De meesten kennen hem als “de briefschrijver uit Humo en De Morgen”, maar ikzelf ken hem natuurlijk vooral uit de Germaanse, waar hij af en toe poëzie of poëtisch (en soms polemisch) proza publiceerde in ons “huisblad” Germaniak, of in de literaire tijdschriften Restant of Koebel.

Maar toch verraste hij vriend en vijand door op de dag van ons afstuderen met een “bussel gedichten” te komen aanzetten (“Tsja, tsja, tsja…”) die hij uitgaf in een oranje plastic zak (zie hierbij op de foto op het terras van studentenrestaurant Overpoort). De bundel die was “verlucht” door Geert van de Pol (eigenlijk Pol van Geert, volkszanger en assistent psychologie) bestond uit drie delen. Het eerste deel kreeg lang vóór Helmut Lotti de titel “Messalina” mee, met de M van “de doorzichtige”. De opdracht vormde de driehoek “Words, words, words… leugens, leugens, leugens…” en was het motto voor een aantal vitalistisch/expressionistische gedichten zoals “Statisties Maniefest”. Het tweede deel “Dryope” met de E van fatale, ragfijne breekbaarheid was en met als opdracht “Een bloem plukkende werd zij een bloem“. Kortom, een cirkel van traditionele liefdespoëzie, weliswaar in een experimentalistische vormgeving. Een gedicht hieruit (“Je handen”) heb ik in het Atheneum van Sint-Niklaas nog laten vergelijken met “Je borst is genoeg” van Pablo Neruda door Myriam D’hondt, Greta Andries, Daisy Baert en Raphaël Troch. Het derde deel tenslotte kreeg de titel “Vanessa” mee met de vierkante R van de schrandere (ja, he lost me here, too) en de opdracht: “Zo zijn deze aforismen in het veld gevonden bloemen, liefdevol & nederig geschikt“. Deze aforismen zijn meestal maatschappijkritisch.
In de Germaanse heeft Staf zich op diverse terreinen onderscheiden. Eerst en vooral natuurlijk met zijn grote onderscheiding, maar verder ook als rebel (zij het vooral op het vlak van de Germaanse zelf, hij hield zich wel ver weg van alle Amadezen of andere Trotskisten), als keeper van de voetbalploeg van de Germaanse en natuurlijk ook op de dansvloer en de belendende activiteiten die dit met zich meebrengt. Daardoor werd hij ook soms het onderwerp van spotternijen zoals in de cartoons van Jean-Paul Van der Elst. Even citeren uit “Germaniak” van januari 1972: “Paniek brak uit in het seminarie van Nederlandse literatuur! Graaf Dracula, voor de gelegenheid vermomd in Staf De Wilde, trad binnen en stichtte verwarring onder de aldaar aanwezige studenten en studentinnen (druk bezig met hun licentieverhandeling). Dorstig en snakkend naar het bloed van jonge Vlaamse maagden sprong het monster toe op de onschuldige meisjes-studenten. He capered nimbly to the lascivious pleasing of a lute. Vóór Prof.V.E. en zijn seminaristen, toevallig rond de koffietafel geschaard, konden toesnellen was het onheil gesticht. De vampier had een der studentinnen vastgegrepen, met een geroutineerd gebaar van haar overtollig tekstiel ontdaan en dronk wellustig het warme maagdenbloed. Voor iemand een vinger kon roeren was het monster weer verdwenen in een wolk van wierook en tranen, een ontzield vrouwenlichaam als treurige getuige van zijn aanwezigheid achterlatend. Ons rest enkel de droeve plicht ons leedwezen te betuigen met de verontruste ouders en een ernstige waarschuwing te sturen aan alle vrouwelijke studenten van de Blandijn: pas op voor suspectabele individuen, vermomd als Staf De Wilde!”
Zijn licentiaatsverhandeling had als titel “Het Lolita-complex bij L.P.Boon“. Hierin breekt hij een lans voor de dialectische literatuurgeschiedenis (p.11), maar daar tegenover staat dat hij de idealist herleidt tot iemand die streeft naar “het volkomen orgasme bij de ideale partner” (p.75). Deze zelfde ambivalentie vinden we in enerzijds een goede karakterisering van Boon stijl (p.14) en een formulering van het programma van de literatuurleraar (p.12), maar anderzijds in het ontbreken van referenties naar Lewis Carroll, Edgar Allan Poe en zelfs naar – waarom niet? – Paul Van Vliet (“Meisjes van dertien”) of Michel Fugain (“Les fleurs de mandarine”). Voor het overige vinden we er nog een psychologische verklaring voor één van de sleutelwoorden bij Boon, namelijk “de anderen” door een zekere Heymans (p.79) en van Swillens‘ “Land van Nod” (p.191). (*)
Maar terug naar de briefschrijver Staf De Wilde. Aangezien er meestal “De Haan” als woonplaats bij staat, zal men allicht verbaasd zijn dat deze productieve schrijver een boek uit heeft (“Van Toen en Thuis”) over Hamme, of all places. Het is bovendien al zijn tweede na “Terug naar Hamme” (uit 1994). Het mag duidelijk zijn: Staf is in Hamme geboren en heeft er ook zijn jeugd doorgebracht, de periode bij uitstek in een mensenleven, waarop schrijvers plegen terug te vallen. Ik denk b.v. aan “Formosa” van Willy Van Poucke of “Zonde van Nini” van Stef Vancaeneghem, ja zelfs “Kartonnen dozen” van Tom Lanoye, drie boeken (voor de vuist weg) waaraan ikzelf veel plezier heb beleefd. Met dit verschil dat het hier telkens een volwaardige roman betreft, terwijl de boeken van Staf De Wilde eerder een aaneenschakeling zijn van poëtische impressies en kortverhalen, soms met erotische, dan weer met politieke inslag waardoor het wel om meer gaat dan louter anekdoten. Maar waarom spreken dergelijke werken mij (en vele anderen) aan? Omdat wij onze eigen jeugd – another time, another place – hierin herkennen. Het is zowaar de zoveelste illustratie van het adagium van Hugo Claus dat we “de universaliteit in ons eigen straatje moeten zoeken”. Zouden we zoiets met het zwaar beladen woord heimwee mogen benoemen? We vroegen het aan Staf De Wilde zelf, terwijl die met zijn tenen in het zeewater zat te woelen, onderwijl hij naar de einder turend als de eerste de beste Sil de Strandjutter. Ik voel me een beetje als Pol Schampers die weer eens door Berten Maillot in de luren wordt gelegd, maar allé, op hoop van zegen dan maar!
Staf: In de jaren vijftig zong men ‘heimwee doet ons hart verlangen naar de heimat onzer jeugd’, ken je dat?
– Nooit van gehoord. Is “Heimwee naar huis” van Will Tura ook goed?
Staf:
In Vlaamsgezinde kringen is dat deuntje misschien nog te horen en ’t is natuurlijk dààrom dat gij dat niet kent, cultuurbarbaar. Het gaat om het clichébeeld van de ‘roots’: ik zie een boom die met de grond gelijk is afgezaagd maar de wortelstronk blijft zich vertakken. De boom zelf is in de eerste plaats ons huis dat werd gesloopt begin jaren 1970, wat een klein trauma moet hebben veroorzaakt want sedertdien voel ik mij toch een beetje een banneling, een asielzoeker en zoals je weet zijn asielzoekers hier in de ‘elitaire badplaats’ De Haan niet bijster welgekomen.
– Nu is het mijn beurt om te vragen of je een liedje kent: “La maison où j’ai grandi” van Françoise Hardy. Want over dàt gevoel gaat het dan, als ik me niet vergis. “Quand je me tourne vers mes souvenirs, je revois la maison où j’ai grandi…” En dan op het einde : « Le temps a passé et me revoilà, cherchant en vain la maison que j’aimais. Où sont les pierres et où sont les roses, toutes ces choses auxquelles je tenais… » Zelfs Conny Van den Bos zingt een liedje in die zin : «In Den Haag is een laan», eigenlijk een Frans chanson van Michel Delpech, maar met een nieuwe Nederlandse tekst van Herman Pieter de Boer.
Staf:
Mijn schoolvriend Jef Vernimmen, familie van de mosterdfabrikant, werkte om wat bij te verdienen bij een schoenlapper en daar hing een foto van de langbenige donkere schoonheid Françoise Hardy aan de houten poort: die gebruikten ze voor hun wedstrijdjes vogelpik. Ik was in die tijd, we waren zestien, eerder weg van de stroblonde Martine Bijl: tegelijk vlezig en etherisch, wat past bij die leeftijd: we wilden grijpen en bij voorkeur in het ijle want enig houvast betekent het einde van de dromen.
Hoe dan ook, de stronk is zich blijven vertakken, onder het dorp door naar de Oude Durme, en in de andere richting door de Bunt naar de veren van Tielrode en Driegoten. Die wortels trekken niet alleen aan mij in de zin dat ik minstens een paar keren per jaar naar Hamme moet komen: de laatste jaren vieren we Oudejaar in Temse bij mijn stiefzuster en het eerste wat we doen op de eerste dag van het nieuwe jaar is een wandeling maken van Driegoten tot aan het monument van de Pillecijn waar we de veerman en zijn twee vrouwen gaan groeten. De wortelstronk brengt trouwens nog altijd bloesem voort: in de gedaanten van geliefde doden die hier plots in de kamer staan, gezichten die beginnen te spreken: veel meer dan het opschrijven moet ik niet doen.
– “There are places I remember, all my life, though some have changed, some for ever not for better (…) all these places have there moments with lovers and friends I still can recall, some are dead and some are living – in my life, I’ve loved them all” (John Lennon)
Staf:
Ik bezocht al een paar keren het zomerse bluesfestival ‘Aondastaozze’. Voor mij is blues het muziekgenre bij uitstek voor weemoed en nostalgie. Verder wil ik opmerken dat onze Filip de Pillecijn zijn boeken over Hamme schreef toen hij er niet meer woonde (en zijn meesterwerk ‘Mensen achter de Dijk’ toen hij in de gevangenis zat vanwege een al te letterlijke interpretatie van zijn doctorsgraad in de germanistiek): het magnetisme van het heimwee heeft afstand nodig in de tijd en in de ruimte.
– Het zou een beetje denigrerend zijn de Pillecijn een “kleurrijke figuur” te noemen (alhoewel hij er één was – of niet soms?), maar er zijn er vast wel meer die ter sprake komen in je boek…
Staf:
Een van de meest kleurrijke was ongetwijfeld Fiel Rooms, mijn keeperstrainer bij Vigor, een kolderieke kerel, een droogkomiek die vandaag een stand-up comedian zou kunnen zijn. Voeg daar zijn Romeinse kop bij en je bekomt een raar mengsel van statuur en folklore. Hij deed mij meer dan eens letterlijk in het zand bijten toen hij na een mislukt schot de spot dreef met zichzelf: ‘Ik heb verdorie weer mijn vrouw haar schoenen aan…’ Bij Vigor liepen er nog meer bizarre of boeiende mannen rond: materiaalmeester Lowietje van Buyten die soms weigerde de ballen op te pompen of midden in de winter een emmer ijswater over je blote flikker kon uitgieten als je iets zei dat hem niet beviel. Kortom, Vigor was meer dan voetbal: het was vaak een echte commedia del arte.
– Maar, alhoewel het voor sommigen als een koude douche zal aankomen, het leven is meer dan voetbal alleen…
Staf:
Ik denk ook nog aan Fred Verhelst die met zijn broer Willy ’t Kroegske openhield in de Hoogstraat, het stemmigste bruine café dat er in de omgeving ooit is geweest. De Dyane – interventiemacht van de rijkswacht of BOB – is er nog met de wapenstok binnengevallen omdat de brave buren kloegen over geluidsoverlast. In de Rio organiseerden ze een aantal keren een poëziehappening, het aanwezige talent was verrassend goed. En dat niet alleen omdat ikzelf er nog vanuit een bed poëzie heb voorgedragen. Fred is het type van de artistieke clochard dat ik misschien zelf had willen zijn, had ik mij niet tegelijk een leraar gevoeld, een conformistisch beroep ook als je het anders probeert te doen.
Als leraar heb ik uiteraard dagelijks het woord moeten voeren, maar mijn expressievorm bij uitstek is het geschreven woord. Vaak ben ik een zwijger genoemd en dat lijkt me noodzakelijk: schrijven is een innerlijk praten dat op papier komt, ik ken weinig dichters die babbelaars waren of zijn, tenzij onder geestesgenoten misschien en als de drank vloeit. Iemand zei: een dichter in de familie is best leuk en gezellig maar hem dagelijks onder je dak moeten verdragen een verschrikking.
Maar goed, we hadden het over leuke figuren – en zo zijn er wel meer – maar de onderpastoors van die jaren vijftig en zestig vormden een (minder leuke, maar niet minder merkwaardige) categorie apart: een romanschrijvende gentleman die er uiteindelijk met een vrouw vandoor ging, een zuiplap, een neuroot die in de jeugdclub bierviltjes schoof tussen slowende paartjes, een cholerieke organisator van processies die tijdens de kindermis een rasverteller bleek zodanig dat de kerk niet alleen stampvol zat maar dat zelfs de mannen onder de doksaal die stonden af te tellen tot ze op café konden gaan, met open mond bleven luisteren. In feite had een nieuwe Ernest Claes in Hamme zijn hartje kunnen ophalen. Maar zelf ben ik in de eerste plaats een dichter, denk ik toch, en te weinig verteller, daarvoor heb ik mij iets te veel afgezonderd.
– Zeker nu, nu je in De Haan woont of all places. Aan ’t zeetje. Of ’t zeeke, zoals men in ons dialect zegt op dezelfde manier als men ’t zeiken zou zeggen, zodanig dat ik de goegemeente eens danig heb geschokt toen men mij vroeg: waar is tante Jeanne? En ik antwoordde: ze is aan ’t zeeke. Maar men dacht dat ik had gezegd: ze is aan ’t zeiken.
Staf:
Wonen in De Haan lijkt zeer aantrekkelijk, als je afgaat op de prijzen van de grond en de woningen hier (waardoor de eigen jeugd het elders moet gaan zoeken, en steeds meer Duitsers en Nederlanders hier komen beleggen in een tweede verblijf), voor mij betekent het echter een bevestiging van die positie van afzondering, de positie van toeschouwer die onvermijdelijk aan de kant moet staan om te kunnen observeren: wat mij dan bezighoudt is niet De Haan zelf, wel de actualiteit. Wat ik van De Haan verwacht, krijg ik ook: rust om me heen zodat de drukte in mijn kop niet helemaal ontploft. Wanneer ik ’s winters wandel door het duinenbos voel ik mij in een Middellandse Zeegebied (er staan trouwens Corsicaanse dennen) en al fietsend langs het kanaal Brugge-Oostende ben ik in gedachten op de Schelde- of Durmedijk. Trouwens, om terug te komen op die ‘asielzoeker’: vanwege de spanningen bij ons thuis waren de Bunt en de dijken indertijd voor mij ook een asiel. Hoeveel uren ik op Driegoten heb zitten lezen of mijn hond met een stok de Schelde in joeg, is niet te becijferen. In zekere zin zet ik mijn leven dus gewoon voort. Alleen is de verhuizer gezien zijn leeftijd honkvaster geworden. Bovendien geloof ik dat er een groot verschil is tussen graag ergens komen en er echt gaan wonen: meestal is het zo dat een rusteloze geest wel altijd liever elders zou willen zijn en ook elders is, psychisch dan: in het verleden in Hamme, bijvoorbeeld.
– Wat is je volgend project?
Staf:
Dat zou een bloemlezing moeten zijn : een selectie uit mijn bundels van 1973 tot 2006. Ik heb er al over gecorrespondeerd met Willy Tibergien van het Poëziecentrum en zoals gewoonlijk zal het weerom een kwestie van duiten zijn: subsidies of sponsoring. Aan bestanden met meer recente gedichten is er geen tekort, maar die bloemlezing acht ik nu dringender. Als ik het zonder officiële uitgever moet doen, dan wil ik er een poezelig boekje van maken, een bibliofiele uitgave in de trant van Boons ‘Mieke Maaike’: een boek is pas een boek als het lekker geurt en in je handen ligt als een meisjeskont. Maar een Romeins satiricus (geciteerd door Michel de Montaigne) zei het al: ‘als je de goden wil doen schateren, vertel ze dan over je plannen.’
– Sorry, dat laatste heb ik niet gehoord, ik ben nog blijven steken bij die meisjeskont. Ik herinner me inderdaad een voordracht van jou op een Boon-viering in Temse, waarbij je vooral aandacht had voor het Lolita-motief in de man zijn werk….
Staf:
Daar heb ik destijds mijn licentiaatsverhandeling aan gewijd en Lolita’s heb ik tijdens mijn leraarscarrière genoeg meegemaakt om erover te zwijgen – Feind hört mit.
– Op de valreep schiet mij zowaar nog iets helemaal anders te binnen: jij hebt ook carrière gemaakt bij de Vlaamse film…
Staf:
?????
– Bah ja, heb je mij niet ooit eens verteld dat je nog gefigureerd hebt in “Mira, de teleurgang van de Waterhoek”, waarvan een cruciale scène zich afspeelt op de onlangs opnieuw geopende (na de bekende carrière van beschermd en daarna verwaarloosd monument) brug in Hamme? Je hebt toen je leven geriskeerd in een wielerwedstrijd ter gelegenheid van de heropening van de brug. Want omdat er in de tijd van Mira nog geen remmen bestonden, moest je de remmen van je fiets halen, ook al was dat geen “torpedo” zoals in die tijd gebruikelijk was..
Staf:
Ja, ik dacht dat ik in het wiel van mijn jeugdidool Rik van Looy zat en raakte zodanig weg van de wereld dat ik een bocht miste en in een nabijgelegen sluis terecht kwam. De Keizer zelf verloor tijdens de Tour van 1962 trouwens óók een spurt in de straten van Herentals omdat hij zich van kruispunt vergiste in zijn eigen stad. Overigens bloedde ik mee toen hij bloed piste nadat een motor hem tijdens die Ronde van de baan reed. De drie woorden “Rik” “Van” “Looy” vormen in mijn geest een fluorescerende eenheid die hun betekenis overstijgt: hoe Freud dat zou uitleggen laat ik aan de lezers over.
Ja, dan kunnen we net zo goed beiden op de sofa gaan liggen, want dat is bij mij ook het geval (zie bij Stef Vancaeneghem)…
Staf De Wilde debuteerde enkele dagen na z’n 65ste verjaardag met een roman, “Mottebol”. Het is een semi-autobiografisch verhaal over een Hammenaar, die drie grote liefdes heeft: de taal, de hond en de vrouw. Hierin herken ik Staf volledig (allé, dat van die hond, dat wist ik niet, maar dat lijkt me nu ook niet zó belangrijk), maar de verdere avonturen van zijn hoofdpersonage (o.a. in Nicaragua en in de psychiatrie) lijken me fictie, al kan ik me altijd vergissen natuurlijk. “Mottebol” werd uitgegeven door Het Beleefde Genot, telt 282 blz. en kost 18,5O euro. Te verkrijgen bij Id Collectief, Bremstraat 26, 9220 Hamme.
En zo zijn er nog wel meer verhalen waarover ik het met Staf zou kunnen hebben, over vrienden en vriendinnen, waarvan “some are dead and some are living” (een groet van ons beiden over het graf aan Erik D.S. bijvoorbeeld), maar dat doen we dan wel eens another time, another place…

Ronny De Schepper

(*) Deze tekst heb ik geschreven tijdens en onmiddellijk na de lezing van zijn proefschrift (dat moet dus eind 1973 geweest zijn). Ik denk dat ik er vooral een aantal referentiepunten voor mezelf in kwijt wou, want eigenlijk slaat deze tekst op niets.

49 staf de wilde

2 gedachtes over “Staf De Wilde wordt zeventig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.