Het is vandaag al tachtig jaar geleden dat de Nederlandse dichter Jan Jacob Slauerhoff is gestorven aan tuberculose.

In september 1998 was het honderd jaar geleden dat de Friese scheepsarts en dichter Jan Jacob Slauerhoff werd geboren. Nederland was meteen weer in de ban van melancholie en mythe. De gebroeders Flint toerden maandenlang met een Slauerhoff‑programma door Nederland en de Slauerhoff‑tentoonstelling in Amsterdam moest wegens overweldigende belangstelling met een maand worden verlengd. In 1995 verscheen ook al een monumentale en intrigerende biografie over Slauerhoff van de hand van Wim Hazeu.
Slauerhoff is altijd de verpersoonlijking gebleven van de zwerversziel die nergens thuis is. Zowel zijn reisverhalen als zijn gedichten getuigen daarvan : “Alleen in mijn gedichten kan ik wonen“. Als jonge scheepsarts ontvlucht hij het kleinburgerlijke Nederland en reist naar Nederlands‑Indië en China, vestigt zich een tijd in Tanger, bezoekt Zuid‑Amerika en verblijft geregeld in Frankrijk en Spanje. Over zijn zeereizen publiceert hij talrijke Reisbeschrijvingen.
De Franse dichter Rimbaud is voor de romantische, rusteloze Slauerhoff een geestesverwant. Maar ook iemand als de Portugese banneling Camoës, waarvan hij de geest tot leven wekt in zijn roman Het verboden rijk. Ook zijn personages zijn hopeloos op zoek naar geluk. Uit Slauerhoffs werk spreekt de stem van de zee en de sfeer van het verre oosten, maar mede door zijn zwakke gezondheid die hem uiteindelijk ook voortijdig de dood zal injagen kan hij nergens echt aarden.
Wie een dieper inzicht wenst te verkrijgen in de mens Slauerhoff is vast gebaat bij ‘Een varend eiland; brieven’ (Privé-Domein 288; Arbeiderspers; 2016). Na een degelijke uitgebreide inleiding van Hein Aalders selecteerde dezelfde uit het ruime aanbod brieven vanaf 1918 tot het overlijden van de auteur de meest diverse stukken. En gezien Slauerhoff vaak op reis was betekende het geschreven woord voor hem vaak een onmisbaar contact met het thuisfront.
Opmerkelijk is wel dat daaruit blijkt dat hij niet de gedreven avonturier was zoals hij meestal wordt afgeschilderd, met een grote passie voor de zee en het reizen. Meestal klaagt hij over het leven aan boord, de eentonigheid van de oceaan, het feit dat in de havens niets te beleven is. Hij haat bijna alle plaatsen waar hij arriveert. Wat hem dan drijft tot deze talrijke opdrachten als scheepsarts? Financieel gewin. Het feit dat Holland te benepen is. Dat hij niet kan aarden in een dokterspraktijk; in feite vervloekt hij voortdurend zijn beroepskeuze waaraan hij zich gebonden weet. Ook de rusteloosheid van zijn ‘ziel’. En vooral ook zijn gezondheid die hem noopt telkens weer op zoek te gaan naar een ander, hopelijk beter klimaat – vruchteloos zo blijkt iedere keer.
De auteur ontmoeten we, uiteraard. Maar via hem ook de literatoren die belangrijk zijn in die periode. Via correspondentie met hen, en/of via wat Slauerhoff over hen schrijft. Roland Holst, Hendrik Marsman, Eddy du Perron, Weremeus Buning, Vestdijk… En de uitgevers Stols, Meulenhoff, Nijgh & Van Ditmar. De tijdschriften. Kortom het ganse literaire clubje; of beter: de clubjes met alle voors en tegens. De kleinzieligheid, de roddels, het gekibbel. “De moerasgeest” zoals hij het noemt. En: “Je weet net zo goed als ik dat Holland een land is waar voor de kunst niets te verwachten valt.” (aan Hendrik de Vries 1.9.1931).
We maken de strijd mee om een en ander te publiceren. Om betaling te verkrijgen. Voor vertalingen, uit financiële noodzaak maar meestal ook uit liefde voor de auteurs, Spaanse, Portugese… Maar bovenal blijft er de passie voor de taal, voor de poëzie: Slauerhoff vecht verder om zijn werk zuiver te houden, dwars tegen zijn tanende gezondheid in (astma, later tbc en tenslotte ook nog malaria), dwars tegen wat hij zijn ‘slordigheid’ noemt in en wat wellicht eveneens zijn oorzaak vindt in tijdgebrek en ziekte en niet in luiheid. Bovendien blijkt hij een trouwe vriend. Helaas ook vaak een eenzame vriend wegens zijn talloze reizen. En een even eenzame minnaar, de liefde maakte hem weinig gelukkig. Zelfs zijn huwelijk met de danseres Darja Collin is geen lang noch gelukkig leven beschoren en bovendien sterft hun enig kind vrijwel onmiddellijk na de geboorte.

Hoe staat Slauerhoff tegenover de poëzie? Dat blijkt gaandeweg duidelijker. Ook uit de breuk met het tijdschrift Forum en met Victor Vriesland en vooral met zijn boezemvriend Eddy du Perron. “…alles wat bezield is goed, alles wat ‘bezongen’ wordt vals. Ik geloof niet in l’art pour l’art, maar wél dat de poëzie een aparte kracht is en geen resultante van anderen.” (aan J. Schotman 21.1.1930).
Voortdurend geldgebrek, ziekte, ongelukkige liefdes, rusteloos dwalend over de wereld, zijn leven was geen rozengeur. Bovendien leed hij aan wat hij ‘periodische melancholie’ noemde. In februari 1935 schrijft hij: “Ik wou dat ik nooit een gedicht gezien had.” En op 8.1.1930 aan Adriaan Roland Holst: “Komt de ellende doordat ik mijn ideaal zo weinig zielsvol stel? Ik weiger nog steeds zielig te worden. Moet ik tevreden zijn met ’s winters wat varen en ’s zomers wat landleven? Maar wat later? Het is een schrikbeeld voor me 50 à 60 te worden en dan hulp te moeten inroepen – dus word ik al bij voorbaat kapitalistisch.” Maar dan wel een kapitalist zonder geld of goed… Een veeleer trieste poëet die vanuit een herstellingskliniek schreef (30.4.1931 aan Jo Landheer): “Ik blijf nog een week denkelijk in dit klooster. Ga dan naar huis of naar huis of naar Gistoux of naar Fez of naar zee of naar de bliksem (opklimmende reeks in waarschijnlijkheid).” Op 1.4.1936 noteerde hij nog (aan de echtgenote van een collega-arts): “Heb niet veel reden te herstellen, heb niets meer te verwachten; kan nog wat varen en mijn chronische bronchitis definitief in emfyseem laten overgaan, of in ’t Zuiden armoede, gedwongen schrijven, ook nog ’t land aan de literatuur krijgen. Van vele oude Engelse poëten heet het: ‘he died in a tavern quarrel’. Dat is nog een oplossing.”
En toch bleek hij enig optimisme te bewaren zoals blijkt uit de woorden uit een brief van 3.9.1936, een maand voor zijn overlijden, aan een goede vriendin, Heleen Lambers. “Je hebt ongelijk te denken dat ik het leven niet bemin. Meer dan de meesten heb ik ervan genoten, veel te veel soms, wat mij ook geen goed heeft gedaan. In mijn werk uit ik vaak mijn weerzin tegen de lelijke kanten van de samenleving (wat niet het leven is) en het leed van anderen. En is het feit dat ik ondanks de aller ongunstigste omstandigheden als het varen en veel ziek zijn nog zoveel produceerde, is dat niet eerder een blijk van levenslust?” Kort na dit schrijven zou zijn goede vriend, de diplomaat Reijnier Flaes, hem nog opzoeken en daarover melden: “Hij lag er, ongenaakbaar en onherkenbaar. Een onbekende uit welke verre gebieden gekomen? In zich gesloten, met zichzelf bezig, zeer superieur en eindelijk verlost.”

Johan de Belie & Ronny De Schepper

Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de’ eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

Jan Slauerhoff

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.