Vandaag viert de Texaanse country-songwriter, zanger en acteur Kris Kristofferson zijn tachtigste verjaardag. Hij is voornamelijk bekend van liedjes als “Me and Bobby McGee”, “Sunday Mornin’ Comin’ Down” en “Help me Make it Through the Night”, nummers die veelvuldig door andere artiesten zijn gecoverd en resp. bij ons bekend zijn door Janis Joplin, Louis Neefs en Gladys Knight.

Na Pomona College kreeg hij, als aankomend schrijftalent, een beurs aan de Universiteit van Oxford in Engeland. Hier begon hij liedjes te zingen en te schrijven, waarna hij ontdekt werd door de manager Larry Parnes. Onder de naam Kris Carson nam hij platen op voor Top Rank Records. De platen waren echter niet succesvol.
In 1960 studeerde hij af in Engelse literatuur. Hij trouwde een oude schoolvriendin en ging bij de U.S.Army. Hier werd hij helikopterpiloot in West-Duitsland.
In 1965 verhuisde hij naar Nashville om daar een professioneel schrijver van countrymuziek te worden. Zijn eerste succes scoorde Kristofferson met “Viet Nam Blues”, een nummer dat was opgenomen door Dave Dudley in 1966. Tussen 1967 en 1969 scoorden verscheidene muzikanten grote countryhits met nummers die door Kristofferson waren geschreven, Roy Drusky (“Jody and the Kid”), Billy Walker & the Tennessee Walkers (“From the Bottle to the Bottom”), Ray Stevens (“Sunday Mornin’ Comin’ Down”), Faron Young (“Your Time’s Comin'”) en Jerry Lee Lewis (“Once More with Feeling”).
Als songwriter was hij in die tijd verbonden aan Columbine Music van Fred Foster. Roger Miller besloot drie nummers van hem op te nemen: “Me and Bobby McGee”, “Best of All Possible Worlds” en “Darby’s Castle”. “Me and Bobby McGee” werd in deze uitvoering een grote countryhit. Als artiest kreeg hij ook de nodige aandacht dankzij Johnny Cash, die hem introduceerde op het Newport Folk Festival. Met Foster tekende hij een platencontract bij het onafhankelijke label Monument Records. In april 1970 bracht hij zijn debuutalbum “Kristofferson” uit, waarop behalve enkele oude liedjes als “Me and Bobby McGee” en “Sunday Mornin’ Comin’ Down” ook nieuwe nummers als “Help Me Make It Through the Night” staan. Het album verkocht echter vrij slecht.
Andere artiesten scoorden in 1970 echter wel hits met zijn composities. Johnny Cash scoorde een grote hit met “Sunday Morning Coming Down”, Ray Price met “For the Good Times” en Sammi Smith met “Help Me Make It Through the Night”. Opvallend genoeg werd “Sunday Morning Coming Down” uitgeroepen als beste song van het jaar door de Country Music Association, terwijl “For the Good Times” door Ray Price uitgeroepen werd tot beste song van het jaar door de rivaliserende Academy of Country Music.
Voor het eerst kreeg Kristofferson erkenning buiten de countrymuziek toen Janis Joplin in 1971 postuum een nummer-één-hit scoorde met “Me and Bobby McGee”. Dat jaar kwam ook Kristoffersons tweede album uit, “The Silver Tongued Devil and I”. Dit album werd wel een groot succes en Kristofferson kreeg uiteindelijk ook erkenning als muzikant.
In 1971 werd Kris Kristofferson door Dennis Hopper gevraagd om de soundtrack te schrijven van zijn film “The Last Movie”. In deze film maakte hij zijn acteerdebuut in een kleine filmrol. Ook trad hij op op het Isle of Wight Festival. In 1972 had hij een grotere filmrol in “Cisco Pike”, tegenover Gene Hackman.
Vanaf 1973 ging hij zich meer op het acteren richten. Hij speelde onder andere in “Blume in Love” van Paul Mazursky, maar viel vooral op als Billy the Kid in “Pat Garrett and Billy the Kid” van Sam Peckinpah. “Pat Garrett and Billy the Kid” was eigenlijk een project van James Coburn, who wanted to play the legendary sheriff Pat Garrett. Peckinpah casted Kris Kristofferson as the outlaw, although Kristofferson was 36 when the film was made, playing 21-year-old Billy the Kid. Kristofferson’s band would play small roles, along with his wife Rita Coolidge, waarmee hij een legendarische bedscène draaide.
Kristofferson also brought Bob Dylan into the film, initially hired to write the title song. Peckinpah had never heard of Dylan before, but was reportedly moved by hearing him play the proposed title song and hired him immediately for the smaller role of Alias. Among the songs written by Dylan for the film was “Knockin’ on Heaven’s Door,” still regarded as one of rock music’s most enduring anthems.
Op 19 augustus 1973 trouwde hij met zangeres Rita Coolidge en samen brachten ze een album uit, “Full Moon”.  Later zou een tweede album volgen, “Breakaway”. Een van de nummers die ze samen hebben opgenomen was “We must have been out of our minds”, wat niets anders is dan een bewerking van het cajunsucces “T’es jolie et t’es mignonne” van Wallace Reed.
Zijn filmcarrière ging verder, met onder andere rollen in “Bring me the Head of Alfredo Garcia” van Sam Peckinpah en “Alice Doesn’t Live Here Anymore” van Martin Scorsese.
In 1976 speelde hij in de grote filmhit “A Star Is Born” tegenover Barbra Streisand. De film was een van de grootste successen van het jaar, en Kristofferson hield er een Golden Globe voor Beste Acteur aan over. Zijn platenmaatschappij profiteerde van het succes door een best of-elpee uit te brengen in 1977, getiteld “Songs of Kristofferson”.
In 1978 speelde hij Martin Penwald, alias ‘Rubber Duck’ in de legendarische road movie “Convoy”, geregisseerd door Sam Peckinpah. Tegenspelers zijn o.a. Ali McGraw, Burt Young en Ernest Borgnine. Het script is gebaseerd op een song van C.W. McCall. Het verhaal beschrijft het ontstaan van een konvooi vrachtwagens als reactie op de willekeur van de plaatselijke politie. De truckers blijven door CB-zenders met elkaar in verbinding. Na deze film werden deze ontzettend populair.
Aan het eind van de jaren zeventig, begin van de jaren tachtig ging het echter slechter met Kristofferson. In december 1979 scheidde hij van Rita Coolidge, zijn albums wisten de albumlijsten niet te halen en de film “Heaven’s Gate”, een dure en lange film die hij in 1980 maakte met Michael Cimino (“The Deer Hunter”), kreeg zeer slechte kritieken en werd één van de beruchtste flops aller tijden.
Willie Nelson had echter een groot succes met “Willie Nelson Sings Kris Kristofferson” uit 1979. Samen met Willie Nelson, Dolly Parton en Brenda Lee nam Kristofferson in 1982 dan ook het album “The Winning Hand” op. Hij trad in 1983 voor de derde keer in het huwelijk, waaruit niet minder dan vijf kinderen zouden voortspruiten.
Nelson en Kristofferson werkten weer samen in 1985 in de supergroep The Highwaymen, een kwartet dat verder nog bestond uit Johnny Cash en Waylon Jennings. Het eerste album van The Highwaymen verkocht zeer goed in Amerika.
In 1987 bracht hij het politiek geëngageerde “Repossessed” uit, met daarop het controversiële nummer “They Killed Him”. Zijn acteercarrière kwam in 1996 opnieuw in een stroomversnelling toen John Sayles hem vroeg voor de rol als corrupte Texaanse sheriff in de film “Lone Star”. Kris Kristofferson bewees met de rol een veelzijdig acteur te zijn, en hij werd gevraagd voor verscheidene films, waaronder “Two for Texas” (1998) naar het boek van James Lee Burke, maar het hoort niet thuis in de Dave Robicheaux reeks, “Blade”, “Payback” en Tim Burtons remake van “Planet of the Apes”. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.