Giovanni Boccaccio (1313-1375)

giovanni-boccaccio-vita-e-opere_bfad2f4f017cfd399d093e0b6dc84dd7Het is vandaag 640 jaar geleden dat de Italiaanse auteur Giovanni Boccaccio, vooral bekend van de erotische verhalenbundel “Il Decamerone” uit 1353, is overleden.

In 1982 vertaalde Frans Denissen een eerste keer de “Decamerone”. Toen werd het boek uitstekend verzorgd uitgegeven door Manteau en telde 715 bladzijden. Maar in 2003 nam Denissen de klassieker opnieuw onder handen. Deze keer verscheen het resultaat van zijn arbeid bij Polak & Van Gennep en telden we 829 bladzijden. Maar dat komt voornamelijk door het nawoord van eindredacteur René van Stipriaan, want verder luidt het devies: “less is more”. De vertaling zelf is immers 8.000 woorden korter geworden, wat – we zullen het maar meteen verklappen – Boccaccio’s snelle vertelstijl ten goede komt.

“Van menselijkheid getuigt het, begaan te zijn met het lot van de bedroefden: een deugd die elkeen siert, maar vooral dan diegenen die zelf ooit door zielesmart verteerd zijn geweest en bij anderen troost hebben gevonden; en als iemand ooit naar soelaas heeft gesmacht en de verkwikking daarvan heeft mogen proeven, dan ben ik dat wel”.

Ja ik weet het, lieve lezers en vooral lieve lezeressen, deze woorden, ze zouden van mij kunnen zijn, maar ze zijn helaas reeds meer dan zeshonderd jaren geleden neergepend door ene Giovanni Boccaccio, die hiermee zijn “Decamerone” begint en zich meteen daarmee een plaats verwierf in de galerij der onsterfelijken. En dààraan ben ik nog lang niet toe.

Anderzijds is mij wel de zielesmart bespaard gebleven dat mijn artikels tot goedkope seksfilms werden omgewerkt. Zij het dat niet weinigen via die omweg bij mijnheer Boccaccio soelaas en verkwikking hebben gevonden …

Maar de échte Boccaccio, hoe was die? In welke tijd leefde hij? Waren alle vrouwen zo loops als in zijn boek? Alle mannen hoorndragers? Alle geestelijken wulpse saters? Zei men “pardon” als men een boer liet aan tafel of was dit juist een teken dat het had gesmaakt? Wie zou het ons beter kunnen vertellen dan Frans Denissen, de man die zich meer dan twintig jaar geleden reeds twee jaar onledig heeft gehouden met het vertalen van dit gigantische werk van de grote Florentijn?

TUSSEN MIDDELEEUWEN EN RENAISSANCE

Frans Denissen: De “Decamerone” was de eerste literaire vertaling die ik heb gemaakt. Ik zat al een hele tijd te wachten op een kans om een Italiaanse klassieker te vertalen en was erg blij dat het de “Decamerone” werd. Maar ik ben dus zelf niet op het idee gekomen, nee. Volgens de uitgever destijds was er wel degelijk behoefte aan een nieuwe vertaling. Het Nederlands evolueert nogal snel en de bestaande vertalingen waren alle verouderd. Bovendien waren het vaak eerder “bewerkingen”…

– Die “bewerkingen”, werd daarmee geknoeid? Daarmee bedoel ik werden er bepaalde zaken weggemoffeld?

F.D.:In de jaren twintig was dit zéker het geval. De meest erotische verhalen werden dan achterwege gelaten.

– Maar men moest toch het stramien hebben van tien maal tien verhalen?

F.D.:Toch niet. Er zijn uiteindelijk weinig vertalingen die de “raamvertelling” mee hebben vertaald (ter verduidelijking: het verhaal speelt zich af tijdens de pestepidemie in Firenze in 1348; om de kans op besmetting te ontlopen trekken zeven meisjes en drie jongelingen zich terug op het platteland gedurende tien dagen; om de tijd te passeren vertellen ze elke dag een verhaal, dat maak dus tien maal tien, de raamvertelling dat is de commentaar die deze verhalen aan elkaar bindt, R.D.S.), de meeste vertalers hebben gewoon een aantal verhalen gekozen. Naast de erotische verhalen werden trouwens ook vaak anti-klerikale verhalen weggelaten.

– Vindt u dat die raamvertelling hetzelfde niveau haalt als de verhalen zelf?

F.D.:Daar is een studie over geschreven in Engeland en daarin wordt gesteld dat de raamvertelling nog volledig tot de middeleeuwse literatuurtraditie behoort, met veel stereotiepen, terwijl de verhalen zelf een eerste stap zijn naar renaissance-literatuur, meer humanistisch, meer realistisch, meer burgerlijk ook. De raamvertelling is compleet hoofs, ook in z’n expressievorm.

– Zet deze stelling de traditionele visie niet op haar kop? Vroeger was men toch van oordeel dat de stof, de inhoud middeleeuws was (Boccaccio baseerde zich vooral op bestaande verhalen) en de vorm, de raamvertelling dus, renaissancistisch?

F.D.:’t Is niet de eerste keer, hé, dat Boccaccio uiteenlopend wordt benaderd. In de achttiende eeuw beklemtoonde men vooral het renaissance-aspect, nu ligt de nadruk eerder op het middeleeuwse aspect. De echte oorzaak ligt natuurlijk in het feit dat de grens tussen late middeleeuwen en renaissance puur fictief is.

– Hangt deze nieuwe kijk op Boccaccio niet samen met een herwaardering van de middeleeuwen?

F.D.:Ik heb inderdaad ook de indruk, ja. De tijd is voorbij dat de middeleeuwen werden afgedaan als zijnde een “duistere” tijd, zonder hierop nuanceringen aan te brengen. Misschien is het zelfs niet meer zinnig om die termen nog te gebruiken, “middeleeuwen” en “renaissance”. Boccaccio zit bijvoorbeeld al middenin een burgerlijk tijdvak in Italië: de stedelijke burgerij kent z’n bloeiperiode, maar is enigszins in crisis op het moment dat hij de “Decamerone” inschrijft. De pestepidemie die de aanleiding vormt voor het boek is hiervan trouwens een veruiterlijking, men vlucht van het platteland met als gevolg dat er niet voldoende voedsel werd geproduceerd om de volksbuurten te voorzien en waardoor er een soort ondervoeding ontstond die in elk geval de uitgebreidheid van de pestepidemie verklaart. Boccaccio zelf was ook van burgerlijke afkomst, z’n vader was een koopman, maar hij heeft aan het hof van Anjou in Napels een culturele omgeving gehad die nog helemaal in de hoofse sfeer baadde.

“DEGENE DIE DOOR DE LIEFDE VERSLAGEN IS”

– Het boek speelt zich af in 1348, maar werd het ook in datzelfde jaar geschreven?

F.D.:Of toch alleszins kort daarna, want in 1353 was het in elk geval klaar.

– Een eigenaardige figuur dus toch, die Boccaccio, want die pestepidemie eist tal van slachtoffers, ook in zijn onmiddellijke omgeving (zijn vader en zijn stiefmoeder) en dan reageert hij met een vrij optimistisch boek. Is dat misschien omdat in die tijd de dood een alledaagse metgezel was?

F.D.:Alledaagser dan nu in elk geval. Maar ik weet niet of je de “Decamerone” zo maar direct als een optimistisch boek mag bestempelen. Ikzelf zou dat niet doen. Er zitten natuurlijk tal van humoristische verhalen in, maar ook een aantal tragische. Ik denk dat het gewoon een zo compleet mogelijke beschrijving van de wereld is.

– Misschien laat ik me misleiden door de algemene indruk die men over Boccaccio heeft. Ik moet toegeven dat ik niet nageteld heb hoeveel verhalen er nu precies positief en hoeveel er negatief aflopen.

F.D.:Ik evenmin, maar ik denk dat het ongeveer fifty-fifty zal zijn.

– Er spreekt inderdaad ook een grote melancholie uit dat boek. Mijns inziens is dit te verklaren door de verering die Boccaccio heeft voor zijn stadsgenoten Dante en Petrarca. Van hen heeft hij alleszins de hoofse “overdreven”, “onmenselijke” liefde voor een vrouw overgenomen. Bij Dante was deze verzinnebeeld in Beatrice, bij Petrarca in Laura, bij Boccaccio wordt dat Fiammetta, die naar het schijnt Maria d’Aquino zou zijn. Zij behoort ook tot het gezelschap en ik heb de indruk dat hij haar de fijnzinnigste verhalen in de mond legt, zelfs als het er nogal kluchtig aan toe gaat. Als het haar beurt is om een thema te bepalen voor de verhalen van een bepaalde dag, dan geeft zij ook als opdracht liefdesavonturen te verhalen die ondanks allerlei verwikkelingen toch goed aflopen. Ben ik echter te spitsvondig om te veronderstellen dat Boccaccio ook zichzelf als één van de tien heeft geportretteerd en met name in Filostrato? Als ik de naam ontleed (vriend van het volk, van de menigte) dan geraak ik niet veel verder, maar toch blijkt uit de raamvertelling dat Filostrato smoorverliefd is op “iemand” uit het gezelschap. Trouwens hij geeft als opdracht verhalen te vertellen over minnaars wier liefde een ongelukkige afloop kent.

F.D.:Boccaccio’s kennis van het Grieks was nogal beperkt, voor hem heeft Filostrato dus een andere etymologie. Hij bedoelde met Filostrato, “degene die door de liefde verslagen is”. Er zijn trouwens verscheidene critici die in Filostrato Boccaccio hebben geïdentificeerd. Niet alleen op basis van de “Decamerone” overigens, want zowel Fiammetta als Filostrato zijn personages die al in vroeger werk van hem opduiken. Fiammetta in een gelijknamige roman en Filostrato zelfs in meerdere teksten die trouwens veel meer autobiografisch zijn dan de “Decamerone”. Vermoedelijk is het dus wel juist dat hij zichzelf in die figuur heeft geprojecteerd. Of Maria d’Aquino, die model zou hebben gestaan voor Fiammetta, echter ooit heeft bestaan daarvoor zijn geen bewijzen voorhanden. In die jeugdroman stelt hij haar voor als de natuurlijke dochter van de koning van Anjou in Napels, maar het kan ook gewoon het volgen zijn van een literaire traditie die inderdaad met Dante en Petrarca was ontstaan.

MEISJES, ZE MAKEN ONS KAPOT, MENEER!

– Die verheerlijking van de vrouw, is dat nu middeleeuws of renaissancistisch?

F.D.:Als ik Huizinga mag geloven, is dat een typisch fenomeen van “de herfsttij van de middeleeuwen”. De ridderlijke traditie met al die hoofse vormen ontstaat immers vrij laat. In Italië vermoedelijk wat eerder en in Spanje nog eerder omdat je het voor een stuk kunt terugbrengen op de islamitische traditie in Europa is gekomen via de bezetting van Spanje door de Moren en ook via Sicilië.

– Uitstekend geantwoord, zou ik zo zeggen, want wellicht bijten we ons te zeer vast in die zogenaamde tegenstelling middeleeuwen-renaissance, daar waar er misschien een veel grotere tegenstelling is tussen de vroege en de late Middeleeuwen. Nemen we nu bijvoorbeeld een typisch verhaal uit de vroege Middeleeuwen, “Karel ende Elegast”, dan zien we dat Eggeric z’n vrouw daar een muilpeer toedient dat het bloed eruit spat. Weinig hoofs, zou ik zo zeggen…

F.D.:Vandaar ook dat het als voorbeeld geldt van “voorhoofse” literatuur.

– Hoe dan ook, in het kader van die herwaardering van de middeleeuwen heb ik zowaar een tekst gevonden waaruit zou moeten blijken dat het juridisch statuut van de vrouw in de middeleeuwen zelfs beter zou geweest zijn dan in de renaissance.

F.D.:Ook bij Boccaccio is dat erg opvallend. Niet alleen in de verhalen, ook in de raamvertelling. Met name die grote zelfstandigheid van de vrouwen. Zij hebben een opvallend grote ruimte voor initiatieven. En dat niet alleen op amoureus gebied. Ik vermoed dat die bewegingsruimte twee eeuwen later sterk werd ingekrompen.

– U raakt daar alweer een zeer interessant punt aan. Zowaar tot op dit ogenblik, wordt er nog steeds druk gediscussieerd over de houding van vrouwen tegenover seks, of meer bepaald dan pornografie. Enkelen benaderen dit positief (“bevrijdend”), de rest van de vrouwenbeweging staat daar erg afkerig tegenover. Bij Boccaccio stel je dezelfde tegenstelling vast. Traditionele feministen zullen hem allicht een “macho” vinden, een “seksist”. Maar anderzijds kan je er toch niet onderuit dat de vrouw in de “Decamerone” seksueel vaak het heft in handen heeft, om het nu eens zo te stellen?

F.D.:Als je alle verhalen op een rijtje zet, moet je gewoonweg tot de conclusie komen dat het initiatief tot handelen, op eender welk gebied, op z’n minst even vaak van de vrouw uitgaat als van de man. Op erotisch gebied krijg je zelfs de indruk dat de vrouwen actiever, handiger en sluwer zijn dan de mannen. Misschien was die sluwheid nodig omdat er meer regels waren waaraan het seksleven was gebonden maar zij storen er zich in elk geval niet aan.

– Wat u zegt. De vrouwen die hun mannen bedriegen zijn haast niet te tellen. Hoe stond men daar maatschappelijk tegenover? Was dat erg riskant? Eindigde men op de brandstapel of met pek en veren?

F.D.:Daarover heb ik eigenlijk nog niet zo heel veel gelezen. Maar bij Boccaccio is het alleszins niet zo riskant. Er komt een verhaal in voor waarbij overspel voor de rechtbank wordt gebracht en de vrouw steekt daar zo’n overtuigend pleidooi af dat zij de gerechtzaal met opgeheven hoofd kan verlaten, terwijl haar man met z’n staart tussen de benen naar buiten sluipt. Daaruit blijkt in elk geval dat de mogelijkheid om aan die normen te ontsnappen. En in de andere verhalen komt er zelfs geen rechtbank aan te pas.

– Hoe dan ook, Boccaccio is naar het schijnt toen hij zijn einde voelde naderen op de valreep nog vrouwenhater geworden. Getuige daarvan het merkwaardige werkje “Corbaccio”. Merkwaardige naam ook. Een soort anagram voor “Boccaccio”? Wat betekent het eigenlijk?

F.D.:De filologen zijn het daar nog niet over eens. Er zijn er die beweren dat het werd afgeleid van een Turks woord dat zweep zou betekenen, anderen houden voor dat het van het Italiaanse woord voor “raaf” afkomstig is en nog anderen houden het inderdaad op een anagram. Maar het boekje is hoe dan ook één lange scheldtirade tegen de vrouwen. Nou lang, het telt amper 80 bladzijden. Ik heb zelfs nog willen voorstellen om dit ook nog te vertalen. Dat het op het einde van zijn leven was, dat staat ook helemaal niet vast. Zeker is het nà de “Decamerone” geschreven, maar of het nog in het decennium van 1350 was of van 1360, daarover zijn de meningen verdeeld. Vandaar dat er natuurlijk ook geen zekerheid bestaat over wat hem nu plots mag hebben bezield. Er bestond weliswaar al van tijdens de middeleeuwen een literaire traditie van scheldtirades tegen vrouwen en je zou dus kunnen stellen: het sluit hier gewoon bij aan, maar het is dan toch wel merkwaardig dat het geschreven werd nà zijn meesterwerk, dat precies is opgedragen aan de vrouwen! In zekere zin is het zelfs een uitgebreide lofrede op de vrouwen. Wel weten we dat hij op een bepaald moment een religieuze crisis heeft gehad in z’n leven, maar het staat niet vast of de “Corbaccio” daar iets mee te maken heeft.

DROLLEN OF ROZEGEUR?

– Hoe stond Boccaccio na z’n religieuze crisis tegenover de “Decamerone”? Niet alleen wat het erotische betreft, maar ook z’n kritiek op de klerus.

F.D.:Er zijn nog heel wat lacunes in het Boccaccio-onderzoek, ook wat z’n houding tegenover “Decamerone” betreft. Een autoriteit als Branca beweert dat een van de autografen, dit is een handschrift van de auteur zelf, nog is gemaakt op hoge leeftijd. Andere filologen betwisten echter de datering van Branca. Als hij het inderdaad op een paar jaar voor z’n dood nog eens eigenhandig had overgeschreven, zou dat hebben betekend dat hij er geen afstand van genomen heeft. Integendeel, het is het mooiste autograaf, omdat het eigenhandig door Boccaccio is geïllustreerd met pentekeningen. Anderen beweren echter dat dit autograaf dicht bij de ontstaansperiode is te situeren, waardoor alle hypothesen open blijven over het al dan niet afzweren van zijn teksten.

– Nog een ander vraagje over de “Decamerone”: is-ie “realistisch”? Dat is eigenlijk een term waar ik niet zo van hou, maar daarmee bedoel ik dan vooral: al dat frivole gedoe stuit mij moreel niet tegen de borst, maar wel fysisch, zou ik bijna durven zeggen, in die zin dat er toch steeds wordt beweerd dat men in die tijd verschrikkelijk uit de bek stonk, dat men zich niet waste, dat de ledikanten krioelden van het ongedierte?

F.D.:”Realistisch” is inderdaad een term waarmee je moeilijk kan werken met teksten van vóór de negentiende eeuw…

– Ja goed, maar de lezers zullen de “Decamerone” vooral kennen uit de talrijke verfilmingen en dan heb je aan de ene kant de befaamde versie van Pasolini die mijns inziens het skatologische aspect nogal beklemtoonde en aan de andere kant de soft-seksfilms die om begrijpelijke redenen, namelijk om het opwindend effect niet te verstoren, gedrenkt zijn in rozegeur?

F.D.:Ik heb alleen de verfilming van Pasolini gezien. Daarna is er een echte rage geweest in Italië, ik vermoed dat er zo’n twintigtal versies tot stand zijn gekomen. Daarvan heb ik er dus geen enkele gezien, maar ik kan wel vermoeden dat men steeds verder af is gaan staan van de oorspronkelijke tekst. Pasolini heeft mijns inziens wel goed de geest van Boccaccio weergegeven, hoewel hij de handeling heeft verplaatst van Firenze naar Napels, zodat de acteurs een Napolitaans dialect spreken wat wel enigszins vreemd is, omdat het een echt honderd procent Florentijns boek is. Maar de luchtigheid die alvast in de humoristische verhalen van Boccaccio is weer te vinden, die heeft Pasolini mijns inziens wel goed weergegeven en is ook goed overgekomen. Bij die andere zijn er zelfs bij die onder de naam “Decamerone” worden gepresenteerd maar hun stof ergens anders hebben gehaald.

– Zelf heb ik nog een verfilming van Guerrini gezien. Ik zou die situeren tussen de twee, dit wil zeggen hij wordt verkocht als soft-seksfilm maar hij is zeker niet gemaakt met die commerciële gemakzucht. Hij doet mijns inziens wel degelijk zijn best om de geest van Boccaccio te vatten. Zo laat hij in het fameuze verhaal waarin een monnik bij een vrouwelijke fan “de duivel in de hel” drijft, de weg naar de heremiet aangeven door de drollen die deze in de woestijn heeft achtergelaten…

F.D.:Maar die drollen zijn er helemaal niet in de oorspronkelijke tekst!

– Maar doet hij daarmee dan Boccaccio onrecht aan?

F.D.:Misschien toch wel, ja. Veel skatologie is er bij Boccaccio niet bij. Er is wel dat verhaal waarin één van de personages tijdens een nachtelijke escapade in de drek en de blubber terechtkomt, maar dat is vrij exceptioneel. Chaucer heeft daar veel meer van dan Boccaccio, heb ik de indruk.

– Terug naar meer verheven discussies. Er wordt gezegd dat het trio Dante-Petrarca-Boccaccio de basis heeft gelegd voor het ABI (het Algemeen Beschaafd Italiaans) om zo te zeggen. Ik zal dit deze keer zeker niet tegenspreken, maar toch is dit voor mij steeds een ietwat onduidelijk proces.

F.D.:Het klopt wel degelijk hoor! Italië is eigenlijk steeds sterk verbrokkeld geweest. Bijgevolg was ook de Italiaanse taal uiteengevallen in een aantal dialecten, die trouwens alle hun literatuur hebben voortgebracht. Maar tegelijk werd er door die drie schrijvers een soort van traditie gevestigd die in de loop van de eeuwen door andere literatoren, ook buiten Firenze, werd gevolgd. Vooral Petrarca heeft een poëtische traditie gegrondvest die een paar eeuwen lang in zwang is gebleven. Toen in de helft van de vorige eeuw dan eindelijk de politieke eenmaking van Italië er is gekomen, heeft men eigenlijk bijna artificieel een nationale taal moeten creëren. Dat is dan voor een stuk gebeurd op basis van de “klassieken”. En in de eerste plaats zijn dat ons trio en hun navolgers. Dat maakte dat een aantal patriottische schrijvers in de negentiende eeuw eigenlijk met een dode taal werkten, omdat er geen standaard Italiaans was blijven bestaan, behalve in de literatuur. Het is natuurlijk wel een aparte evolutie voor een cultuurtaal. Wat ook maakt dat het hedendaagse Italiaans nog vrij dicht bij de taal van de dertiende en veertiende eeuw staat. Een hedendaagse Italiaan heeft heel wat minder moeite om Dante te lezen dan wij met teksten die drie of vier eeuwen dichter bij ons liggen. Uiteindelijk kan een Italiaan met middelbare schoolopleiding een geannoteerde versie van de “Decamerone” zonder problemen lezen en dat kan ik mij bij ons niet voorstellen van een dertiende of veertiende eeuwse tekst.

– Over navolgers gesproken, dat verwondert mij vaak hoeveel Boccaccio er wel in zijn zog mocht tellen: Chaucer, Cervantes, Marguerite de Navarre, zelfs Shakespeare maar dan via Bandello. Niet dat ik ’s mans talent in twijfel trek, maar in die tijd kon een werk toch enkel worden verspreid via copiïsten? En dat waren toch monniken? En niet alleen is het een monnikenwerk om zo’n dik boek te copiëren, maar bovendien krioelt het van scabreuze en anti-klerikale uitlatingen?

F.D.:De verspreiding in Europa is bijna exclusief langs de sluis van Frankrijk gegaan. Nog tijdens het leven van Boccaccio zelf zijn er tenminste twee Franse vertalingen gemaakt, en dat in opdracht van de Franse vorstenhoven. Op die manier is ook Chaucer eraan geraakt en ook de eerste Nederlandse vertalingen waaronder de allereerste van Dirk Coornhert (midden zestiende eeuw) zijn eigenlijk vertalingen uit het Frans. Anderzijds heeft Petrarca één verhaal, het laatste, “Griseldis”, in het Latijn vertaald en dat is ook een sluis waardoor het sterk verspreid werd. Maar dat was wel een verhaal dat er een beetje uitsprong. Dat is een bijna middeleeuws “exempel” en heeft dan ook in aparte edities een paar eeuwen lang in Europa gecirculeerd als een religieuze meditatietekst, wat uiteindelijk wel een vreemd resultaat mag worden genoemd van de “Decamerone”! Ook wat de structuur betreft heeft het hele werk een paar eeuwen lang model gestaan als raamvertelling, alhoewel dit geen uitvinding was van Boccaccio. Dit is namelijk uit de Arabische literatuur afkomstig.

– De slotvraag moet natuurlijk luiden: wat is nu juist het verschil tussen Denissen I en Denissen II?

F.D.:Wel, eerst en vooral heb ik flink gewied in wat ik stadhuis- of negentiende-eeuwse feuilletontaal zou willen noemen. Laten we zeggen dat het Couperus-Nederlands van 1982 nu W.F.Hermans-taal is geworden. De zon verrijst niet langer aan de kim en neigt evenmin ter kimme: ze komt gewoon op en gaat onder. Dat beperkt wel eens de bijhorende Lust zum variieren, maar ik heb mijn schoolse angst bedwongen om al eens hetzelfde woord te gebruiken. Verder is de interpunctie ontvet en, jawel, hier en daar is een vertaalfout verbeterd. De tekstverwerker heeft sindsdien zijn intrede gedaan en dat is heel nuttig gebleken om consequent te zijn in de woordkeuze en vertaaltics te ontdekken, zoals het ietwat overdreven gebruik van 437 keer het formele voegwoord “aangezien”. Er komen in het werk ook een tiental balladen voor. Destijds heb ik die zelf vertaald, maar eigenlijk ben ik op dat vlak maar een rijmelaar en daarom heb ik er nu de voorkeur aan gegeven de vertaling van Paul Claes over te nemen. En tenslotte, ja ik zal het maar toegeven, er heeft een duidelijke ver-Noord-Nederlandsing plaatsgevonden. Ondertussen heb ik immers reeds een twintigtal boeken vertaald voor Noord-Nederlandse uitgevers en het dient gezegd, die springen toch wat zorgzamer om met hun product. Bij al die uitgeverijen die veel te veel boeken uitgeven is redigeren behalve een kosten- ook een slecht betaalde lastpost. Experto crede. Terwijl mijn vertaling in 1982 in een ongeopende envelop naar de zetter ging, heb ik voor deze editie lange dagen samen gezeten met redacteur René van Stripriaan.

Alles welbeschouwd is mijn bewondering voor de voortvarende prestatie uit 1982 van de toen 35-jarige literaire debutant Denissen nog toegenomen. Daarom is het een domme en hopelijk onbewuste vergetelheid dat die eerste vertaling in dit boek wordt doodgezwegen. Denissen I lijkt veroordeeld tot een damnatio memoriae, schrapping uit de geschiedenis: ze wordt niet vermeld bij de opsomming van alle bestaande Nederlandse vertalingen door Van Stipriaan en niet door Denissen zelf in zijn verantwoording van de vertaling. Dat kàn toch eigenlijk niet! Onze citaten zijn trouwens uit Denissen I overgenomen en geen haar op ons hoofd dat eraan denkt om ze op basis van die nieuwe vertaling te gaan aanpassen. Maar anderzijds dient dan toch ook gezegd dat deze uitgave al evenzeer een schitterend nieuw boek is dat zijn prijs (60 Euro) meer dan waard is, al was het maar door de honderd gekleurde miniaturen. Ze komen uit een Frans manuscript van circa 1450 dat misschien werd gemaakt voor Filips de Goede en dat werd verlucht door twee anonieme kunstenaars: de zogeheten Manselmeester uit Picardië en de Vlaamse Meester van Guillebert de Mets. Elke miniatuur is in tweeën verdeeld en beeldt episoden uit het betrokken verhaal af. Opvallend is dat de kunstenaars zich niet veel gelegen laten aan de Toscaanse oorsprong van het boek, zodat de talloze bedhistories zich visueel afspelen tegen een (Frans-)Vlaamse achtergrond… (Patrick De Rynck van De Morgen)

Een verhaal uit de “Decamerone”, namelijk “het echtpaar en de schandjongen” (het tiende van de vijfde dag) is ook opgenomen in de bundel “Eros gesluierd” (uitgeverij Loeb) waarin naast Boccaccio nog tal van andere erotische grootmeesters een plaats hebben gekregen, zoals daar zijn: Pietro Aretino, Giacomo Casanova, markies De Sade en Guy De Maupassant.

Een ander (het negende van de vierde dag) verklaart dan weer “de rode rotsen” van Roussillon: de troubadour Guilhem de Cabestaing zong zijn minneliederen aan het hof van de heer van Castel-Roussillon, een afzichtelijk man die met de oogverblindende Sérémonde getrouwd was. Wat moest gebeuren, gebeurt natuurlijk ook: de troubadour en Sérémonde worden verliefd op elkaar. De kasteelheer Raimon vermoordt daarom de zanger en serveert zijn gepeperde hart als hoofdschotel aan zijn vrouw, een beetje in de stijl van “The cook, the thief, his wife and her lover” dus. Het hartelijke gerecht bevalt Sérémonde niet echt: ze stort zich van een rots en door haar bloed kleurt de aarde rood.

Het betreft hier uiteraard een fantasierijke verklaring die met de werkelijkheid een loopje neemt. Sérémonde werd immers niet door haar echtgenoot de dood ingejaagd. Integendeel, ze overleefde hem en trouwde in 1210 zelfs voor de derde keer. (Stefaan van den Bossche in “De Provence, reisverhalen”, uitg.Pandora, 2001, p.38-39)

Referentie

Ronny De Schepper, Frans Denissen vertaalde Boccaccio’s “Decamerone”, De Rode Vaan nr.9 van 1983

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s