden. De toekenning van de Belgische nationaliteit vereist een voorafgaande en succesvolle vorming betreffende onze geschiedenis en onze cultuur. Dubbele nationaliteit moet vermeden worden.
Uiteindelijk moet een dergelijk beleid helpen om de massale migrantenstroom terug te brengen tot een geleidelijke, beheersbare immigratie die de belangen van de eigen bevolking niet in gevaar brengt. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de Waalse en vooral Franstalige Brusselse politici, die verantwoordelijk zijn voor de mislukking van het immigratiebeleid, in de hoop daar electoraal profijt uit te halen.
…EN DE ISLAM
Bij bovenstaande bedenkingen werd geen enkele maal gewag gemaakt van de islam. Godsdienstvrijheid moet tot elke prijs behouden blijven, voor zover ze niet in strijd is met onze wetgeving. Dit betekent niet dat men de islam niet mag bestrijden. Integendeel. Nu er eindelijk stappen gezet zijn waardoor het katholieke obscurantisme aan banden gelegd wordt, nu het duidelijk is dat Vlaanderen geen voorbeeldig wingewest meer is voor katholieke zieltjes, zou het onbegrijpelijk zijn de poort wijd open te zetten voor het islamitische obscurantisme. Zij mogen moskeeën bouwen voor eigen gebruik, maar niet met ons geld. Het moet duidelijk zijn dat ons land een lekenstaat is, met scheiding tussen kerk en staat.
Dit leidt ook tot een herziening van de verhouding tussen ons land en de Kerk van Rome. Het is redelijk die scheiding hard te maken en de bestaande dubbelzinnigheden weg te werken. Godsdienst is een persoonlijke aangelegenheid, en wie deel wil uitmaken van een of andere kerk moet ook de verantwoordelijkheid dragen om die Kerk te financieren. Kirchensteuer dus, voor Rome, voor de islam en voor de joden.” (p.246-247)
Ook de volgende pagina’s blijven interessant-polemisch: over de Vlaamse intellectuele “elite”, de vakbonden (Jef heeft om dezelfde reden als ik ontslag genomen uit de vakbond, namelijk omwille van de haatcampagne tegenover de N-VA), de discrepantie tussen “recht” en “rechtvaardigheid”: “Men zou ernaar moeten streven dit onderscheid minimaal te maken. Bijvoorbeeld door onderzoekers of magistraten die zich schuldig hebben gemaakt aan een fout in het onderzoek te straffen en bij herhaling te weren uit het rechtsgeding, en bovendien door de fouten te herstellen, zodat ze geen gevolg hebben voor het vonnis.” (p.263)
EEN VLAAMSE VERTELLER
Fons gaat ook niet dieper in op de stijl van Jef. Nochtans ontpopt Jef zich, zeker in het eerste deel, als een rasechte verteller, die ik nooit in hem had vermoed, moet ik eerlijk toegeven. Dat in tegenstelling tot zijn eigen vader die het literaire talent van Jef reeds lang had onderkend en die het jammer vond dat hij uiteindelijk voor een wetenschappelijke loopbaan heeft gekozen. Jef heeft het op een bepaald moment bewonderend over streekgenoot Gerard Walschap en inderdaad soms lijkt hij wel daar de mosterd te hebben gehaald (“Salut en merci”). Maar meer nog zie ik persoonlijk – en ik weet niet of hij dit eigenlijk wel zo leuk zal vinden, maar het is alleszins als compliment bedoeld – overeenkomsten met iemand als Ernest Claes, die ook veel politieke memoires heeft geschreven, waarvan de beste momenten de humor van “De Witte” of “De fanfare van de Sint-Jansvrienden” laten doorschemeren…
Maar ook andere emoties komen aan bod. Zoals de schrijnende passage over zijn huilende vader. Hugo Claus heeft mij ooit eens gezegd dat hij de memoires van Bert Van Hoorick (“In tegenstroom”) ten zeerste op prijs stelde. Ik kan me voorstellen dat, mocht hij nog leven, hij nu evenzeer zou vallen voor de memoires van Jef Turf.
Het beste kan je een boek natuurlijk afwegen tegenover de boeken die je kort daarvoor hebt gelezen. In mijn geval waren dat zeer uiteenlopende werken zoals “La Châtelaine du Liban” van Pierre Benoit en “The Official Kinks Biography” van Jon Savage. En ik moet zeggen dan heb ik de memoires van Jef toch veruit het liefst gelezen van de drie. En hoe uiteenlopend ze ook mogen zijn, ik vond dat er wel één begrip was dat de drie boeken bond en dat zou ik dan met het Franse woord “camaraderie” willen kwalificeren. Over de “camaraderie” van de sabelslepers uit de woestijn van Libanon en Syrië kan ik kort zijn, daar heb ik namelijk niet de minste affiniteit mee. Maar bij een popgroep zou je toch veronderstellen dat dit begrip ook vooraan staat, zeker in de beginjaren en zeker voor een groep als The Kinks die heel lokaal begonnen zijn, namelijk in de wijk Muswell Hill in Londen, waar de beide broertjes Davies en bassist Mick Quaife vandaan kwamen. Net zoals bij The Beatles is drummer Mick Avory er pas enige tijd later bijgekomen, maar helemaal niet zoals bij The Beatles gaan The Kinks elkaar herhaaldelijk te lijf en is er van “camaraderie” hoegenaamd geen sprake. Dus ook op dit vlak wint Jef met vlag en wimpel, door de warme verbondenheid met zijn kameraden, vooral in zijn studentenjaren en dan zo verder tot de periode van De Rode Vaan, die de desintegratie inluidde. Deze overeenkomst, of beter gezegd het gebrek daaraan, trof mij geweldig, aangezien ik op diezelfde Rode Vaan juist geprobeerd heb die heel verschillende werelden van popmuziek en het communisme te verzoenen. Ik ben daar dan grotendeels ook niet in geslaagd, moet ik zeggen, al had ik dat op het moment zelf niet door. Buiten een aantal meer algemene artikels waarin men popmuziek kon duiden binnen maatschappelijke gebeurtenissen was de stap toch heel groot en ben ik dan ook gefaald in de opdracht die ik mijzelf had opgelegd. Maar ondanks de kritiek die mij dit opleverde, denk ik toch met warme gevoelens terug aan de “camaraderie” in de KP. Ook, en misschien wel vooral, met de zogenaamde stalinisten, waarmee Jef het blijkbaar moeilijker heeft gehad, wat ook “logisch” was, aangezien hij de theoreticus was van het Eurocommunisme. Ik was slechts een aanhanger en kwam er daarom vanaf met enige tijd strafkamp in Siberië, terwijl Jef en Jan Vermeersch b.v. tegen de muur zouden worden gezet. Dat zeiden die “kameraden” letterlijk, waarna ze Kitty nog eens een bestelling lieten noteren. Voor buitenstaanders is het wellicht onbegrijpelijk dat je met zo’n mensen überhaupt op café kan gaan zitten, laat staan ze nog sympathiek vinden ook. Ik moet er wel aan toevoegen dat die opmerkingen mij vooral kwamen toegewaaid in de tijd dat ik mijn artikelenreeks over de geschiedenis van De Rode Vaan aan het maken was en dat ze dan ook vaak afkomstig waren van mensen die ondertussen geen lid meer waren van de KPB (of althans toch niet openlijk daarvoor uitkwamen).
Is het dan allemaal rozengeur en manenschijn? Uiteraard niet. Eerst en vooral moet ik als gewezen eindredacteur opmerken dat mijn achtbare confrater zijn (of haar) werk niet goed heeft gedaan. De Jood die bij de familie Turf is ondergedoken heet eerst Ricci, maar honderd bladzijden verder is dat plotseling Ritchie. En Louis Paul Boon mag blijven leven tot 1997 (in plaats van 1979). En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te geven, maar daardoor zou de aandacht van de waarachtige inhoud van het boek te veel worden afgeleid.
Wat miste ik dan inhoudelijk? Wel, ik had gehoopt eindelijk klaar te zien in “de zaak Bob Francis”. Bob Francis is de gewezen Rode Vaan-redacteur die naar Praag werd gestuurd als Vlaams vertegenwoordiger bij het internationale communistische tijdschrift “Vrede en Socialisme”. Ergens in deze “career move” is Bob Francis overgelopen naar de Spekpater. Ik had graag willen weten wanneer dat precies is gebeurd. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de plezante drinkebroer, die o.m. de gewoonte had om “de kaart af te drinken” (dat betekent bij elk rondje iets anders te nemen van wat op de kaart stond; dus allerlei soorten bieren, maar ook drankjes als Oxo of Fristi) en die ooit in een ziekenhuis diende te worden opgenomen omdat hij zich te buiten was gegaan aan het overmatig eten van “tripes” (darmen), van mij de aanvang reeds met zo’n plan in het achterhoofd een carrière bij de partij heeft doorlopen. Vraag blijft dan nog: maakte zijn overplaatsing naar Praag reeds deel uit van dat plan of is hij in Praag zelf “tot andere gedachten” gekomen? Misschien weet Jef daar ook het fijne niet van, maar ik had gehoopt van wél.
Maar goed, Bob Francis komt wel voor in de memoires. Wiens naam helemaal niet voorkomt, is die van Jan Debrouwere. Ik heb de tweestrijd tussen deze twee inspirerende figuren van de KPB nooit begrepen. Ik weet het wel, er is de eeuwige strijd tussen de twee Vlaamse bastions, Antwerpen en Gent, maar Jef is niet zo kortzichtig om Antwerpse communisten die hem tot inspiratie zijn geweest niet te vermelden, Jef Van Extergem bijvoorbeeld. Het kan ook niet aan een eventueel Belgicisme hebben gelegen (zoals bij Louis Van Geyt b.v.) want Jan is even Vlaamsgezind als Jef. En tenslotte is er nog het tweespalt eurocommunisme/stalinisme. Maar al was Jan Debrouwere zeker geen vaandeldrager van het eurocommunisme, zoals Jef dat wél was, hij kan toch ook onmogelijk tot de stalinistische strekking worden gerekend.
En tot slot is er nog een naam die ik niet heb teruggevonden, deze van Jean-Jacques Rousseau. Trouwe lezers zullen wel weten wat ik daarmee bedoel. Het is mijn antwoord op de vraag waarom het marxisme blijkbaar tot mislukken was gedoemd. Marx vertrok namelijk van de stelling van Jean-Jacques Rousseau dat mensen van nature goed zijn, maar dat het de maatschappij was die ze slecht maakte. Vervang de kapitalistische maatschappij door een rechtvaardige socialistische maatschappij zei Marx en je hebt “de nieuwe mens”. Helaas, was het maar waar. Misschien is het ook dit antwoord dat Fons Mariën verwachtte in het boek te vinden.
En, nee, Jef vernoemt Rousseau niet, maar in zijn slothoofdstuk “Ik heb het tenminste geprobeerd…” schrijft hij wel: “Mensen zijn erger dan beesten” (p.275). Voorwaar geen “Rousseauiaanse” uitspraak. Toch behoudt Jef zijn optimisme. Is “de klassieke arbeidersklasse (…) in West-Europa sterk ingekapseld in het kapitalistische systeem” (p.278), dan ziet hij het heil toch nog altijd voortkomen van het “volk”. En hij verwijst daarbij b.v. naar de diverse Noord-Afrikaanse “lentes” (p.279). Ik hoop natuurlijk dat Jef gelijk heeft, maar zelf zie ik een kleine minderheid die opkomt voor democratische rechten en voor de rest vooral veel verwarde religieuze fanatici, die de klok misschien eerder willen terugdraaien i.p.v. vooruit…
(Enkele dagen later was er in Reyers Laat een hoogstaand filosofisch debat tussen Bart De Wever en Etienne Vermeersch over de rol van Jean-Jacques Rousseau en de Verlichting in het algemeen wat het debat over “normen en waarden” aangaat. Het gebrek daaraan in de huidige maatschappij was volgens BDW terug te voeren op Rousseau, aangezien deze ervan uitgaat dat de mens – en dus in eerste instantie het kind – alles zelf moet ontdekken. Volgens BDW is het echter helaas niet evident dat het kind dan bij “normen en waarden” uitkomt, aangezien het de neiging zal hebben zichzelf tot maat van alle dingen uit te roepen. Eigenlijk was het niet echt een debat, want professor Vermeersch was het hier in feite mee eens, maar ten eerste wou hij niet dat Rousseau als een “normale” vertegenwoordiger van de Verlichting wordt gezien en ten tweede had hij ook een beetje schrik dat BDW dan maar terug wou naar een tijd waarin “normen en waarden” werden opgelegd in het vooruitzicht van een straf of een beloning in het hiernamaals. BDW maakte duidelijk dat hij dat niet zo bedoelde, dat hij alleen maar schrik heeft voor de “sprong in het duister”. Het is ook de problematiek waar ik al mee zit sedert ik met de existentialisten heb kennis gemaakt: dat zij vanuit hun existentialisme – en dus atheïsme – meteen de sprong maken naar een humanisme is ten zeerste lovenswaardig, maar het is volgens mij niet “de normale gang der zaken”. Dat vooral het riffraff de regel “de mens is de maat van alle dingen” zal ombuigen naar “ik ben de maat van alle dingen”, is misschien een pijnlijke vaststelling, maar dat maakt ze daarom nog niet minder wààr.)
EEN POLITIEKE IDENTITEIT VOOR COMMUNISTEN
Meer dan dertig jaar eerder had Jef reeds een ander boek geschreven, “Een politieke identiteit voor communisten”, uitgegeven bij het Davidsfonds. Ik heb het echter pas gelezen n.a.v. het verschijnen van zijn mémoires. En nadat ik het “voorwoord” had doorworsteld, had ik al geen goesting meer om verder te lezen. Wat een kromtaal en dat in ellenlange zinnen! De enige reden waarom ik het toch deed, is dat dit “voorwoord” (het moet “woord vooraf” zijn, maar kom) is geschreven door Louis Van Geyt en Jef zelf kan daar dus niets aan doen. (Van Geyt noemt het boek overigens “een vrijblijvend essay”, dat kan tellen als “aanmoediging”!)
Al in de inleiding van Jef zelf blijkt dat hij gelukkig alvast veel kortere zinnen gebruikt, wat de leesbaarheid aanzienlijk verhoogt. Maar echt “swingen” doet de tekst niet natuurlijk. Dit lijkt in tegenstelling met wat ik hierboven schrijf, maar dat is niet helemaal waar. Als Jef in zijn mémoires een reflecterende passage inlast over politiek, ideologie of wetenschap, dan verandert ook daar zijn toon helemaal.
Toch kan men niet ontkennen dat Jef dertig jaar geleden al wist waar de klepel hing: “Om aan de werkelijkheid te ontsnappen hebben zij een heel nieuwe woordenschat ontworpen: stagnatie wordt nulgroei, sluiting wordt afbouw, zwijggeld wordt ‘gouden handdruk’, ontslag wordt ‘afvloeiing’ en werkloosheid met inflatie wordt stagflatie. Tenzij men zich beperkt tot een gesofisticeerde Engelse terminologie, wat niet méér betekent maar geleerder klinkt.” (p.16)
49 sale flaminSommige passages kon ik erg “diagonaal” lezen omwille van “niet meer van toepassing”. Ik moet toegeven, het boek is me een beetje tegengevallen, maar dat komt dan wellicht omdat ik het met een bril van 2012 heb gelezen natuurlijk. Zo had ik m.a.w. meer verwacht over de verhouding van de communisten tot de Vlaamse Beweging. Maar wellicht stak Jef destijds al genoeg zijn nek uit door positief te spreken over Vlaamse “iconen” zoals Tijl Uilenspiegel en Jan Breydel en Pieter De Coninck. Het boek is immers geschreven op het moment dat de KP zelfs nog niet eens gefederaliseerd was (Jef stelt die federalisering trouwens als wenselijk, ja zelfs onontkoombaar voor). Waar ik wel door gecharmeerd was, was door zijn analyse van het gauchisme. Enerzijds omdat velen van degenen die hem nu aanvallen, nog altijd tot die gauchistische vleugel behoren en anderzijds omdat hij ook vol mededogen is voor “bekeerlingen” die via het gauchisme toch tot de KP zijn gekomen (mensen zoals ik met andere woorden).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s