Het is ook al vijftig jaar geleden dat de controversiële Amerikaanse auteur Dorothy Parker is gestorven.

Dorothy Parker werd geboren als Dorothy Rothschild op 22 augustus 1893, maar van geboorte was ze helemaal niet rijk, al lijkt haar familienaam dit wel te suggereren. Dat was wel het geval met haar man Edwin (Eddie) Pond Parker II, met wie ze evenwel “sub rosa” is gehuwd op 30 juni 1917, aangezien zijn familie duidelijk haar afkeuring liet blijken. Dat huwelijk had alles te maken met de oproeping van Eddie als ambulancier in de Eerste Wereldoorlog. Die houdt daar evenwel een trauma aan over en geraakt verslaafd aan morfine en alcohol.
Dorothy van haar kant is ondertussen P.G.Wodehouse opgevolgd als theatercriticus bij Vanity Fair. Op de redactie wordt ze nauw bevriend met Robert Benchley en Robert Sherwood. Samen met nog een aantal andere (latere) beroemdheden uit New York vormen ze in de zomer van 1919 in Hotel Algonquin “the vicious circle”. Enerzijds slaat dit op de ronde tafel die de eigenaar (Frank Case) voor hen reserveert, maar het heeft natuurlijk ook te maken met het giftige sarcasme waarmee iedereen die niet tot de groep behoort, wordt bekritiseerd. Zo onder andere hoofdredacteur Condé Nast van Vanity Fair, die daar in januari 1920 lucht van krijgt en zowel Sherwood als Parker ontslaat.
Van dan af gaat Dorothy Parker free-lance, maar haar privé-leven is “a mess”, waardoor ze aan alcohol verslaafd raakt en ook een paar zelfmoordpogingen onderneemt. Dit alles heeft uiteraard ook een negatieve invloed op haar werk als journaliste en schrijfster. Anderzijds grijpt de executie van Sacco en Vanzetti op 23 augustus 1927 haar zo aan dat ze van dan af ook sociaal geëngageerd werk gaat schrijven. Ze scheidt dat jaar ook van Eddie Parker, maar behoudt wel zijn naam. “Daarvoor ben ik juist met hem getrouwd,” is haar commentaar.
Ze publiceert ook twee dichtbundels (“Enough Rope” in 1926 en “Sunset Gun” in 1928) die door de kritiek enthousiast worden onthaald, maar waarmee ze zelf niet hoog oploopt. Desondanks zijn vele van de niet zo veel gepubliceerde gedichten (*) best lezenswaard en vooral ook interessant omdat ze een kijk bieden op de persoonlijkheid van Parker. En op haar culturele achtergrond, want met haar verzen verwees zij qua stijl naar dichters als Horatius, satire, Catullus, lyrisch en cynisch, en vooral Martialis met scabreuze en venijnige epigrammen om de burgerij in haar hemd te zetten. Zij schreef vaak kwatrijnen waarbij de clou in de laatste regel opdook (cfr.Martialis). Een voorbeeld: “Het leven is mooi/ De wereld een lustoord van vrede/ En liefde is trouw, zoals liefde moet zijn/ En ik ben de Koning van Zweden.” Grappig, ironisch, bitter, meestal eenvoudig, ook pijnlijk. “Een scheermes doet pijn/ Een pistool is onwettig/ En slaappillen zijn/ Voor je maag niet zo prettig/ Een strop is een strop/ Dynamiet overdreven/ Je kunt – hou maar op!/ Nog het best blijven leven”.
Hetzelfde thema nam zij op in het kortverhaal “Big Blonde”, dat als haar meesterwerk wordt beschouwd: het hoofdpersonage loopt ook het lijstje af, besluit tot Veronal, wat uiteindelijk nog mislukt… Ze weegt niet echt zwaar de poëzie van Parker, maar een glim- of grijnslach is er toch wel. Poëzie van de roaring twenties. “This living, this living, this living/ Was never a project of mine.” Nee, zij keek het leven niet echt vrolijk tegemoet.
Parker publiceerde ook twee bundels korte verhalen. ‘Laments for the Living’ (1930) en ‘After Such Pleasures’ (1933). 32 verhalen, en het mag ons spijten dat het zo’n beperkt aantal is. Want de meeste verhalen zijn juweeltjes. Intriest, dat wel – veel vrolijkheid mag je van Parker niet verwachten.
Vaak is een verhaal een monoloog. Geen monologue intérieur, want meestal is er wel een partner aanwezig (lijfelijk of aan de telefoon) maar diens woorden moet de lezer verzinnen. En dat is telkens de kracht; dit isoleert het personage. De eenzaamheid wordt van een grenzeloze diepte, soms huiveringwekkend.
In ‘Een telefoontje’ bidt en smeekt een vrouw om – na een afgedwongen belofte – een telefoongesprek te krijgen van haar geliefde; dat niet komt, uiteraard. Voor de lezer is het duidelijk, de geliefde heeft haar in de steek gelaten. In het verhaal ‘Florence Nightingale’ maken we de ‘monoloog’ mee van een bekommerde vrouw aan het ziekbed van haar vriendin. Naarmate de plot evolueert ziet de lezer in dat het over abortus gaat, maar merkt hij ook hoe schijnheilig de bezorgdheid in wezen is. De patiënte is woordeloos aanwezig, dat maakt haar situatie des te schrijnender, overgeleverd aan haar verzorgster.
En dan is er ‘De wals’, komischer weliswaar, een jongedame die niet van dansen houdt maar tegen wil en dank de dansvloer opgesleept wordt. Meteen een bittere pil voor de high society die het wel in meer verhalen te verduren krijgt. Net zoals één schitterende tekst over het racisme hoewel het woord nergens opduikt. Suggestief, komisch bijna maar daarom des te scherper zet Parker een zogezegde niet-racistische vrouw in haar hemd. (‘Arrangement in zwart en wit’). Suggestief… zij wordt nooit expliciet.
En dit is een andere kracht van haar verhalen: de Iceberg theory. De lezer ziet een tiende van wat er staat. De rest vult hij in. Karakter, verhaal (voorafgaand, toekomst), bedoelingen… Parker blijkt hierin een meester. Evenals in het gebruik van verrassende plots. En stilistisch is zij evenmin te onderschatten. “Het stilzwijgen van meneer had iets krampachtigs (..) dat van kleine mevrouw Murdoch was het zoete, verre stille stilzwijgen van iemand die zich overgeeft aan dromen” (uit ‘Roem bij daglicht’). Waarmee de personen en hun relatie getekend zijn. Of deze uit ‘Een goede beste oude heer’: “Het behang had de kleur van muffe mosterd”. En och dat cynisme in het verhaal over een koppel, pas drie uren gehuwd, in de trein op reis, deze bemerkingen: “Zij zag er zo nieuw uit als een gepeld ei (..) De jongeman bestudeerde zijn polshorloge alsof hij net bezig was het klokkijken onder de knie te krijgen” (uit ‘Daar zitten we dan’). Uiteraard ontaardt het in ruzie, Parker is Parker! Hoewel hier toch nog een verzoening als slot, nu ja drie uren gehuwd…
Dankzij een vroegere vrijer, Howard Dietz, wordt ze aangenomen bij MGM, maar buiten wat gewriemel aan de dialogen van “Madame X” en een liedje voor de film “Dynamite” van Cecil B.DeMille (“How am I to know”) komt er niet veel van terecht en haar contract wordt niet verlengd.
Na nog een paar schandalen op Broadway (de stukken “Here today” van George Oppenheimer en “Merrily we roll along” van George S.Kaufman en Moss Hart voeren een personage ten tonele waarin men gemakkelijk Parker kan herkennen) en alweer een zelfmoordpoging, huwt ze in 1933 met Alan Campbell, een medewerker van “The New Yorker”. Samen trekken ze toch weer naar Hollywood, waar ze als scenaristen o.a. aan de films “One hour late”, “Lade be careful” en “Here is my heart” meewerken.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Campbell opgeroepen, maar hij moet niet naar het front, hij wordt geposteerd in Londen. Blijkbaar heeft hij daar een rijke aristocrate leren kennen, want op het einde van de oorlog, schrijft hij aan Dorothy dat hij niet van plan is weer te keren. In november 1945 sterft bovendien Robert Benchley, door wiens dood Dorothy sterk aangegrepen is. (Ook andere leden van “the vicious circle” zullen vroegtijdig – meestal door alcoholmisbruik – sterven, zoals Ring Lardner, Ruth Hale, Heywood Broun en Charles MacArthur.)
Een jaar later keert Alan dan toch terug naar de VS, maar het is enkel om de echtscheiding voor te bereiden, die in de herfst van 1947 wordt uitgesproken. Goed nieuws is dan weer dat Dorothy en Frank Cavett een oscarnominatie krijgen voor “Smash-up, the story of a woman” van Stuart Heisler. Niet moeilijk eigenlijk, want het is het verhaal van een zangeres die ten onder gaat aan de drank (rol van Susan Hayward).
Deze samenwerking met Cavett was slechts eenmalig, maar vanaf 1948 begint Dorothy een intense samenwerking met Ross Evans, een radioreporter die van zichzelf vindt dat hij “tot meer in staat is”. Ze vormen ook in het dagelijkse leven een koppel. Een jaar later is het alweer afgelopen en nog een jaar later trouwt ze voor de tweede keer met Alan Campbell.
In april 1952 moet ze voor de McCarthy-commissie verschijnen. Ze ontkent dat ze ooit lid is geweest van de Communistische Partij en daagt de commissie uit het tegendeel te bewijzen. Die slagen daar niet in, maar toch komt ze tot 1955 op de Zwarte Lijst terecht. Deze periode heeft alweer een nefaste invloed op haar huwelijk, omdat Campbell vreest dat ook hij zal worden gedaagd. Na een paar fikse ruzies gaat het paar opnieuw uit elkaar.
Het eerste project waaraan Dorothy meewerkt na haar “blacklisting” is “Candide”, de operette van Leonard Bernstein op een tekst van Lillian Hellman (eveneens “geblacklist”). Dorothy’s financiële toestand is ondertussen allesbehalve briljant, maar ze wordt gered door het magazine “Esquire”, waar ze gedurende vijf jaar als literair criticus aan de slag kan. Ze zal op die tijd meer dan 200 boeken bespreken. Toch zal ze uiteindelijk worden ontslagen omdat ze haar bijdragen niet op tijd binnen levert.
Ze krijgt dan een post van “visiting professor” toegewezen aan de universiteit van Los Angeles, maar aangezien de studenten in haar ogen totale nullen zijn op het gebied van literatuur, is ze één les op drie afwezig.
In april 1961 werkt ze opnieuw samen met Alan Campbell aan wat de volgende film van Marilyn Monroe zou moeten worden (“The good soup”), maar Marilyn sterft tijdens het draaien van “Something’s got to give” en Dorothy kan haar comeback in Hollywood vergeten. Bovendien sterft Campbell zelf op 14 juni 1963, waarna Dorothy zich meer dan ooit in de drank gooit. Haar gezondheid gaat dermate achteruit dat ze een privé-verpleegster in dienst moet nemen om haar te wassen en aan te kleden. Uiteindelijk zal ze op 7 juni 1967 sterven aan een hartaanval. Lillian Hellman is haar testamentaire executrice. Ze weigert elke medewerking aan organisaties die daarom verzoeken, maar met het geld dat Dorothy heeft nagelaten, richt ze op haar aanvraag wel The National Association for the Advancement of Colored People op.
Samengevat kunnen we zeggen: eenzaamheid, onbegrip, afstand, egoïsme, nee vrolijk word je niet van de verhalen van Dorothy Parker. Maar dat was ook niet haar bedoeling. Tenslotte schreef zij zelf deze ode aan het (haar) graf: “And I lie here warm, and I lie here dry/ And watch the worms slip by, slip by”.
Jennifer Jason Leigh was in 1994 te zien als de controversiële schrijfster in de film “Mrs.Parker and the vicious circle” van Alan Rudolph (zie foto).

Johan & Jan de Belie-Segers

(*) In het Nederlands vertaald door Ivo de Wijs.

Referenties
John Keats, You might as well live: the life and times of Dorothy Parker.
Marion Meade, Dorothy Parker: what fresh hell is this?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.