Toen ik vorig jaar de Franse schrijver Michel Houellebecq op televisie zag, was het duidelijk: fini le temps des partouzes! De tijd van deelnames aan groepseks is voorbij, vroeger nochtans een aangename tijdsbesteding van zijn kant. Ik wil maar zeggen: hij zag er niet uit (zie foto). Dat wil echter niet zeggen dat ik niet uitkeek naar zijn boek ‘Soumission’, dat als “Onderworpen” ook in een Nederlandse vertaling verkrijgbaar is. Integendeel, de politieke fictie (?) over een door een moslimpartij bestuurd Frankrijk in 2022 intrigeerde me enorm!

Naar aanleiding van de laffe aanslag op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo had Houellebecq de promotie van zijn boek een tijdlang opgeschort omdat een goede vriend van hem was omgekomen bij de aanslag, namelijk Bernard Maris. Maris was een linkse econoom én aandeelhouder van Charlie Hebdo. Toch was hij een bewonderaar van Houellebecq. Hij zag hem als een verlicht analist van het liberalisme. Hij wijdde zelfs een boek aan hem, ‘Houellebecq econoom’, dat in 2014 verscheen.
Een karikatuur van Houellebecq stond nog op de voorpagina van Charlie Hebdo op de dag van de aanslag. Ook waren verscheidene pagina’s gewijd aan ‘Soumission’. Vanuit linkse hoek kreeg Houellebecq uiteraard het verwijt dat zijn boek islamofobie in de hand werkte en dat hij stemmen ronselde voor het extreemrechtse Front National. Nochtans is hijzelf niet gediend door de recuperatie door Marine Le Pen, maar dat hij “la gauche” een hak wil zetten, werd duidelijk uit het interview dat de VRT van hem heeft afgenomen. Ik vond het wel straf dat Houellebecq geen politiebescherming krijgt en er ook niet om vraagt. “Je suis insouciant,” zei Houellebecq in het interview. Toch maar uitkijken, man! (*)
Anderen opperen dan weer dat “Soumission” te tam zou zijn. Het is alleszins zeer verrassend dat Houellebecq niet voor een rechtstreekse aanval heeft geopteerd, maar dat hij integendeel voor een hoofdpersonage heeft gekozen dat zich uiteindelijk tot de islam bekeert. Daarom ook dat ik zo verbaasd ben, dat iedereen er maar voetstoots vanuit gaat dat de titel “Soumission” zou slaan op de onderwerping van Frankrijk (en tevens zowat heel West-Europa) door de islam. Ikzelf breng de titel eerder in verband met de “bekering” van het hoofdpersonage, die dat doet om heel opportunistische redenen en dan nog vooral op het vlak van… seksualiteit! “Ik had destijds absoluut niet geprobeerd te verhullen wat voor indruk de fysieke kwaliteiten van Aïcha en de warme pasteitjes van Malika op me maakten. Moslimvrouwen waren toegewijd en onderworpen, daar kon ik op rekenen, zo werden ze opgevoed, en dat is in wezen genoeg om genot te schenken; hun kookkunsten konden me niet zoveel schelen, op dat stuk was ik minder gevoelig dan Huysmans, maar hoe dan ook kregen ze een passende scholing, het moest maar zelden voorkomen dat ze er niet op zijn minst redelijke huisvrouwen van wisten te maken.” (**)
Toch mist Houellebecq zijn doel niet. Door zijn subtiele aanpak legt hij juist heel duidelijk de gevaren van de zogenaamd gematigde islam bloot. De terroristische vleugel kennen we allemaal al goed genoeg en die aanvallen is water naar de zee dragen. Houellebecq daarentegen schetst Mohammed Ben Abbes, de nieuwe minister-president als “Het is een gematigde moslim, dat is het hele punt. Hij zegt dat zelf voortdurend, en het is waar. Je moet hem niet zien als een talib of een terrorist, dat zou een grote inschattingsfout zijn; voor dat soort lui heeft hij alleen maar minachting. Als hij het over ze heeft in zijn opiniestukken in Le Monde, zie je achter de beleden morele afkeuring heel duidelijk die nuance van minachting doorschijnen; in feite beschouwt hij terroristen als amateurs. Ben Abbes is in werkelijkheid een bijzonder handig politicus, ongetwijfeld de handigste en sluwste die we in Frankrijk hebben gekend sinds François Mitterrand; en in tegenstelling tot Mitterrand heeft hij een echte historische visie.” (p.121)
Die gematigdheid belet echter niet dat “in concreto voorzag de nieuwe voorbegroting van de regering over een periode van drie jaar een reductie van 85 procent op de sociale uitgaven van het land. Het opmerkelijkste was dat de hypnotische magie die hij sinds het begin uitstraalde nog altijd bleef werken en dat zijn plannen geen serieuze tegenstand opriepen. Links had altijd het vermogen gehad om antisociale hervormingen geaccepteerd te krijgen die krachtig zouden zijn verworpen als ze van rechts waren gekomen; maar dat gold nog veel meer, zo leek het, voor de moslimpartij. In de internationale pers las ik trouwens dat de onderhandelingen met Algerije en Tunesië over toetreding tot de Europese Unie snel vorderden en dat die twee landen zich vóór het eind van volgend jaar bij Marokko zouden aansluiten in de Unie; de eerste contacten met Libanon en Egypte waren al gelegd.” (p.166)
In mijn ogen een zeer rake analyse, wat het waarschijnlijkheidsgehalte van het boek (helaas) alleen maar versterkt. Samengevat: literair gezien zeker niet de grootste Houellebecq (op verre na niet zelfs), maar politiek gezien een zeer belangrijk boek dat door zoveel mogelijk mensen zou moeten worden gelezen.
EXTENSION DU DOMAINE DE LA LUTTE
In februari 2002 maakte ik kennis met “Extension du domaine de la lutte”, de debuutroman van Michel Houellebecq (spreek uit “Wellbeck”, zoals op zijn website staat) uit 1994. Nog voor hij uit was, schreef ik dat het toen al duidelijk mocht zijn dat het nooit wat zou worden tussen Houellebecq en mij. “De man is duidelijk zo rechts als de pest,” schreef ik toen plichtsgetrouw (politically correct). “Dat blijkt eerder uit kleine, haast onopgemerkte tussenzinnetjes dan uit de overkoepelende idee.”
Bovendien kon zijn visie op seksualiteit, die me op basis van de recensies op zijn minst ‘interessant’ leek, me ook maar matig boeien, ook al omdat dit werk daar weliswaar mee opende, maar verder kwam er eigenlijk nog weinig seks in voor. “En van erotiek spreken we helemaal al niet!” voegde ik er strijdlustig aan toe. Nochtans is de titel een verwijzing naar dit aspect, namelijk naar het feit dat hij “vrije seksualiteit” als een uitbreiding van de economische “vrije markt” ziet: “In een economisch systeem waarin onrechtvaardig ontslag is verboden, slaagt vrijwel iedereen er min of meer in zijn eigen plaats te vinden. In een seksueel systeem waarin overspel verboden is, slaagt iedereen er min of meer in een bedgenoot te vinden. In een volkomen liberaal economisch systeem vergaren bepaalde mensen een aanzienlijk fortuin; anderen stagneren in werkloosheid en ellende. In een volkomen liberaal seksueel systeem kunnen bepaalde mensen een gevarieerd en spannend erotisch leven leiden; anderen zijn veroordeeld tot masturbatie en eenzaamheid.” (p.100)
Aangezien ik hierop veel afkeurende reacties kreeg, ben ik er in april na lezing van “Elementaire deeltjes” nogmaals op teruggekeerd. Want ik heb inderdaad de fout gemaakt op basis van de lectuur van “Extension du domaine de la lutte” een beetje voorbarig te concluderen dat ik wel nooit van Houellebecq zou kunnen houden. Of laat ik dat anders formuleren: dat ik wel nooit werk van hem zou kunnen appreciëren.
Maar de kritikasters hebben evenzeer een fout gemaakt. Zij wreven mij deze conclusie (terecht) aan, maar waren zich helemaal niet bewust hoe ik ertoe gekomen was. Met andere woorden, voor zover ik weet had geen van hen het debuut van Houellebecq gelezen. Welnu, dit debuut laat in niks, maar dan ook helemaal niks, noppes, “Elementaire deeltjes” vermoeden. “Extension” is een typische roman in de Franse existentialistische traditie (later zal “Platform” reeds in de openingszin maar ook later expliciet naar “L’étranger” verwijzen, zegt Julian Barnes en ik ben geneigd hem te geloven), maar dan wel even verwaterd als dat het geval is (op een heel ander vlak) met de romannetjes van Françoise Sagan bijvoorbeeld. Zoals hijzelf ergens zegt (ik las het boek in het vliegtuig, je kunt er je kont niet keren, dus nota’s nemen was er niet bij): “De roman is geen geschikt medium om ‘le néant’ te beschrijven.” Inderdaad, maar hij doet het toch.
In 1999 werd het werk verfilmd door ene Philippe Harel, die ook de rol van het hoofdpersonage voor zijn rekening neemt (hij heeft een frappante fysieke gelijkenis met Houellebecq). Merkwaardig is dat de film het boek bijna letterlijk volgt (de racistische opmerkingen worden wel weggelaten, wat geen tegenspraak is, aangezien ze inderdaad in “kleine, haast onopgemerkte tussenzinnetjes” zitten en geen deel uitmaken van het eigenlijke plot), behalve dan op het einde waar (in de film) “notre héros” (zoals hij heel de tijd – ongetwijfeld ironisch – wordt genoemd) dansles gaat volgen. In die les wordt hij gekoppeld aan een vrouw, die door haar grote gestalte door niemand anders als partner wordt gekozen. Zij geeft hem als slotbeeld een innemende glimlach, ook al brengt hij er als danser niets van terecht. Dit positieve open einde contrasteert toch wel heel erg met het boek, dat weliswaar ook wel eindigt met een vakantietrip na zijn internering in een psychiatrische instelling, maar waarbij de ik-persoon vaststelt: “Je ressens ma peau comme une frontière, et le monde extérieur comme un écrasement. L’impression de séparation est totale; je suis désormais prisonnier en moi-même. Elle n’aura pas lieu, la fusion sublime; le but de la vie est manqué.” (p.156)
Ook nog deze opmerking: in deze voor de rest vrij saaie film (ook op dat vlak volgt hij dus goed het boek) komen enkele pure pornoscènes voor. Het zijn inderdaad ook scènes uit “echte” pornofilms, waarnaar de hoofdfiguur zit te kijken en die hij zich later herinnert, maar het is toch wel merkwaardig dat dit “kan”. Blijkbaar wilde de regisseur op die manier een “shockeffect” bereiken dat gelijkaardig is aan de publicatie van de roman. Alhoewel men er tegelijk van op aan kan dat hierdoor een ruime distributie van de film wel zo goed als uitgesloten is. En de fragmenten zijn anderzijds zo kort (en de rest van de film zo saai) dat een alternatieve distributie in de pornosector eveneens uitgesloten is.
PARTICULES
Zoals reeds gezegd: dit sjagrijnige debuut laat in niks een oeuvre als “Elementaire deeltjes” vermoeden.  This book focuses on Michael and Bruno, two very different half-brothers and their disturbed sexuality. After a chaotic childhood with a hippie mother only caring for her affairs, Michael, a molecular biologist, is more interested in genes than women, while Bruno is obsessed with his sexual desires, but mostly finds his satisfaction with prostitutes. His pitiful life changes when he gets to know the experienced Christiane. In the meantime, Michael meets Annabelle, the love of his youth, again… Akkoord, in beide gevallen is er de fundamenteel pessimistische levensvisie, die in “Particules” niet wordt weggenomen door de haast euforische epiloog (want wie zal op basis van wat voorafgaat aannemen dat Houellebecq dit ook echt gelóóft?), maar het feit dat de roman met deze epiloog eindigt, is natuurlijk een zeer bewuste keuze, die diametraal tegenover “Extension” staat. Als men daaraan zou voorbijgaan, zou men tussen haakjes dezelfde fout maken zoals nu gebeurt met alle -ismen waarvan Houellebecq wordt beschuldigd: zoals Jeroen De Preter terecht aangeeft in het Nieuwe Wereld Tijdschrift, gaat het daar om een primaire vermenging van bepaalde personages met de auteur zelf. En dan wil ik die personages binnen de literaire context vaak nog verschonen ook. (Ik vind het personage van Bruno een dieptragisch figuur al zal dàt wel niet “politiek correct” zijn.)
Dat het boek bovendien een loflied is op de vrouw i.p.v. vrouwonvriendelijk is een stelling die eveneens goed wordt bewezen door De Preter. Tenslotte blijft er het verwijt van de “non style”. Een verwijt dat ik overigens wél toepasselijk vind voor “Extension” maar niet voor “Particules”. Maar ik besef dat dit een louter subjectief aanvoelen is.
PLATFORME
In de zomer van 2002 verscheen dan “Platform, midden in de wereld” (Arbeiderspers), de langverwachte vertaling van zijn jongste roman “Platforme”. Het is een verhaal van de passionele liefde van een wat saaie ambtenaar voor Valérie, een op zijn zachtst gezegd minder saaie medereizigster op een reis naar Thailand, tegen de achtergrond van georganiseerde vakanties naar exotische “seksparadijzen”. De titel verwijst naar een jeugdherinnering waarbij het hoofdpersonage (complexloos Michel geheten) op twaalfjarige leeftijd in de bergen in een elektriciteitsmast klimt, helemaal tot op het platform. De gapende leegte onder zijn voeten oefent een vreemde aantrekkingskracht op hem uit om te springen (p.272). Als hij dertig jaar later in Valérie de liefde van zijn leven meent te herkennen, moet hij terugdenken aan dit moment. Hoe stabiel is immers geluk? “In ieder geval kunnen we er geen recht op doen gelden, zoveel is zeker,” aldus de flaptekst.
“Traditiegetrouw rijdt de auteur met een bulldozer over de heilige huisjes en schetst een cynisch wereldbeeld. Controversieel, politiek incorrect, deprimerend, kortom niet voor watjes”, zo besluit D.M. in Het Nieuwsblad.
Het boek opent al meteen met een politiek incorrecte moord op de vader van de ik-figuur door een islamiet. Deze kwam namelijk het feit wreken dat deze krasse zeventiger (een John Irving-personage) een verhouding had met zijn zus, die officieel als schoonmaakster bij hem werkte. Alhoewel het hoofdpersonage een slechte verhouding had met zijn vader, wil hij bij de reconstructie de dader toch ter plaatse neerschieten: “Die kleine smeerlap vermoorden leek me niet alleen een neutrale handeling maar zelfs een heilzame, positieve daad.” (p.22) Heel politiek correct Frankrijk op zijn achterpoten, zeker omdat hij eraan toevoegt: “voor de rechtbank zou hij er goed van afkomen: een paar jaar voorwaardelijk, meer niet.” (p.23)
Want wat Houellebecq inderdaad sterk beklemtoont is het “onveiligheidsgevoel”. Maar is hij daarom extreem-rechts? Lees het boek van Chimo dan maar eens, en daarvan wordt toch verondersteld dat hij zelf een “beur” is? Alleen mensen die vinden “dat blikken meer kunnen kwetsen dan een vuistslag” (prof.Eugeen Verhellen destijds in de Rode Vaan) zullen trachten dit gegeven te ontkennen (“De kranten hadden het over niets anders meer dan over neergestoken leraren, verkrachte onderwijzeressen, brandweerwagens die met molotovcocktails waren bestookt en gehandicapten die uit het raam van een trein waren gegooid omdat ze een bendeleider ‘scheef hadden aangekeken’.” p.227). En daarbij komt natuurlijk ook nog dat de kleine Houellebecq door zijn moeder in de steek werd gelaten toen zij zich als ex-hippie tot de islam bekeerde, Cat Stevens achterna. Geen wonder dat Houellebecq ook hippies haat als de pest (maar dat komt vooral in “Elementaire deeltjes” aan bod). Zelf zou hij trouwens ook een tijdlang aan de drugs geweest zijn – vandaar zijn belangstelling voor iemand als Lovecraft waarschijnlijk – zijn literaire carrière begon trouwens in een afkickinstelling, waar hij de tijd verdreef met het schrijven van gedichten.
Op het einde van “Platform” zal blijken dat de moord bij het begin van het boek slechts een voorbode is van een hele islamitische slachtpartij. Deze cirkelconstructie (waarvan ik zelfs niet zeker ben dat ze gewild is) is ongeveer het enige wat aan “Elementaire deeltjes” doet denken, want voor de rest is dit boek veel rechtlijniger, veel meer in de lijn van het eerste boek. Het thema is eigenlijk zelfs hetzelfde: “Zelf had ik er totaal geen moeite mee dat seksualiteit aan de wetten van de markteconomie zou worden onderworpen.” (p.251)
Stylistisch maakt Houellebecq zelfs de fout, als Jean-Yves, de “overste” van Valérie, in het verhaal verschijnt, over te stappen van de ik-persoon naar “de alwetende verteller”. Men kan wel veronderstellen (en p.249 staat het zelfs expliciet) dat hij het allemaal aan de weet is gekomen “fando audire” (van horen zeggen), maar toch is het een stijlbreuk, die nadelig uitvalt aangezien men precies wegens die ik-vorm heel nauw betrokken wordt bij het verhaal.
Toch is het veel beter dan “De wereld als markt en strijd”, zoals “Extension” in het Nederlands werd vertaald, omwille van de optimistische toon (ik heb het nu over de stijl, want de afloop is natuurlijk weer allerminst optimistisch) en de ad-remme uitspraken over allerhande topics. Zo bijvoorbeeld bij zijn bezoek aan het JEATH-museum dat gebouwd is om de geallieerde krijgsgevangenen te herdenken die omkwamen bij de bouw van de fameuze brug over de rivier Kwai: “Natuurlijk, zei ik bij mezelf, was dat allemaal zeer betreurenswaardig; maar er waren in de Tweede Wereldoorlog toch wel ergere dingen gebeurd. Ik kon me ook niet losmaken van de gedachte dat als de gevangenen Polen of Russen waren geweest, er veel minder ophef over zou zijn gemaakt.” (p.55)
Verder zijn er ook nog de rake typeringen, al moet ik toegeven dat men de aanzet hiertoe ook reeds in zijn debuut kan terugvinden. Men zou kunnen stellen dat Houellebecq in de existentialistische traditie is opgeklommen van Sagan naar Sartre, al zal hij dat zelf wel een vreselijke vaststelling vinden. Maar: “Door de omgang met anderen word je je van jezelf bewust; dat is precies wat de omgang met anderen zo onverdraaglijk maakt” (p.77) is dat niet “l’enfer c’est les autres”?
Samengevat kan ik me eigenlijk wel vinden in de woorden van Valérie, als ze Michel vergelijkt met een andere, “echte” extreem-rechtse vakantieganger: “Het is duidelijk dat je er moeite mee hebt, je bent niet geschikt voor dit soort vakanties; maar je doet tenminste een poging. Eigenlijk denk ik dat je een heel aardige jongen bent.”
Dat men hem probeert in de extreem-rechtse hoek te duwen (en dat ik daar bevooroordeeld als ik was in het begin ook ben ingetrapt), doet onrecht aan bepaalde passages. Zo is er het bijna ontroerende verhaal van de medestander van Fidel die op een eenvoudige wijze het failliet van het communisme op Cuba en elders in de wereld verklaart: “We hadden een ultramoderne fabriek, gebouwd met Russische hulp. Na een halfjaar was de productie gedaald tot de helft van de normale opbrengst: alle arbeiders stalen chocola, onbewerkt of in plakken, om aan hun familie uit te delen of door te verkopen aan buitenlanders. En hetzelfde gold voor alle fabrieken, overal in het land. En wanneer ze niets konden stelen werkten de arbeiders slecht, ze waren lui en altijd ziek en bleven voor het minste of geringste thuis. Ik heb jarenlang op ze in gepraat om ze ervan te overtuigen dat ze zich iets meer moesten inspannen in het belang van hun land; het heeft me enkel teleurstelling en ontgoocheling opgeleverd.”
Michel reageert daarop met: “Wat was het precies dat mensen ertoe kon bewegen saai en zwaar werk te doen? Dat leek me de enige politieke vraag die het waard was te worden gesteld. Het antwoord van de oude arbeider was ondubbelzinnig en ontluisterend: alleen de zucht naar geld, volgens hem; in ieder geval was de revolutie er overduidelijk niet in geslaagd haar ideaal van een onbaatzuchtige nieuwe mens te verwezenlijken.” (p.203)
Ook in zijn opvatting over het leven kan ik me trouwens als vijftigjarige uitgerangeerde volledig terugvinden: “Er zijn dingen die je kunt doen, en andere die te moeilijk lijken. Beetje bij beetje wordt alles te moeilijk; dat is waar het leven op neerkomt.” (p.112) En “op grond van de weinige keren dat ik erover na had kunnen denken (moet eigenlijk zijn: “had kunnen nadenken”, maar doorgaans levert vertaler Martin de Haan wél goed werk af), leek cultuur me een noodzakelijke compensatie voor het ongeluk dat onze levens kenmerkt.” (p.271) Maar toch is hij onmiddellijk bereid die cultuur in te leveren voor een ongecompliceerd maar gelukkig leven. Want, jawel, zoals ik al zo vaak heb gezegd: kunst maakt niet gelukkig. Als antwoord op de reeks “Why are you creative?” op Arte, repliceerde Houellebecq immers onmiddellijk in gebrekkig Engels: “Because I am unhappy”. Trouwens, eigenlijk is dit een veel belangrijker vraagstelling dan het vaak gehoorde “kan kunst de wereld redden?” (***)
POSSIBILITE
Bijna gelijktijdig met “Platforme” verscheen “Lanzarote”, dat echter eerder een kortverhaal is of zelfs dat niet: het lijkt me gewoon een heel realistisch (de gebruikelijke seksexploten misschien uitgezonderd) reisverslag van een vakantie naar Lanzarote, waar hij blijkbaar kennis heeft gemaakt met de sekte van Azraël, die niet alleen Anakims uit de ruimte zou hebben ontmoet, maar vooral via klonen het eeuwige leven op aarde trachtte te bereiken. Achteraf moet hij gedacht hebben dat daar toch méér in zat en dat heeft hij dan in de zomer van 2005 verder uitgewerkt tot een nieuwe imposante roman “La possibilité d’une île”. (****)
Bovendien is dit in feite eveneens een uitwerking van wat hij in de epiloog van “Particules” reeds aankondigde. Het wordt gepresenteerd onder een vorm waarin twee klonen (Daniel 24 en 25) tweeduizend jaar later over de mens Daniel vertellen die aan de basis lag van hun bestaan. In het begin valt het boek wat tegen, omdat de beschrijving van het “kader” (met name de religieuze beweging van de Elohim) zoals zowaar in elk doorsnee sf-boek teveel plaats inneemt. Het klonen daar gelaten (in de jaren zeventig was daarover nog geen sprake) leunt zijn toekomstvisie trouwens heel dicht aan bij die van mijzelf, zoals ik die samen met Johan de Belie in de rock-opera “De Kat” uiteenzet. Waarmee ik alleen maar wil zeggen dat Houellebecq blijkbaar het cliché niet schuwt…
Opvallend is dat de hoofdpersoon (Daniel 1) deze keer toch wel zeer rechts is. Enfin, beter gezegd, die indruk wil hij wekken, want hij is vooral rechts uit opportunisme (hij is een racistische standup comedian en dat slaat aan). Hier staan we dus wel dicht bij Houellebecq zelf… (*****)
Op dezelfde manier krijgen we ook meer en vooral meer gratuite seks. Ik ontzeg Houellebecq niet de gave om af en toe erotisch uit de hoek te komen, maar dan staat het vaak haaks op zijn doorgaans donkere, cynische stijl. De beschrijving van de party-annex-orgie ter gelegenheid van het feit dat zijn jonge geliefde Esther hem verlaat om carrière te maken in Hollywood, kan zo “uit de boekskes” komen.
Dit gezegd zijnde, is de hang naar uiterlijk schoon haast onbegrijpelijk voor zo’n intelligent schrijver als Houellebecq toch is. Of moet ik zeggen dat hij zich hier alsnog een vitalist in hart en nieren toont? (Zie ook Jef Rademakers in “Verloren tijd”.)
De titel van het boek komt uit een gedicht van Daniel 1 vlak vóór zijn zelfmoord (rituele zelfmoord gaat in het Elohimisme vooraf aan het klonen), waarin hij zijn liefde voor Esther (******) bezingt:
“Er bestaat een mogelijkheid
Van een eiland binnen de tijd.”

Voor Daniel 25 is de ontdekking van dit gedicht de aanleiding om (alweer in een epiloog) de veilige enclave te verlaten en samen met zijn hond Fox te gaan zwerven door een apocalyptische wereld. Eerst maakt hij zichzelf nog wijs dat hij (als kloon) op zoek wil gaan naar de zeldzame nog overlevende “echte” mensen (de zogenaamde “wilden”; “mensdieren” zouden Johan en ik zeggen), maar de tocht met zijn hond door die barre natuur wordt uiteindelijk een doel op zichzelf: “Ik had de onschuld bereikt, een niet-conflictueuze, niet-relatieve toestand, ik had geen plan en geen doel meer, en mijn individualiteit loste op in de eindeloze reeks van de dagen; ik was gelukkig.”
“Ik realiseerde me ook – en ditmaal voorgoed – dat ik er niet naar verlangde, niet meer naar verlangde en waarschijnlijk ook nooit naar had verlangd me aan te sluiten bij wat voor gemeenschap van primaten dan ook.”
Maar zo’n vorm van geluk kan natuurlijk niet blijven duren, daartoe is men als mens nu eenmaal gedetermineerd: “Toch was ik me ervan bewust, en meer dan ooit, dat de mensheid niet verdiende te leven, dat de verdwijning van die soort in alle opzichten niet anders dan als goed nieuws kon worden gezien.”
En op zichzelf toegepast: “Toch was ik zeer ver van vreugde en zelfs van ware vrede verwijderd; het loutere bestaan is al een ongeluk.” (p.413)
Als de hond door de wilden wordt gedood, komen we dan ook tot deze onafwendbare paradoks: “Ik wist nu met zekerheid dat ik de liefde had gekend, omdat ik ook het lijden had leren kennen.” (p.402)
In tegenstelling tot de epiloog van “Platform” die eigenlijk de aanzet was voor een volgend (met name dit) boek, vind ik het einde van “Possibilité” deze keer definitiever. Het doet me denken aan dat andere sciencefiction-verhaal “The incredibly shrinking man”, waarbij de hoofdfiguur op het einde zijn individualiteit verliest en eigenlijk deel wordt van de hem omringende wereld. Maar Houellebecq gaat mijns inziens zelfs nog iets verder: “Ik besefte toen dat ik bezig was alle mogelijkheden stuk voor stuk uit te sluiten; misschien was er in deze wereld wel geen enkele plaats die me zou aanstaan.” (p.398) Merk immers op dat door het gebruik van het woord “mogelijkheden” ook het optimisme uit de titel van het boek onderuit wordt gehaald…
Tegelijk met “Possibilité” verscheen er ook een niet-geautoriseerde biografie van ene Denis Demonpion, die “onthulde” dat Houellebecq eigenlijk Thomas heet (Houellebecq was de naam van zijn grootmoeder die hem heeft opgevoed na de scheiding van zijn ouders) en dat hij zowaar twee jaar ouder is dan hij altijd heeft beweerd (geboren in 1956 i.p.v. 1958). Maar buiten Houellebecq zelf lag blijkbaar niemand wakker van deze onthullingen.
LA CARTE ET LE TERRITOIRE
Het volgende boek van Houellebecq, “La carte et le territoire” uit 2010, zou men zowaar een “whodunit” kunnen noemen. En het gekke is dat men het boek daarmee zowel onrecht als te veel eer zou aandoen. Want het spreekt natuurlijk vanzelf dat Houellebecq nooit ofte nooit de bedoeling heeft gehad een “whodunit” te schrijven, ook al laat hij zichzelf (als romanpersonage) erin op een gruwelijke wijze vermoeden en houdt het oplossen van de puzzel de lezer toch voor een honderdtal bladzijden aangenaam bezig. Maar een honderdtal bladzijden op een totaal van bijna 350, dat is natuurlijk ook te weinig om van een “whodunit” te spreken. Met andere woorden, vanuit dat standpunt zou men gerust kunnen stellen dat men het boek “te veel eer” aandoet.
Maar natuurlijk weegt de andere overweging (“onrecht aandoen”) door: het boek wil immers op de eerste plaats “een licht weemoedige, onverwacht subtiele roman over leven en dood” zijn, zoals op de kaft van de Nederlandse vertaling (opnieuw van Martin de Haan, die zich nu zelfs op de voorpagina laat vermelden) staat. Toch heb ik opzettelijk geprovoceerd door met die “whodunit”-omschrijving uit te pakken, omdat er buiten dat aspect niet veel bijzonders gebeurt. Het boek gaat over een plastisch kunstenaar, Jed Martin, die een aantal fasen in zijn kunstenaarschap doorloopt, waarbij hij in de derde fase steenrijk wordt. Dit is ook de fase waarin de moord op het romanpersonage Michel Houellebecq plaatsvindt. Met andere woorden: dat vormt duidelijk de kern van het boek.
Toch slaat de titel, voor zover hij al iets betekent, op de tweede fase in diens carrière, een ietwat onduidelijke fase trouwens want ondanks het feit dat de prijzen op dat moment nog niet de pan uitswingen, kan hij toch ruimschoots aan de kost komen met het fotograferen van… Michelin-landkaarten. Men kan zich afvragen wat daar zo artistiek aan is? De invalshoek van de camera tegenover de kaart als zodanig wellicht, maar ergens is er sprake van een “kunstwerk” waarbij die invalshoek gewoonweg loodrecht op de kaart is?!?
Maar goed, geleerde knapen zullen allicht een zeer geleerde uitleg hebben voor de titel, maar ik heb er opzettelijk niet naar gezocht op het internet. Volgens mij heeft de titel immers geen diepere betekenis. Als iemand er zich toch het hoofd wil over breken: de sleutelzin in dat verband staat op p.64 en slaat op de tentoonstelling van de gefotografeerde kaarten van Martin. Die tentoonstelling krijgt immers als titel mee: “De kaart is interessanter dan het gebied.”
Voor de rest heb ik niet veel te vertellen over het boek. Het leest prettig weg, dat is waar, en in dat opzicht verschilt het heel sterk van zijn debuut, maar tegelijk deed het mij daar toch aan denken omdat het eigenlijk over “niets” gaat. (Als ik dat wat filosofischer zou willen formuleren, zou ik misschien beter “het niets” schrijven…)
Een ander verschil met “Extension” is dat Houellebecq zeker niet links, maar toch “linkser” is dan men over het algemeen aanneemt. En dan heb ik het bijvoorbeeld over de bijna liefdevolle pagina’s die hij wijdt aan mensen als Alexis-Charles-Henri Clérel de Tocqueville (Verneuil-sur-Seine, Île-de-France, 29 juli 1805 – Cannes, 16 april 1859) of William Morris (Walthamstow, 24 maart 1834 – Londen, 3 oktober 1896), zoals men kan lezen op de pagina’s 205-207. Maar de pagina die mij het meeste zal bijblijven, is p.212, het einde van het tweede deel en dus ook vlak voor het begin van het whodunit-gedeelte: “Hijzelf was minder dan een maand geleden van de andere mensen onderscheiden door de wet van vraag en aanbod (alweer een referentie naar “Extension” by the way), de rijkdom had hem plotseling als een vonkenregen omhuld, van elk financieel juk bevrijd, en hij besefte dat hij op het punt stond om afscheid te nemen van deze wereld, waarvan hij nooit echt deel had uitgemaakt: zijn toch al niet erg talrijke menselijke relaties zouden een voor een droogvallen en verdorren, hij zou door het leven gaan zoals hij nu in zijn perfect afgewerkte Audi Allroad AT zat, vredig en vreugdeloos, voorgoed neutraal.”
Het gaat hier over Jed Martin, maar het mag duidelijk zijn dat dit misschien nog méér Houellebecq is dan het romanpersonage Houellebecq zelf, ook al staat ook dit erg dicht bij de schrijver (cfr.p.315).

Ronny De Schepper

(*) Deze haast suïcidale neigingen deelt hij alvast met het hoofdpersonage uit “Soumission”, dat niet alleen geobsedeerd is door de “decadente” schrijver Joris-Karl Huysmans, zoals iedere geïnteresseerde wel weet, maar ook door de muziek van Nick Drake (p.31-32 in de Nederlandse uitgave), die door eminente popkenners ooit nog is gedefinieerd als “muziek om zelfmoord op te plegen”. Maar ’t strafste is nog dat in het volgende boek dat ik las (“Ventoux” van Bert Wagendorp) één van de hoofdpersonages (een drugsdealer) eveneens een fan was van Nick Drake! (p.25)
(**) Michel Houellebecq, Onderworpen, p.232, vetjes van mij. Fons Mariën maakte mij er echter op attent dat het woord islam zelf ook onderworpen betekent. Onderworpen aan Allah dan wel. Vandaar trouwens ook de titel “Submission” voor de film die Theo Van Gogh draaide over Ayaan Hirsi Ali. Dus ik denk dat ik me hier wat heb vergaloppeerd.
(***) Voor Camille Paglia is het alleszins duidelijk: “De kunstenaar maakt zijn kunst niet om de mensheid te redden, maar om zichzelf te redden.” (Het seksuele masker, Amsterdam, Prometheus, 1993, p.42)
(****) Ik kan me niet meer herinneren of hij “Possibilité” ook daadwerkelijk op Lanzarote situeert. Mij deed de beschrijving van de plaats waar de sekte woont, eerder denken aan de zogenaamde Piramiden van Güimar op Tenerife. Deze piramiden zouden de schakel vormen tussen die van het oude (Egypte) continent en die van het nieuwe (Peru). Ze zouden gebouwd zijn door de Guanches, de oorspronkelijke bewoners van Tenerife die groot, blauwogig, bleek van huid en blond van haar zouden zijn geweest. Kortom, echte afstammelingen van de Vikings. Het is dan ook het genootschap gesticht door Thor Heyerdahl dat deze site beheert. Genootschap? Of… sekte?
(*****) “Net als de revolutionair aanvaardde de humorist de meedogenloosheid van de wereld en antwoordde daarop met nog meer meedogenloosheid. Het doel van zijn actie was echter niet de wereld te veranderen, maar die acceptabel te maken door het geweld dat iedere revolutionaire actie nodig heeft om te vormen tot een lach – en als bijkomstigheid een behoorlijke smak geld te verdienen. Kortom, zoals alle clowns sinds mensenheugenis was ik een soort collaborateur.” (Michel Houellebecq, Mogelijkheid van een eiland, p.137)
(*******) Ikzelf vind het eerder de puberale lust van de oude bok op zoek naar een groen blaadje. Als er al sprake is van liefde, dan is dat misschien meer het geval in zijn voorgaande relatie met Isabelle, die hem heeft verlaten omdat ze “te oud” en dus “te lelijk” (let wel: we spreken hier over veertig plus) werd. Merk de hypocrisie van de schrijver: Isabelle verlaat hem zogezegd uit eigen beweging: zij vindt zichzelf niet goed genoeg meer. Over zijn eigen leeftijd geen kwaad woord natuurlijk. Toegegeven, later, wanneer Esther hem op haar beurt verlaat omdat hij niet lang genoeg meer kan “party-en”, wordt ook zijn aftakeling schrijnend realistisch beschreven tegenover het meedogenloze hedonisme van de jeugd.

Referentie
Julian Barnes, Michel Houellebecq en de zonde van de wanhoop, in “Uit het raam”, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Contact Atlas, 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s