Het is vandaag tachtig jaar geleden dat “Bringing up baby”, de komedie van Howard Hawks, in première is gegaan.

Het is een typisch voorbeeld van een “screwball comedy”. Het begrip “screwball comedy” is niet zo meteen te vertalen. De Oxford Dictionary maakt er zich iets te gemakkelijk vanaf door te verklaren dat een “screwball” een Amerikaans slang-woord is voor “a crazy person”. Onze Urbanus b.v. is zeker een “crazy person”, maar ik zou “Hector” of “Koko Flanel” toch niet als een “screwball comedy” bestempelen.

Een “screwball comedy” haalt de humor immers wel uit de krankzinnige toestanden die kunnen ontstaan bij een verhouding, liefst tussen twee compleet verschillende types, maar dan toch met een realistische ondertoon en zonder Jerry Lewis-achtige bekkentrekkerij. “Bringing up baby” van Howard Hawks uit 1938, waarin Katharine Hepburn met haar tijger de beendercollectie van professor Cary Grant om zeep helpt, moet zowat tegelijk het beste en ook het meest bekende voorbeeld van het genre zijn. Katharine Hepburn vertolkt een levenslustige erfgename die de stuntelige paleontoloog Cary Grant aan de haak wil slaan. Hepburn blijkt de nicht te zijn van mrs. Random, die een miljoen dollar aan Grants museum wil schenken. Haar hond George gaat aan de haal met het laatste been dat Grant nodig heeft voor een brontosaurusskelet. Voeg daar nog een tam luipaard (Baby), een rare majoor en een zatte concierge aan toe en je hebt de nodige ingrediënten voor een echte screwball comedy. Het gekibbel tussen man en vrouw, grappige dialogen, een razend tempo, helse achtervolgingscènes met visuele gags ‑ een overblijfsel uit de stille slapstick comedy ‑ je vindt ze alle terug in deze film. Hepburn en Grant krijgen volop de kans om uit te pakken met hun komisch talent. Regisseur Hawks leverde nog andere parels in het genre af zoals “Twentieth Century” (1934), “His Girl Friday” (1940), “I was a male war bride” (1948) en “Monkey business” (1952).

Grant is geknipt voor dat soort rollen, maar voor Hepburn was het haar eerste komedie. Ze stelde zich vreselijk aan op de scène en ze was bovendien totaal niet grappig. Enkel toen Hawks haar kon overtuigen dat ze iedereen op de zenuwen werkte en dat ze beter gewoon kon spelen alsof het een ernstige film betrof, begon de magie te werken.

Later heeft Peter Bogdanovich het gegeven van de verstrooide professor versus de vastberaden jonge vrouw nog eens overgedaan met Ryan O’Neal en Barbra Streisand in “What’s up, Doc?” (1972).

‘Nothing Sacred’ (1937) van William Wellman wordt vaak vergeleken met Howard Hawks’ “Bringing Up Baby”. Maar scenarist Ben Hecht, nochtans ook de auteur van de anticommunistische draak “The iron petticoat”, is in “Nothing Sacred” een stuk snediger en politiek minder correct. Deze romantische comedy vertelt het verhaal van roddeljournalist Wally Cook (Fredric March), die de ‘naderende’ dood van een meisje, Hazel Flagg (Carole Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit ‑ onweerstaanbaar ‑ liefde.

In de klassieke screwballkomedie “Ball of Fire” van Howard Hawks uit 1941 duikt een nachtclubzangeres (Barbara Stanwyck) onder in een huis vol professoren. Eentje onder hen (Gary Cooper) is wel zeer gefascineerd door haar taalgebruik, want het Amerikaanse dialect uit de jaren 30 en 40 zat immers vol vreemde uitdrukkingen. Die doorstonden niet allemaal de tand des tijds, maar klinken bijna een eeuw later nog steeds geweldig in de oren.
Sommige woorden kregen gewoonweg een andere betekenis. Nu denken we bij het woord ‘lettuce’ gewoonlijk aan sla. Zo’n honderd jaar geleden kon je er ook iets anders groen en overheerlijk mee benoemen: verse geldbiljetten.
In een ouderwetse screwball staat zoals gezegd de spanning tussen mannen en vrouwen centraal. De schrijvers van die tijd hadden termen in overvloed om mooie vrouwen te benoemen. Een knap meisje kon niet alleen een ‘dream puss’ zijn, maar ook een ‘rare dish’, ‘whistle bait’ of een ‘stick chick’. Dat de Tweede Wereldoorlog om de hoek loerde, lag allicht aan de basis van de volgende term:
een ‘destroyer’, nog een synoniem voor een knappe dame. Mannen moesten met minder tevreden zijn: een ‘drooly’, ‘swoony’ of’glad lad’ werden ze genoemd. Een ‘fuddy-duddy’ noem je iemand die zich nog steeds van zulke woorden bedient. Die
is namelijk ouderwets.
De verklaring dat screwball uit baseball afkomstig is, lijkt me dan ook veel logischer en dat niet alleen omdat John Doe in de film van Frank Capra letterlijk een “screwball” wordt genoemd, terwijl hij ook een baseball-speler is. Nee, veel meer omdat het daar “een bal waarmee men alle kanten op kan” betekent. En in feite is dat ook het thema van een screwball comedy: van bij de aanvang is het duidelijk dat de twee personen (uiteraard van verschillend geslacht) “voor elkaar gemaakt zijn”, maar ze zijn zozeer elkaars tegengestelde dat het niet duidelijk is hoe dit ooit gaat gebeuren. Men heeft hier ook de reden gezocht waarom dit genre nu juist zo populair was in een periode van economische crisis. Ondanks alle moeilijkheden heeft men immers toch de zekerheid dat het goed afloopt.

Vergeten we ook niet dat die moeilijkheden vaak ook klasseverschillen waren! En dan was het meestal de man die lager op de sociale ladder stond dan de vrouw. De vrouwen in screwball comedies zijn trouwens meestal de meerdere van de mannen. Ze zijn geestiger, ondernemender, soms zelfs intelligenter, al eindigt het natuurlijk wel plichtsgetrouw in een huwelijk, waarbij de vrouw haar eigen carrière opzij zet en moeder aan de haard wordt. In “Adam’s rib” (George Cukor, 1949) b.v. komen Spencer Tracy en Katharine Hepburn als advocatenechtpaar tegenover elkaar te staan in een proces over een poging tot moord. Diezelfde Katharine Hepburn mag in “The Philadelphia Story” van George Cukor (regie) en Joe Manciewicz (scenario) uit 1940 weliswaar een hele film lang het vrijgevochten (rijke) vrouwtje spelen, maar uiteindelijk kiest ze toch voor de conventie door haar eerste man (Cary Grant) boven de artistieke bohémien (James Stewart) te stellen.

Toch is het “progressieve” aan deze film dat Grant (die hierin Katharine Hepburn voor de tweede maal trouwt) zich blijkbaar veel minder zorgen maakt over het dronken nachtje dat Stewart en Hepburn samen doorbrachten dan de oorspronkelijke echtgenoot-in-spe. Dat deze nouveau riche in de macht is van bladen als “Dag Allemaal”, waartegen de Eastcoast-elite (om te weten wat ik onder deze term versta kan ik naar het boek “The age of innocence” van Edith Wharton verwijzen, of beter nog naar de verfilming ervan door Martin Scorsese) samenzweert, wordt al te gemakkelijk als negatief beschouwd, terwijl het anderzijds toch ook zijn afkomst als mijnwerker zou kunnen zijn. Daar stelt men dan tegenover dat de berooide schrijver wél door de betere kringen wordt aanvaard, omdat hij brains heeft. Maar wat dan met de voortdurende toespelingen op het feit dat hij wel eens iets van de bruidschat zou kunnen meepikken. Conservatief is alleszins hoe fotografe-kunstenares Ruth Hussey toch voor de bijl gaat voor Stewart, ondanks het feit dat hij vóór haar ogen een huwelijksaanzoek doet aan Hepburn.

Het feit dat Hepburn op vijf minuten tijd driemaal van huwelijkspartner verwisselt, wordt door sommigen wel afgedaan als kritiek op de instelling als een pure bourgeois-instelling en men verwijst daarvoor naar de komedies van Oscar Wilde. Inderdaad, gebaseerd op het toneelstuk van Philip Barry (voor de film bewerkt door Donald Ogden Stewart) zijn het vooral de dialogen die deze screwball comedy redden. En zeker niet de schmalzerige bij de jazz aanleunende muziek van Franz Waxman.

Er zijn wel beroemde uitzonderingen op de traditionele huwelijksmoraal, zoals “His girl’s friday” van Howard Hawks uit 1940, naar het stuk van Ben Hecht, of “Sullivan’s travels” van Preston Sturges uit 1941. Sturges is ook de auteur van “Easy Living” (in 1937 verfilmd door Mitchell Leisen), wat door sommigen als het hoogtepunt van de screwball comedy wordt geciteerd.

Zelfs Alfred Hitchcock draait in 1941 een screwball comedy (“Mr.and Mrs.Smith”) als vriendendienst aan Clark Gable, de man van Carole Lombard. Net op tijd, want zij verongelukte kort daarop.

In 1937 had ze al “Nothing Sacred” gedraaid van William A.Wellman, een klassieke screwball comedy in vroege Technicolor die vaak wordt vergeleken met “Bringing Up Baby”, dat echter pas een jaar later uitkwam. Bovendien is “Nothing Sacred” een stuk geestiger, snediger en politiek minder correct.

Deze romantische comedy vertelt het verhaal van een roddeljournalist (March), die de ‘naderende’ dood van een meisje (Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit natuurlijk een onweerstaanbare liefde. Producer David O. Selznick deed voor deze film beroep op William A. Wellman (1896‑1975). ‘Wild Bill’ Wellman was al een zeer gewaardeerd cineast tijdens de stille periode (o.m. met “Wings”, 1927), maar het was vooral met zeer uiteenlopende films als het bikkelharde “Public Enemy” (1931), het veel bekroonde “A Star is Born” (1937) en “Nothing Sacred” dat Wellman zich op de eerste rij van de Hollywood-regisseurs plaatste.

Hays Code

Met die (relatieve) vrouwelijke superioriteit zijn de screwball comedies eigenlijk toch wel uitzonderlijk, want doorgaans lopen vrouwen er voor spek en bonen bij in komedies. Het typevoorbeeld daarvan is de Engelse kortfilm “It’s your move”, waarin zowat alle Engelse komieken van die tijd optreden en slechts één vrouw. Haar rol bestaat er bovendien uitsluitend en overal in een (overigens zeer mooi) slipje rond te rennen wat aanleiding geeft tot seksistische grappen.

Screwball comedies gaan dus essentieel over seks, al valt er zo goed als niets in te zien op dat vlak, want ze vielen onder de restricties van de puriteinse Hays Production Code, die tijdens het draaien van de komische musical “The Merry Widow” (1934) van Lubitsch officieel werd ingesteld. “Seduction is never the proper subject for comedy,” zei de code. De film diende dan ook met een flinke scheut “Lubitsch‑touch” overgoten om de censors niet voor het hoofd te stoten en sprankelt daarom van inventieve humor. De dialogen zitten immers meestal vol met dubbele bodems.

“Trouble in Paradise”, eveneens van Lubitsch, is een klassiek toonbeeld van de sophisticated comedy waarmee Lubitsch’ naam onlosmakelijk verbonden is. De vederlichte suggestie waarmee hij censuurregels subtiel opzij schoof groeide uit tot een begrip: de Lubitsch-touch. Officieel gold de Hays Production Code, de censuur die Hollywood zichzelf oplegde, in 1932 nog niet. Maar de regels waren reeds bekend en richtinggevend, waardoor Lubitsch niet expliciet kon tonen wie wie verleidde. Maar het komisch effect van personages die steeds weer verschijnen in deuropeningen van andermans kamer, zegt genoeg.

Lubitsch had in zijn Duitse periode trouwens zelf nog komische rollen vertolkt, zo b.v. in “Dokter Satanssohn” van Edmund Edel uit 1916, waarin hij een komische draai geeft aan het bekende Faust-thema. Hier is het een oudere vrouw die er per se jong wil blijven uitzien (Cher?) en daarom tovert hij haar in het lichaam van haar dochter. Haar dochter zelf wordt in een beeldje veranderd. En alvast de verjongde moeder leefde nog lang en gelukkig… op voorwaarde dat ze zich niet liet kussen. Ook hier is er dus weer een parallel met Cher, want ik denk dat die zich met al die plastische chirurgie ook niet mag laten kussen…

Met “The miracle of Morgan’s creek” (1944) liep Preston Sturges toch bijna tegen de lamp. Nu ja, het gegeven was dan ook niet mis. Norval Jones (Eddie Bracken) werkt als kleine bediende bij een bank. Hij was maar al te graag militair geworden, maar door zijn zwakke gezondheid was het onmogelijk zijn dromen te realiseren (in oorlogstijd was het blijkbaar een courant thema om de thuisblijvers te “excuseren” wegens hun zwakke gezondheid, denk maar aan “Hail the conquering hero!” van diezelfde Preston Sturges een jaar eerder met eveneens Eddie Bracken in de hoofdrol). Norval is altijd al verliefd geweest op Trudy (Betty Hutton). Hij is dan ook in de wolken wanneer ze hem voorstelt om samen naar de film te gaan. De volgende ochtend komt Trudy thuis, maar ze kan zich niets herinneren van haar avondje uit. Later vertelt ze haar zus Emmy (Diana Lynn) dat ze getrouwd is met een soldaat, wiens naam ze niet eens meer kent. Nog later ontdekt ze dat ze zwanger is. Emmy stelt dan voor dat Trudy met Norval zou trouwen…

In “The Philadelphia Story” draait de plot eveneens rond het feit of een dronken Katharine Hepburn het nu al dan niet met een al even dronken James Stewart heeft gedaan. Maar belangrijker nog is dat heel de film wordt gesuggereerd dat het échte conflict gaat over het feit dat ze frigide is. Ze wordt herhaaldelijk een “bronzen beeld” genoemd, een “onaantastbare godin”, een “eeuwige maagd” of een “ouwe vrijster ondanks het feit dat ze getrouwd is”. Ook het drankprobleem van haar man (Cary Grant) wijst in de richting van haar ontoeschietelijkheid in bed. Alcohol zal voor haar uiteindelijk ook de catalysator zijn, zij het dus dat ze eerst ontdooit in de armen van schrijver/bonvivant Stewart. Vijftien jaar later zal dit scenario nog eens worden overgedaan in “High Society” van Charles Waters. Grace Kelly kiest hierin uiteindelijk toch voor de “True Love” van haar vroegere partner Bing Crosby, nadat Frank Sinatra, die dan wel een jazz singer is en geen schrijver.

Anderzijds kan dit niet altijd gezegd worden van Frank Capra, de man die dus als “vader” van het genre wordt beschouwd. Zijn komedies zijn eerder maatschappelijk-moralistisch (b.v. “Mister Deeds goes to town” uit 1936, “You can’t take it with you” uit 1938, “Mr.Smith goes to Washington” uit 1939, “Meet John Doe” uit 1941 of “It’s a wonderful life” uit 1946), het genre “feelgood”-movies dat rond kerstmis de bioscopen teistert.

Daar staat tegenover dat men nu ook niet moet beweren dat Frank Capra steeds zeemzoet was. Eén van de beste voorbeelden daarvoor is “Arsenic and old lace” uit 1944, waarin Cary Grant wanhopige pogingen doet om zijn eerbare tantes Josephine Hull en Jean Adair te doen inzien dat eenzame oude heren deze wereld uit helpen géén werk van barmhartigheid is.

Travestie

Het succes van de screwball comedy liep tot in de jaren vijftig, toen de seksuele grenzen toch wat werden verlegd (met als hoogtepunten “The seven year itch”, “Some like it hot” en “The girl can’t help it”), al bleef het hypocriete Hollywood ook bestaan in de films met Doris Day (van “Tea for two” van David Butler met Gordon MacRae in 1950 tot “Pillow talk” van Michael Gordon met Rock Hudson in 1959). Met name in het geval van deze laatste weet men tot wat hypocrisie kan leiden!

Films als “I was a male war bride” (de reputatie van Cary Grant moet in deze film van Howard Hawks uit 1949 nog onbesproken geweest zijn, want anders had hij de rol zeker geweigerd) en “Some like it hot” waren ook de aanzet voor een aantal komedies waarin travestie een onmisbaar onderdeel van de plot is: “Tootsie”, “Mrs. Doubtfire“… Zelfs het omgekeerde gebeurde een enkele maal in “Victor, Victoria” van Blake Edwards uit 1982.

In de jaren zestig verdwijnt het screwball-genre omdat Hollywood vijandig reageerde op het feminisme en de seksuele revolutie. Zo is “The graduate” in de grond eerder een tragedie dan een komedie. En men waagde het zelfs om Jack Lemmon opnieuw tegenover een man uit te spelen (Walter Matthau in “The odd couple” van Gene Sachs), maar deze keer zonder een nieuwe Marilyn Monroe in de buurt!

Een typisch voorbeeld voor het soms wat stoute, maar over het algemeen toch wel berouwvolle meisje wordt Shirley MacLaine, die na “The Apartment” en “Irma la douce” van Billy Wilder in tal van dergelijke rollen wordt gecast, zoals “My geisha” van Jack Cardiff uit 1962 of “John Goldfarb, please come home” van John Lee Thompson uit 1964 (*).

In mindere mate wordt de seksuele revolutie ook gestalte gegeven in “There’s a girl in my soup” van Roy Boulting met Goldie Hawn als vrijgevochten Amerikaans meisje in een meer conservatieve Engelse omgeving. Een terechte keuze, aangezien zij daarvóór de kost verdiende als stripteaseuse. Zij zal dan ook zowat de opvolgster worden van Shirley MacLaine. In 1980 is het bijgevolg niet toevallig dat zij door regisseur Jay Sandrich en vooral door scenarist Neil Simon wordt uitgekozen om de hoofdrol te vertolken in “Seems like old times”, de hommage van Simon aan de screwball comedies. Als tegenspeler werd Chevy Chase uitgekozen, die voor sommigen blijkbaar dé screwball-acteur van dat moment was, maar ook al is hij hier beter dan gewoonlijk, toch blijf ik hem maar tweede garnituur vinden. Daarvoor baseer ik me dan vooral op de National Lampoon-reeks.

In de jaren tachtig duikt het screwball-genre in een aangepaste vorm opnieuw op, met name in “Broadcast News” van James Brooks, dat men kan zien als een hedendaagse herwerking van “His girl’s friday”. Nu is Holly Hunter immers de baas van William Hurt!

(*) In 1972 trachtte Shirley zich aan dat imago te ontrukken door de hoofdrol te aanvaarden in een zogenaamde horror-thriller “The possession of Joe Delaney” van Waris Hussein. De film – en vooral nog de acteerprestatie van MacLaine – werd zodanig weggehoond dat ze vijf jaar van welke filmset dan ook verwijderd bleef.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s