De Engelse zanger, pianist en componist Elton John viert vandaag zijn zeventigste verjaardag.

Elton John begon zijn carrière in de Sixties bij de groep Bluesology (*). Dat zou nu ongetwijfeld een supergroep worden genoemd aangezien ook Marsha Hunt er deel van uitmaakte. Samen namen ze echter niet hun eigen muziek op, maar tal van anonieme elpees op in de reeks “Top of the Pops”, waarop ze de hits van dat moment naspeelden. Het is merkwaardig dat niemand tot nu toe de moeite heeft gedaan na te trekken over welke elpees het in deze eindeloze reeks nu precies gaat. Men mag trouwens veronderstellen dat er op de latere elpees dan weer andere bekenden meespelen, maar nee, er is blijkbaar een ongeschreven overeenkomst dat dit met de mantel der liefde wordt bedekt…
Elton John zou kort daarna gaan samenwonen met zijn “verloofde” Linda Woodrow en zijn tekstschrijver Bernie Taupin die hij via een schrijversauditie van Melody Maker had ontmoet (“Hij is mij gevolgd, mama. Mag ik hem houden?”). Hun eerste officiële samenwerking “I can’t go on living without you” wordt in 1968 op een haar na uitgezonden naar het Eurovisiesongfestival…
Elton heeft altijd volgehouden dat zijn relatie met Taupin louter “platonisch” was. Maar dat sluit niet uit dat Elton op een bepaald moment zo in de knoop lag met zichzelf dat hij zowaar een zelfmoordpoging ondernam. “Ik had mezelf in een hoek gewurmd. Ik wilde niet trouwen met Linda. Op een keer ging ik stappen met Long John Baldry. Hij zei tegen me: gebruik toch eens je verstand, je bent veel meer verliefd op Bernie dan op die vrouw.” (Humo 19/6/2007)
Dat de echte naam van Elton John Reginald Dwight is, dat is stilaan algemeen bekend. Maar vanwaar komt de naam Elton John? Wel, Elton komt van Elton Dean, de saxofonist van Soft Machine, en John komt van Long John Baldry, dus het staat u vrij enige kanttekeningen te maken bij die naamskeuze…
In maart 1971 werd de elpee “It ain’t easy” van Long John Baldry geproduced door zowel Rod Stewart als Elton John (elk een kant). It became Baldry’s most popular album and made the top 100 of the US album charts. The album featured “Don’t Try to Lay No Boogie Woogie on the King of Rock and Roll” which became his most successful song in the US. John’s first tour of the US was at this time. The band included, Micky Waller, Ian Armitt, Pete Sears, and Sammy Mitchell. Stewart and John would again co-produce his 1972 album Everything Stops For Tea which made the lower reaches of the US album charts. The same year, Baldry worked with ex-Procol Harum guitarist Dave Ball.
Buiten het feit dat Bluesology dus anonieme goedkope cover-lp’s op de markt bracht (die nu uiteraard een fortuin waard zijn), heeft de groep ook onder de eigen naam een single gemaakt, namelijk “Come back baby”/”Mr.Frantic” in 1965. Daarnaast begeleidden zij Amerikaanse soulartiesten op hun Engelse tournee. Zo o.a. Major Lance, Patti Labelle, Billy Stewart en zelfs de veel oudere vocal group The Ink Spots.
De twee shows die Elton John in februari ’79 in Antwerpen heeft gegeven met percussionist Ray Cooper heb ik niet gezien, maar dankzij de registratie van hetzelfde concert in… de Sovjet-Unie heb ik toch kunnen vaststellen dat dit « grote klasse » was. Tijd dus voor een revanche als Elton op zondag 9 en maandag 10 mei 1982 (om 20.30 u) naar Vorst-Nationaal komt. Deze keer heeft hij een groep achter zich waarmee hij al jaren samenspeelt : gitarist Davey Johnstone, bassist Dee Murray en drummer Nigel Olsson.
Net zoals de meeste van mijn leeftijdsgenoten heb ik Elton John leren kennen bij zijn eerste officiële solo-elpee « Tumbleweed Connection » (1971), maar alhoewel het mooie « Your song » erop stond, was ik er hoegenaamd niet zo van ondersteboven als van « Every picture tells a story » van Rod Stewart, dat eveneens rond die tijd verscheen.
Die vergelijking met Stewart is dus niet toevallig, want buiten hun voetballiefde en hun biseksueel image hebben deze twee heren heel wat belangrijker zaken gemeen. Zo zijn zij de enigen uit de groep Bluesology die het echt tot supersterren hebben geschopt, terwijl andere talenten als Long John Baldry, Brian Auger of Zoot Money steeds op hun honger (soms letterlijk) zijn gebleven. En dat alhoewel Baldry in die tijd een grote bek opzette, daar waar Stewart en vooral Reg Dwight (zoals Elton John echt heet) een lel van een minderwaardigheidscomplex met zich mee sleurden.
Overigens had ook Jeff Beck die overeenkomst bemerkt want toen Rod Stewart aan zijn klauwen ontsnapt was, bood hij Elton John na « Tumbleweed » aan om bij hem in de groep te komen… voor 10 % tegen 90 voor Beck zelf. Maar gelukkig wilde Johns manager daar niks van horen en dat kwam goed uit want met « Honky Château » brak Elton helemaal door (1972). Op de derde (« Don’t shoot me I’m only the piano player ») stonden pareltjes als « Daniel » en « Crocodile Rock », maar het was vooral « Goodbye yellow brick road » uit 1973 dat als zijn meesterwerk wordt aangevoerd.
Dan ging het echter bergaf : « Captain fantastic », « Rock of the Westies » (1975), « Madman across the water » en « Blue moves ». In 1978 liep ook zijn samenwerking met tekstschrijver Bernie Taupin op de klippen, maar « A single man » (let op de titel) mocht ondanks « Song for Guy » niet op de gunst van de critici rekenen en « Victim of love » evenmin. Toen Elton John dan naar Frankrijk trok om « 21 at 33 » op te nemen (in 1981) en terloops een duet met mooie France Gall in de groeven perste, groeide de belangstelling weer aan om nu uit te monden in een nieuwe elpee (« Jump up » met het bekende « Blue eyes ») en een nieuwe concertreeks. Nou, het zal ons benieuwen, zouden onze noorderburen zeggen.
(De Rode Vaan nr.19 van 1982)
Op 10 mei zat het Brusselse PSK afgeladen vol met enthousiaste dertigers die met Ry Cooder twee uur lang zaten te boppen tot ze droppen. Cooder zette er meteen de beuk in met « Little Sister », met onafscheidelijk haarband, in het zwart gekleed, stem in optima forma. Hij vindt zichzelf helemaal niet zo belangrijk, ook al is hij nu eens magistraal op de slide-gitaar, dan weer op de elektrische mandoline. Van zijn overige gitaren heb ik alleen de kleur onthouden, naast de eerder geroemde virtuositeit.
Het geheel wordt echter vooral en ononderbroken bepaald door die schitterende backing (nou ja, backing) vocals van een zwart heuse disco-danspasjes uitvoerend trio. De jongste dezer olijkerds verbaasde door zijn uitermate flexibele basstem, de grootste door een zeer sterke falset kopstem. In « If walls could talk » brengen ze Cooder tot een ware gospeldialoog.
Voornamelijk stevige rockmuziek toch (« Blue suede shoes ‘), « Crazy ‘bout an automobile », « It’s all over now », maar ook ontroerende nummers als „How can a poor man stand such times and live” (de crisis, weet je wel) en „Go on home, girl”.
Voorwaar, meer van dergelijk professioneel amusement met inhoud ware niet onwelkom, dachten we luidop, met twintig minuten bisnummers als resultaat!
(Herman Verspeeten in De Rode Vaan nr.21 van 1982)
Twintig minuten ? Laten we lachen, geachte heer Verspeeten : één vol uur zette op datzelfde moment Eiton John een goed bezet Vorst-Nationaal op z’n kop. Een nog beter concert dus ? Helaas niet, menen we, want het was eigenlijk toch wel lang wachten op deze apoteose. Niet alleen had Elton zijn grootste successen opgespaard tot deze exhibitie, ook zijn niet onaardige en vooral zeer sfeervolle covers van Whole lotta shakin’ goin’ on, I saw her standing there, Twist and shout en (minder) Pinball wizard, kwamen pas toen aan bod.
Het grootste gedeelte van het eigenlijke concert stond immers in het teken van zijn jongste elpee « Jump up ». Geen slechte elpee trouwens maar in Vorst niet te pruimen vanwege de vreselijke klank, alleszins vanwaar wij zaten. We hebben om zo te zeggen alles twee keer gehoord door de felle echo. Bovendien was de klankbalans vooral opgemaakt in functie van de gitaristen : een loodzware bas en gierende.gitaarsolo’s. Reken daar de rook¬gordijnen en lichteffecten bij en je had je zowaar op een hard-rock concert gewaand. Zelfs de ontroerende songs van Elton John kregen meestal zo’n “harde staart” (!) mee. En dat is niet precies our cup of tea. Maar, zoals gezegd, de bisnummers maakten veel goed.
(Jan Segers in De Rode Vaan nr.21 van 1982)

(*) Hij deed in die tijd ook nog ander studiowerk. Zo wil een hardnekkig gerucht dat hij te horen is in het achtergrondkoortje bij “Delilah” van Tom Jones.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s