Harry Mulisch (1927-2010)

Morgen zal het ook al vijf jaar geleden zijn dat Harry Mulisch is overleden. Hij was op dat moment nog altijd de meest gelezen auteur bij Nederlandse scholieren en “De aanslag” het meest gelezen werk. In Vlaanderen was dit ook het tweede meest gelezen werk (na “Kartonnen dozen” van Tom Lanoye) en daarmee ook het enige werk van een Noord-Nederlandse schrijver dat tot in de top vijf was doorgedrongen. In Nederland was dit voor geen enkele Vlaming weggelegd, zelfs niet voor Hugo Claus, le frère ennemi de Harry Mulisch. Een opvallend verschil met Vlaanderen is dat in de klas de hedendaagse auteurs veel meer aandacht krijgen. Hier prijkt Mulisch op de tweede plaats, enkel voorafgegaan door Willem Frederik Hermans (Jozien Moerbeek, Canons in context, 1998).

Harry Mulisch wordt geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zijn ouders waren Karl Victor Kurt Mulisch en Alice Schwarz. In 1934 schrijft hij zijn eerste verhaal “De pottenbakker”. Later zou hij verklaren: “Schrijver ben je, dat word je niet. Ik krijg wel eens dingen opgestuurd van mensen die mij vragen of het wat is, want ze zouden schrijver willen worden. Als je schrijver wil wórden, bén je het blijkbaar niet.”
In 1936 scheiden zijn ouders. Hij blijft bij zijn extreem-rechtse vader wonen (van hem heeft hij de belangstelling voor literatuur en sterrenkunde geërfd). Zijn joodse moeder (die hem dan weer muzikaliteit meegeeft) vertrekt naar Amsterdam. Hij blijft zitten op school. Als hij in 1944 zakt voor zijn overgangexamen, verlaat hij de middelbare school voorgoed.
In 1945 moet zijn vader voor vier jaar naar een interneringskamp. Hij zal in 1957 overlijden. Harry Mulisch zelf wordt in 1946 afgekeurd voor de militaire dienst, terwijl zijn moeder naar Amerika verhuist en daar de Amerikaanse nationaliteit aanneemt. Mulisch zelf reist naar Wenen, Italië, Roemenië en de DDR.
Ondertussen is in Elseviers weekblad in 1947 een eerste verhaal van zijn hand verschenen, “De kamer”.
In 1951 wordt het manuscript van “Archibald Strohalm” bekroond met de Reina Prinsen Geerligs-prijs. Volgens Leo Geerts behoort het werk tot het magisch-realisme (*). Het thema van de inbreuk van het onmogelijke in het alledaagse burgerleven, wat leidt tot een groteske en tragische ondergang, vindt men ook terug in de andere vroegste werken van Mulisch, vindt Geerts.
In 1954 biedt “De Diamant” volgens Geerts weer een andere vorm van MR: hierin beschrijft Mulisch immers de geschiedenis van een diamant doorheen de eeuwen. Het verhaal legt hierbij een verband tussen alchemistische mythologie, moderne wetenschap en kunst.
In 1955 wordt “De sprong der paarden en de zoete zee” gepubliceerd, waarin – net als in “De Diamant” – een poging wordt gedaan om een oude mythe een hedendaagse zin te geven. De hoofdfiguur Gustaaf Naegelhout is een dertienjarige jongen die verliefd wordt op een blond meisje, Bessie. Die liefde mislukt en toch wordt hij op die manier de geestelijke vader van de mythologie van Schokland, een eiland in de vroegere Zuiderzee (nu Noordoostpolder), dat reeds sedert 1859 op last van de regering ontruimd was omwille van het gevaar voor de bewoners.
Het relaas van die mislukte liefde keert tot vier maal terug:
1.De versie van Harry Mulisch (geschreven): een logisch, chronologisch relaas (p.5-16a).
2.De versie van Gustaaf Naegelhout (geschreven): een verward, experimenteel verslag over wat hij heeft meegemaakt (p.16b-18a).
3.De versie van Ubbe Joziasse (verteld): een primitief volks verhaal dat heel sterk vertekend is (p.18b-23a).
4.De versie van Gnodde Joziasse (verteld): een mythologisch verhaal, waarbij hij de werkelijke feiten onbewust een diepere dimensie geeft (p.23b-31).
In “Het mirakel” (1955) en “Het zwarte licht” (1956) vinden we dan weer het thema van “Archibald Strohalm” terug: het onmogelijke breekt binnen in de levens van respectievelijk de heer Tiennoppen en Maurits Akelei. Voor “Het zwarte licht” wint Mulisch de Bijenkorf Literatuur-prijs.
“‘Het zwarte licht’ is het verhaal van één dag uit het leven van Akelei, beiaardier, kunstenaar, dode,” aldus Johan de Belie. “Het is het boek van een leven, van het leven van Akelei, geëerd, bemind, onbekend. Het is het probleem van een wereld, een maatschappij. In die omgeving werd Akelei geboren; leven deed hij niet; hij was voorbestemd tot de dood. (…) Eénmaal had hij de wereld stil doen staan: door zijn laatste concert op de beiaard. Was het een eer dat te kunnen of een oneer alleen dat nog te bereiken? Niemand geeft het antwoord. (…) Het mooiste op de wereld zijn oude muren. Zingt Mulisch hiermee de lof van de dood? Zeker niet. Hij zingt de lof van de mens, en tussen die mensen is hem die ene, Maurits Akelei, opgevallen omdat hij dood was. Akelei’s dood is slechts een verwittiging voor de mens die zonder liefde leeft. Akelei kon niet vergeven, hij kon evenmin vergeten. Het werd zijn ondergang. (…) Titel van het boek? Onverklaarbaar en toch zo eenvoudig. De titel is het boek zelf: contrasten die elkaar niet opheffen, hoop en wanhoop, liefde en toch… Mulisch?”
In 1959 vertelt Mulisch in “Het stenen bruidbed” in een “Homerische” stijl over een piloot die de stad bezoekt die hij op het einde van de Tweede Wereldoorlog bombardeerde. De bijna mythische verschrikking van de historische realiteit verdringt de fantasie, dit dus in tegenstelling tot het gelijkaardige “Slaughterhouse five” van Kurt Vonnegut jr., dat trouwens pas tien jaar later zal verschijnen. De “Homerische” stijl (geïnspireerd op de Ilias-vertaling van P.C.Boutens) dient niet om het “epische” karakter te beklemtonen, maar wel om aan te geven dat de vernietigingsdrang van de mens universeel is in tijd en ruimte. Op basis van “Het stenen bruidsbed” vond Anton van Wilderode dat Harry Mulisch een vrijwel unieke plaats inneemt in de Nederlandse letterkunde. Als één van de redenen voor die kwalificatie geeft AvW (naast het schitterende taalgebruik) het feit dat vele werken van Mulisch moeilijk of multi-interpretabel zijn. Volgens hem zou Mulisch ooit hebben gezegd (merkwaardig genoeg in de gij-vorm): “Als ge een boek van mij leest en het niet begrijpt, dan moet ge u afvragen of dat niet juist mijn bedoeling is geweest.”
In 1960 is er het toneelstuk “Tanchelijn”, over de gelijknamige 12de eeuwse Antwerpse ketter, geschreven in opdracht van de gemeente Amsterdam en waarvoor hij de Visser Neerlandica-prijs 1960 krijgt. Hiermee eindigt volgens Leo Geerts de MR-periode van Mulisch. Met een ander toneelstuk “De knop” (eveneens nog uit 1960) draait hij de knop om en voortaan zal maatschappelijk engagement op de voorgrond komen en dat de hele sixties lang. “De knop” gaat, zoals men wel kan veronderstellen, over de knop die dient te worden ingedrukt om een kernoorlog te ontketenen (ook hier is hij “Dr.Strangelove” weer een paar jaar te vlug af). Het stuk gaat in première in het P.S.K. te Brussel en zorgt er voor een kleine rel.
In 1962 komt hij in het bestuur van De Bezige Bij.
In 1966 schrijft hij eerst “Bericht aan de rattenkoning”, waarmee hij een soort paus van de provobeweging wordt, daarna onderneemt hij een wereldreis naar India, Thailand, Japan en Amerika. Remco Campert maakt van de gelegenheid gebruik om hem als “de Best Gekapte Schrijver” van Nederland ten tonele te voeren in zijn satire “Tjeempie! of Liesje in Luiletterland” in 1968, dit n.a.v. de uitverkiezing van Mulisch als “best geklede Nederlander”.
Mulisch zelf maakt ondertusse ook nog drie reizen naar Cuba, wat in 1968 zal uitmonden in “Het woord bij de daad”. Nog in 1968 richt hij het Comité van Solidariteit met Cuba op. In 1969 schrijft hij de opera “Reconstructie” in samenwerking met Hugo Claus, eveneens een ode aan Che Guevara. Hij verdedigt de cultuurpolitiek van Cuba ook in “Over de affaire Padilla” (1971).
Nog in 1971 trouwt Mulisch met de kunstenares Sjoerdje Woudenberg, al was hij in zijn privéleven tot dan toe (en ook nog later?) een soort van Georges Simenon. In 1970 liet hij in The New York Holland Tribune b.v. optekenen dat hij reeds tweeduizend vrouwen had “gehad”.
Het nieuwe paar krijgt meteen een dochter, Anna. In 1974 wordt zijn tweede dochter geboren, Frieda.
Ondertussen heeft hij met “Het seksuele bolwerk” (1973) zijn “geëngageerde” periode afgesloten en keert hij terug naar de mythe en de “zuivere” literatuur. “Het seksuele bolwerk” gaat immers over Wilhelm Reich, Freuds lievelingsleerling, die oorspronkelijk de leer van Freud trachtte te verzoenen met het marxisme, maar tenslotte is ten onder gegaan aan vreemde proeven met quasi-mystieke begrippen van Freudiaanse oorsprong. Leo Geerts ziet hierin – in navolging van Peter Berger – een symbool voor de (mislukte) poging van Mulisch om engagement en literatuur te verzoenen.
Met “De Verteller” schrijft hij tien jaar na “Het stenen bruidsbed” opnieuw een “echte” roman. In schijn gaat het om een ingewikkelde familiegeschiedenis van twee broers, tegelijkertijd verwekt door één vader bij twee zusters, en die vader is dan bovendien ook nog eens de broer van de zusters. De Verteller (met hoofdletter) is niet enkel degene die het verhaal vertelt, maar ook de schrijver achter de verteller. “En zelfs nog weer verder achter de schrijver de grote Fabulator,” schrijft Pierre H.Dubois, “die misschien wel het Leven zelf is, met al het bedrieglijke daarvan.”
Dat zou mede kunnen blijken uit het tweede deel van de titel: “een idioticon voor zegelbewaarders”. Een idioticon is immers een vocabulaire van een idioom en dat idioom is dus dat van de zegelbewaarders. Zegelbewaarders zijn verzamelaars en een ander woord voor verzamelaar is “lezer”, denk maar aan “arenlezer” of “bloemlezer”. “Anders gezegd,” besluit Dubois, “is ‘De Verteller’ dus een woordenboek voor lezers die kiezen, verzamelen, namelijk uit wat de Verteller, de Fabulator, verzint of uit wat hij ze voorzet. Het is intelligent gedaan, maar zó barok dat het zijn boek wel schaadt.”
In 1976 wordt zijn vijftigste verjaardag uitgebreid gevierd. Hij krijgt de onderscheiding van Ridder in de orde van Oranje Nassau. In hetzelfde jaar krijgt hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre.
In 1979 worden in “Paniek der Onschuld” een aantal opstellen gebundeld, waaronder datgene waarin hij afrekent met Gerard (toen nog: Van het) Reve, die hem er (ten onrechte) van beschuldigd had iets tegen homofielen te hebben. In dit pamflet vinden we ook zijn credo terug: “Romans lees ik om verheldering te krijgen over mijn eigen ‘levensgevoel’; wil ik iets over andere mensen aan de weet komen, dan lees ik andersoortige boeken: psychologische, sociologische, antropologische, biografische, enz. Wie romans leest om iets te weten te komen over iets anders dan zichzelf, die heeft nog niet begrepen wat literatuur is.”
Volgens Leo Geerts komt dit credo niet toevallig voor in het pamflet tegen Reve, “want het verschil tussen een mytholoog (Mulisch) en een mythomaan (Reve) komt uiteindelijk neer op het verschil tussen een volksverlakker, een op populariteit en geld azende amuseur, en een eerlijke, soms ijzingwekkend zelfbewuste schrijver.”
Een deel van dat amuseren is blijkbaar ook een groot publiek bereiken via een verfilming. Zoals Gerard Soeteman getuigt in Humo van 17/2/1977: “Ik was bij Rademakers thuis toen Mulisch zijn Twee vrouwen kwam aanbieden voor verfilming, terwijl het boek nog niet eens geschreven was.”
Bij Fons Rademakers vangt Mulisch dan weliswaar bot, maar George Sluizer hapt wél toe, met een Engelstalige film dan nog wel, getiteld “Twice a woman” (1980), dus nóg meer volk. Alhoewel hij door Humo gevat wordt aangekondigd als “Wat is er mysterieuzer dan een vrouw? Twee vrouwen!”, is zoals gewoonlijk het boek (1975) beter dan de film. Een fragment: “De moderne Nederlandse literatuur vond zij prachtig, vermoedelijk omdat die, op één of twee schrijvers na (**), uitsluitend bestaat uit een veredeld soort boeken voor de rijpere jeugd, die niemand na zijn vijfentwintigste nog leest.” (Harry Mulisch, Twee vrouwen, p.38)
Met “Hoogste tijd” schrijft Mulisch in 1985 een levensverhaal dat dicht bij dat van Johannes Heesters aanleunt. Ook “Hoogste tijd” wordt later verfilmd (in 1995 door Frans Weisz). Maar daarvóór nog, in 1986, komt Fons Rademakers dan toch over de brug en hij verfilmt “De aanslag” (1982). Hij zal het zich niet beklagen want hij wint ermee een Golden Globe en een Academy Award als beste buitenlandse film. Mulisch krijgt de Diepzee-prijs voor de meest gelezen auteur onder middelbare scholieren.
In “De ontdekking van de Hemel” (1992), geschreven om “Het Verdriet van België” van Hugo Claus te overtreffen, hangt Mulisch weer eens graag “de slimste mens ter wereld” uit. Daarom is het een beetje ontluisterend dat hij op p.766 de uitdrukking “Ausputzer” gebruikt, “een term uit de wielersport”. Aangezien ik als wielerliefhebber deze uitdrukking nog nooit had gehoord, was ik hier even door uit mijn lood geslagen, maar gewoon even een Duits Prisma-woordenboek (!) openslaan, leerde me dat de term uit het voetbal komt (het is namelijk een “opruimer”). Het is toch wel godgeklaagd dat Mulisch met Sanskriet en Hebreeuws ligt te zwaaien, terwijl hij blijkbaar te beroerd is om dit eens heel even te checken. Van de weeromstuit vraag je je natuurlijk af wat je mag geloven van al dat Sanskriet-gedoe! (Nog veel erger is misschien het feit dat Mulisch het herhaaldelijk heeft over “de onbevlekte ontvangenis” heeft, als hij de maagdelijke conceptie van Christus bedoelt, terwijl dit eigenlijk wil zeggen dat Maria geboren is zonder erfzonde.)
Titelverklaring:
Met wetenschap en techniek probeert de mensheid het mysterie van de hemel te ontrafelen. De gevolgen daarvan (met als dieptepunt de holocaust) zijn schrikbarend. God wil niets meer met zijn schepping te maken wil hebben en besluit het testimonium (de stenen tafel met de tien geboden) naar de hemel terug te halen. In zijn functie van sterrenkundige probeert Max Delius het heelal te bestuderen. De engel grijpt in om te voorkomen dat de hemel ontdekt wordt.
Genre:
De ontdekking van de hemel wordt een totaalroman genoemd. Het boek bevat elementen van:
– de psychologische roman
– de filosofische roman (de personages filosoferen over o.a. politiek en de schepping van de aarde)
– de historische roman (belangrijke historische gebeurtenissen worden uitvoerig beschreven)
– de ontwikkelingsroman
– de avonturenroman
Samenvatting:
Belangrijke waarschuwing vooraf: ik raad iedereen aan die het boek nog niet gelezen heeft deze zeer uitgebreide samenvatting die ik van het internet heb gehaald niét te lezen. Ze is enkel bedoeld als geheugensteun achteraf.
Eerste deel: het begin van het begin
Een engel vertelt aan een andere engel, hoger in rang, hoe hij in opdracht van de Chef het testimonium terug heeft gehaald naar de hemel. Uit de voorgeschiedenis blijkt dat het hele proces behoorlijk ingewikkeld is geweest. Er moest een persoon geboren worden die beantwoordde aan het vereiste DNA-profiel. De eerste stap was gebruik maken van de Eerste Wereldoorlog om een ontmoeting tussen de Oostenrijker Wolfgang Delius en de Vlaamse Eva Weiß te arrangeren. Hun tweede zoon, Max, fungeert later als vader, maar dat kom je maar op de allerlaatste pagina’s (van de 900!) te weten. De aanstaande moeder van de gezochte persoon was niet moeilijk te creëren. Ze werd geboren uit het huwelijk van Oswald Brons en Sophia Haken, die elkaar, door een manipulatie vanuit de hemel, ontmoeten. De engel begint met het vertellen van de gebeurtenissen op maandag 13 februari 1967.
Die avond zorgt de engel om precies twaalf uur ’s nachts voor een kortsluiting. De minister van staat, Hendrikus Quist, viert juist die avond zijn 75e verjaardag. De jongste zoon, Onno, jaagt met zijn kwetsende opmerkingen iedereen tegen zichzelf in het harnas. Tevreden loopt hij richting Amsterdam in de hoop dat hij nog een lift krijgt. Op het moment dat Onno zijn ouderlijk huis verlaat, beleeft Max Delius een seksueel avontuur met een “waarzegster” die hij pas enkele uren tevoren heeft ontmoet (hij is een seksuele veelvraat). Als hij vanuit Den Haag naar huis terugkeert, ziet hij Onno op een kruispunt staan. Hij stopt en biedt hem een lift aan. Onderweg stellen de mannen zich aan elkaar voor. Onno vertelt dat hij de Etruskische taal begrijpelijk heeft gemaakt en daarvoor in Uppsala een eredoctoraat heeft gekregen. Zijn vader is minister-president geweest. Onno heeft rechten gestudeerd, maar voelt zich zeer aangetrokken tot de taalkunde. Max is astronoom. Zijn vader was oorlogsmisdadiger. Hij liet zelfs zijn joodse vrouw, Max’ moeder dus, naar Auschwitz transporteren. De mannen ontdekken dat ze op dezelfde dag verwekt zijn.
In de tijd die daarna volgt trekken ze veel met elkaar op. Ze zijn onafscheidelijk. Hun filosofische gesprekken gaan o.a. over religie, literatuur en politiek. De vriendschap gaat zelfs zo ver dat Helga, Onno’s vriendin, de verkering uitmaakt. Enkele maanden later betreden de twee vrienden een tweedehands boekwinkel. Max raakt plotseling betoverd door cellomuziek. De celliste blijkt de dochter te zijn van de boekhandelaar. Ze heet Ada Brons. In een nabijgelegen café praten ze, in gezelschap van Onno, verder. ’s Middags neemt Max Ada mee naar de sterrenwacht, waar hij werkt. Na een rondleiding gaat ze met hem mee naar huis. Diezelfde avond blijft ze bij hem slapen. In de weken die volgen, ontmoeten zij elkaar dagelijks. In de weekeinden verblijft Ada bij Max in Amsterdam. Het stel voelt zich sterk met elkaar verbonden. Max overweegt Ada zelfs mee te nemen als hij over een paar jaar wordt overgeplaatst naar Westerbork.
Ada wordt uitgenodigd om met haar klavierpartner Bruno op een politiek-sociale manifestatie te komen spelen. Onno, die zich steeds meer met politiek bezig houdt, gaat met Max mee naar de manifestatie. Diverse binnen- en buitenlandse sprekers, waaronder Rudi Dutschke, komen op deze dag het woord. Na het optreden van Ada en Bruno ontstaat er een discussie, waarbij Onno door de studentenleider van de CPN, Bart Bork, zwaar getackled wordt. Later die avond worden Ada en Bruno uitgenodigd door enkele Cubanen om eens in hun vaderland te komen spelen. Ada is moe en wil naar huis. Ze gaat alleen, want Max en Onno willen nog wat blijven drinken. Max weet eigenlijk helemaal niet hoe zijn vader er uit ziet. Ze besluiten de volgende dag op onderzoek te gaan bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
Juist op het moment dat Onno bij Max aanbelt, liggen Max en Ada in bed te vrijen. Max breekt de vrijpartij abrupt af om met zijn vriend mee te gaan. Ada blijft beduusd achter, twijfelend aan haar gevoelens voor Max. Ze besluit bij hem weg te gaan. Onno en Max boeken intussen weinig succes in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze kunnen maar één foto vinden van Max’ vader, maar deze is van grote afstand genomen. Bij thuiskomst ontdekt Max Ada’s afscheidsbrief. Hij accepteert haar vertrek onmiddellijk.
Max blijft denken aan zijn vader. Hij wil meer over hem weten en daarom reist Max in zijn zomervakantie naar Polen, de geboortestreek van zijn vader. Onderweg brengt hij een bezoek aan Auschwitz-Birkenau. Hij raakt er diep van onder de indruk. Hij beseft dat er geen hemel is, alleen een hel. Ada neemt in deze periode contact op met Onno. Ze wil weten waar Max is. Onno vertelt haar dat Max ergens in Polen, Tsjechoslovakije of Hongarije zit. Ze praten verder in café Keyzer. Max blijkt Ada nooit iets verteld te hebben over zijn ouders. Onno vraagt Ada of ze weer terug wil naar Max, maar Ada weigert. Onno vertelt over zijn politieke carrière als “nieuw linkse” bij de sociaal-democratische partij. Als ze het café verlaten gaat Ada met Onno mee naar huis. Daar aangekomen beseft Onno dat hij verliefd is op Ada. Ada schrikt van de wanorde in Onno’s huis. Ze stuurt hem een paar uur de stad in, zodat ze in alle rust zijn rotzooi op kan ruimen.
Max keert weer terug uit Polen. De gebeurtenissen hebben op hem zo’n indruk gemaakt, dat hij geen oor heeft voor Onno’s politieke carrière. Ook de relatie tussen Onno en Ada doet hem niets. Hij feliciteert zijn vriend; hij had het niet beter kunnen treffen met Ada. Enkele weken later ziet Max Ada weer voor het eerst. Hij bezoekt de uitvoering van het Concertgebouworkest, waar Ada een aanstelling heeft gekregen. Ze praten slechts kort met elkaar. Korte tijd later trekt Ada bij Onno in en stelt Ada hem voor aan haar ouders. Onno belooft Oswald Brons dat hij goed voor Ana zal zorgen.
Ada en Bruno ontvangen een uitnodiging uit Cuba om op het tiendaagse kamermuziekfestival in Havana te komen spelen. Max stelt voor om samen met Onno mee te gaan. Drie weken na het aanvragen van het visum, vertrekken ze naar Cuba. Bij aankomst worden Max en Onno per abuis aangezien voor Nederlandse delegatieleden, deelnemend aan een congres in Havana. Om de verwarring niet nog groter te maken, laten ze het daar maar bij. Ze worden ontvangen in hotel Habana Libre. De kamers zijn al geregeld voor de ‘gasten van de revolutie’. Het tweetal besluit zich in te schrijven voor het congres. Het blijkt echter te gaan om een revolutionair congres. Na de officiële opening van het congres wandelen Onno en Max naar buiten. Plotseling ziet Onno een bekende. Het is Bart Bork, die zwart geld staat te wisselen. Onno, die nog een rekening met Bart te vereffenen heeft, grijpt in en laat Bart Bork verbijsterd achter.
Na enkele dagen begint Max zich af te vragen wat hij nog in Cuba doet. Hij verveelt zich en de discussies bij het congres kunnen hem niet boeien. Met tegenzin bezoekt hij Ada’s optreden. Hij knapt weer op na het drinken van een aantal daiquiri’s. De volgende dag vertrekt Ada weer naar Nederland. Max en Onno blijven nog enkele dagen, omdat het congres nog niet afgelopen is. Op de laatste dag van haar verblijf spreekt Ada af met Onno. Ze zullen elkaar ontmoeten bij het strand. Terwijl Onno op Ada wacht, gaat er een onbekende Cubaanse op de barkruk naast Onno zitten. Onno knikt haar vriendelijk toe. Als hij na enige tijd wegloopt om te kijken waar Ada blijft, loopt ze hem achterna. Ze stelt zich voor als María en nodigt Onno uit om met haar mee te gaan. Onno verbaast zichzelf erover, dat hij haar uitnodiging direct aanneemt. Bij María’s huis aangekomen, belt Onno naar Ada. Hij vertelt haar dat hij in de kerk is. Nadat hij de telefoon opgehangen heeft, gaat Onno met María naar bed. Zij blijkt de weduwe te zijn van één van de guerillero’s van Che Guevara, die zelf trouwens enkele dagen later ook zal vermoord worden. Ada spreekt die avond af met Max. Ze brengen een bezoek aan de Sierra Maestra en maken een wandeling op het strand. Max belt naar het hotel en krijgt Onno, die zich belabberd voelt, aan de telefoon. Onno smeekt Max niks aan Ada te vertellen, wat trouwens moeilijk zal gaan, want Max kan enkel maar vermoeden wat er is gebeurd. Max keert weer terug naar het strand, waar hij Ada weer ziet. De ontmoeting eindigt in een vrijpartij, die volgens Max nog afgemaakt moest worden (herinner u de manier waarop ze uit elkaar zijn gegaan).
Op dit moment grijpt de engel in. Hij stuurt de afgezant, Vonk geheten, naar de aarde. Vonk moet, als nakomeling van Ada en Max, het testimonium terughalen naar de hemel.
Tweede deel: het einde van het begin
De engel vertelt hoe hij verantwoordelijk is voor de ontmoeting tussen Max en Onno. Het feit dat Cuba erbij betrokken werd, is volgens hem strikt noodzakelijk geweest. De engel vertelt tevens over de reden van zijn opdracht. Alles valt te herleiden op het pact dat Lucifer-Satan vierhonderd jaar tevoren sloot met de mensheid.
Ada gaat winkelen in de Bijenkorf. Ze steelt een puntenslijpertje en voelt zich op een vreemde manier voldaan. Als ze het winkelpand verlaat, wordt ze betrapt. Ze moet weer naar binnen en wordt opgesloten in een kamertje. Na een kwartier verschijnt de bewaker met een politieagent. Ada biedt aan om alsnog de puntenslijper te betalen, maar ze wordt geboeid meegenomen naar het politiebureau. Ze moet een proces-verbaal ondertekenen, maar het doordrukformulier werkt niet goed. De politieagent laat haar tenslotte maar gaan. De gebeurtenis maakt een diepe indruk op Ada. Anderhalve week later viert Onno zijn 34e verjaardag. Ada heeft een verrassing voor hem: ze is niet ongesteld geworden. Onno is stomverbaasd, maar blij. Ze concluderen dat het kind in Havana verwekt moet zijn. Onno vindt het dan ook langzamerhand wel tijd worden, dat Ada kennis maakt met zijn ouders. Ada twijfelt over het vaderschap. Ze heeft immers met Max èn Onno gevreeën tijdens hun verblijf in Havana. Onno brengt Max op de hoogte van Ada’s zwangerschap. Max schrikt. Hij beseft dat er een kans bestaat dat hij de vader is van Ada’s kind. Onno nodigt Max uit voor de bruiloft die twee weken later, gelijk met Max’ verjaardag, gehouden zal worden. Max is uiteraard getuige. De gedachte aan Ada’s zwangerschap laat Max niet los. Hij is bang dat het kind op hem zal lijken, zodat hij door de mand zal vallen. Hij wil Onno een brief schrijven, maar besluit eerst met Ada te gaan praten. Ada wil de toekomst afwachten en Max gaat er mee akkoord.
De bruiloft is eenvoudig. Het stel arriveert, te laat, op de fiets bij het stadhuis. De huwelijksvoltrekking wordt vlot afgerond en ’s avonds is er nog een diner. Max maakt eindelijk kennis met Onno’s ouders. Onno is beretrots op zijn zwangere vrouw en verkondigt dit dan ook luidkeels. Max bidt dat het kind van Onno is. Op 27 februari vieren Onno, Max en Ada het feit dat de mannen verwekt zijn. Max nodigt Onno en Ada uit op het terrein van de sterrenwacht. Een rondleiding op het terrein wordt tenslotte afgesloten met een etentje. Plotseling krijgt Onno een telefoontje. Sophia vraagt of ze onmiddellijk terug willen komen, want Ada’s vader heeft een hartaanval gehad. In het zware onweer rijden ze terug, maar ze worden tot stoppen gedwongen door een omgewaaide boom. Bij een uitwijkmanoeuvre belandt de auto in een berm. Max en Onno stappen uit om de auto weer de weg op te helpen. Juist op dat moment valt er een boom op de auto. Ada raakt bekneld en is buiten bewustzijn. In de ambulance blijft Ada buiten bewustzijn. Ook in het ziekenhuis verbetert haar situatie niet.
Max gaat met een taxi naar het ziekenhuis in Leiden om Sophia op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen. Ada’s vader blijkt inmiddels al overleden te zijn en Sophia is al naar huis teruggekeerd. Max en Sophia bellen naar het ziekenhuis van Hoogeveen, waar ze van Onno horen dat Ada geen schedelbasisfractuur heeft. Ze moet opgenomen worden in Amsterdam, waar een E.E.G. gemaakt zal worden. Max en Sophia praten over vroeger. Sophia biedt Max een slaapplaats aan. Later die nacht komt ze bij hem op de kamer en ontpopt zich als een grote minnares. Max is verbaasd en weet de volgende dag niet of hij nu hallucinaties heeft gehad of dat het werkelijkheid was. Sophia’s gedrag is de volgende dag ongewijzigd en Max blijft haar maar ‘mevrouw’ noemen. Hij concludeert dat er zowel een dag-Sophia als een nacht-Sophia is.
Die avond spreken Onno en Max af in café Keyzer. Onno brengt Ada’s muziekcollega, Marijke, op de hoogte van de gebeurtenissen. De E.E.G. gaf geen ‘plat’ beeld, zoals bij ‘planten’ het geval zou zijn. Het ongeluk heeft vooralsnog geen gevolgen gehad voor het kind. Na de crematie van Ada’s vader herinnert Sophia Max eraan dat hij zijn puntenslijper heeft laten liggen. Max ziet dit als een verkapte invitatie om weer bij Sophia te komen. Vanaf de sterrenwacht in Dwingeloo maakt hij met haar de afspraak om de puntenslijper weer op te komen halen. Max en Sophia praten over Ada. Daarna nodigt Sophia Max uit om te blijven slapen, zegt echter niets over vrijen, maar doét het wel. De weken die daarop volgen verlopen volgens hetzelfde patroon. Max brengt Sophia enkele dagen per week een bezoek, steeds voorafgegaan door een telefoontje. Overdag gaan ze formeel met elkaar om, maar ’s nachts slapen ze met elkaar.
Onno vraagt Max op een zondagochtend mee te gaan naar Ada. Max kijkt er tegenop, maar kan niet weigeren; hij heeft Ada sinds het ongeluk niet meer gezien. Sophia komt even later ook naar het ziekenhuis. De arts vertelt hen dat Ada’s E.E.G. de laatste dagen verslechterd is. Ada ligt in een irreversibel coma. Tijdens een familieberaad van Onno’s familie, waarbij Sophia ook aanwezig is, wordt besproken wie het kind van Ada op zal voeden. Volgens Sophia moet het kind opgevoed worden in een gezin waar meer jonge kinderen zijn. Onno’s broers en zussen bieden zich één voor één aan. Onno wil er nog even over nadenken; het kind wordt immers pas over twee maanden geboren. De artsen besluiten echter het kind eerder geboren te laten worden, omdat Ada’s toestand snel verslechtert. Max beseft dat nu het moment van de waarheid gekomen is. Nu zal iedereen weten wie de vader is van Ada’s kind! Max gaat er met zijn auto op uit om even na te denken. Hij vindt dat hij zich moet opofferen en besluit samen met Sophia het kind groot te brengen. Hij zal immers binnenkort naar Westerbork verhuizen voor zijn werk. Op de terugweg brengt Max voor het eerst sinds lange tijd weer een bezoekje aan zijn pleegmoeder, moeder Tonia, in verzorgingscentrum Sancta Maria. Ze is blij hem weer terug te zien en ze vraagt hem waarom hij haar niet eerder heeft bezocht. Max vertelt haar dat hij op het punt staat een belangrijke beslissing te nemen. Moeder Tonia laat Max de trouwfoto van zijn ouders zien, die ze tot haar verhuizing kwijt was. Dit is voor Max de eerste keer dat hij zijn ouders weer ziet. De verbaasde Max neemt de foto mee.
De volgende dag staat Sophia al weer klaar om naar het ziekenhuis te gaan. Max wil eerst nog met haar praten. Hij spreekt met haar af in de restauratie van het Centraal Station. Die middag keert Sophia terug uit het ziekenhuis met groot nieuws. Ada’s kind wordt uiterlijk volgende week donderdag met de keizersnede gehaald. Max weet dat er nu snel een beslissing moet worden genomen en komt met zijn voorstel op de proppen. Sophia vraagt Max of hij wel beseft welke gevolgen zijn voorstel zal hebben. Max vindt dat ze het Ada verplicht zijn. Na enig aarzelen stemt Sophia met het plan in, op voorwaarde dat Onno akkoord gaat. Max besluit bij Onno langs te gaan. Onno reageert verbaasd op Max’ voorstel, maar gaat uiteindelijk ook akkoord. Na Max’ vertrek brengt Onno zijn familie op de hoogte van het besluit. Onno’s zus Dol reageert niet enthousiast. Max is immers niet een van hun. Onno is woest op zijn zus en weet nu zeker dat zijn beslissing juist was. De volgende ochtend belt hij haar weer op om zijn excuses aan te bieden.
Chirurg Melchior wil Onno spreken. Hij vertelt hem dat er bij de operatie een kans bestaat op fatale complicaties. Eigenlijk bedoelt hij hiermee dat hij overweegt Ada in dat geval rustig te laten inslapen, maar het woord “euthanasie” mocht in die tijd nog niet luidop worden uitgesproken. Onno weet niet wat hij hiermee moet. Hij is het niet gewend om over het leven van een ander te beslissen. Voorlopig laat hij de kwestie nog even rusten. Onno praat er over met Max, die hem belooft het aan niemand verder te vertellen. Max vindt dat de artsen er voor honderd procent zeker van moeten zijn dat Ada hersendood is. Hij stelt voor dat Onno informeert naar de soort anesthesie die uitgevoerd zal worden voor de verdoving. Als ze haar helemaal niet onder narcose brengen, dan is dat voor hem het bewijs dat Ada hersendood is. Onno stemt in met Max’ voorstel.
Op dinsdagavond bespreken Max, Sophia en Onno de kwestie. De financiële kant van de zaak, het antiquariaat van Sophia en de huisvesting in Drenthe zijn snel geregeld. De directeur van de sterrenwacht wist nog wel een geschikt optrekje. Max gaat de volgende ochtend naar de bibliotheek van de medische faculteit om zich te laten informeren over verloskunde. Hij ziet vrijwel onmiddellijk een probleem; de keizersnede wordt uitgevoerd onder een totale of een lokale narcose. Hieruit kunnen ze dus niet opmaken hoe Ada’s situatie is. Max informeert Onno over zijn bevindingen en Onno concludeert dat Ada dan maar in leven moet worden gehouden. De geboorte verloopt probleemloos. Ada is bevallen van een jongen, die Quinten wordt genoemd, naar “de reine kwint” (een muziekterm) en ook wel omwille van de alliteratie.
Derde deel: het begin van het einde
De engel wordt gecomplimenteerd; eindelijk is de afgezant geboren! De engel vertelt dat hij ook verantwoordelijk was voor de omgewaaide bomen, waardoor Ada in het ziekenhuis belandde. De engelen praten verder over de relatie tussen hun “ Chef” en Satan en de rol die Francis Bacon daarbij heeft gespeeld. Daarna gaat de engel verder met zijn verhaal.
Quinten moet na zijn geboorte nog enkele weken in de couveuse blijven. De directeur van de sterrenwacht heeft inmiddels woord gehouden. Het ‘gezinnetje’ komt terecht op het kasteel Groot Rechteren. Max noemt het ‘een geschenk uit de hemel’. Ook Sophia kan haar ogen nauwelijks geloven. Ze maken kennis met de overige bewoners van het kasteel: het artistieke echtpaar Spier, de architectuurdocent Verloren van Themaat, de vertaler Marius Proctor (gespecialiseerd in Francis Bacon) en zijn vrouw Clara, en de beeldhouwer Theo Kern met zijn vrouw Selma.
Eindelijk is de dag aangebroken dat Quinten het ziekenhuis mag verlaten. Max haalt hem samen met Sophia en Onno op. De zusters hebben grote moeite om afscheid te nemen van Quinten, want het is zo’n lief en mooi kind. Ook voor Onno is het een bijzondere dag. Het is voor het eerst dat hij Groot Rechteren bezoekt. Hij is zeer tevreden over de nieuwe woonomgeving voor zijn zoon. De medebewoners van Groot Rechteren ontvangen Quinten liefdevol.
Een half jaar later neemt Max Sophia en Quinten mee naar de sterrenwacht in Dwingeloo. Diezelfde dag brengen zij een bezoek aan kamp Westerbork. Ze passeren de plek waar het fatale ongeluk in februari plaats had, maar Max kijkt er alleen met een snelle blik uit zijn ooghoeken naar. In het kamp komen bij Max weer allerlei herinneringen boven van de tweede wereldoorlog.
Intussen is Onno Quist aan een politieke bliksemcarrière begonnen. Hij wordt gekozen in de gemeenteraad en korte tijd later wordt hij benoemd als wethouder van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Onno denkt steeds minder aan Ada en Quinten. Ada is goed ondergebracht in een verpleegtehuis in Emmen en ook Quinten ontbreekt het aan niets. Na Quintens eerste verjaardag, twee maanden geleden, is hij niet meer op Groot Rechteren geweest. Hij voelt zich eenzaam en besluit Helga te bellen. Helga is nog steeds vrijgezel en Onno wil haar graag weer terug.
Quinten Quist groeit op tot een schattige peuter. Ondanks dat hij nog niet praat, ontwikkelt hij zich tot een intelligent kind. Jan Spier maakt prachtige tekeningen van hem, die door de omwonenden liefkozend wordt aangesproken met Kuku, als afgeleide van zijn initialen Q.Q. Enkele weken voor Quintens derde verjaardag brengt Onno met Helga een bezoek aan Groot Rechteren. Tijdens een wandeling met zijn vader, spreekt Quinten zijn allereerste woordje uit: obelisk.
Als Quinten vier is brengt Max hem voor de eerste keer naar de kleuterschool. Sophia is van mening dat het goed voor zijn persoonlijke ontwikkeling zou zijn. Quinten begrijpt niet waarom hij niet wordt opgehaald door zijn mama, zoals de andere kinderen. Sophia legt hem uit dat zij de moeder is van zijn mama en dat zijn echte mama slaapt. “Net als Doornroosje?” vraagt Quinten. Thuisgekomen laat Sophia hem een foto zien van Ada. Quinten neemt de foto trots mee naar zijn kamer.
Onno is inmiddels alweer vier jaar wethouder. Ondanks dat hij niet ontevreden is, accepteert hij de functie van staatssecretaris van Wetenschapsbeleid. Door zijn nieuwe baan heeft hij nog minder tijd om Quinten te bezoeken. Quinten bezoekt inmiddels de eerste klas van de lagere school. Uit de krant leert hij weliswaar niet de schrijfwijze van Jacques Anquetil, maar wel het lezen van zinnen als ‘Cambodjaanse president Lon Nol verlengt speciale volmachten’, waarbij hij desgevraagd (door Onno) ook meteen opmerkt dat er tussen “Lon” en “Nol” een “spiegel” staat. Sophia en Max verbazen zich elke dag weer over hun pleegzoon. Op een dag gaat Quinten naar buiten om de pet van meneer Roskams vader te zoeken, die deze destijds op last van de autoritaire kasteelheer moest begraven. Tijdens de graafwerkzaamheden vindt hij enkele pijlpunten van vuistbijlen. Al snel blijkt het te gaan om oplichterij. De pijlpunten lagen erg netjes naast elkaar. Een buur, mijnheer Verdonkschot blijkt de zogenaamde ‘prehistorische pijlpunten’ in de grond te hebben gestopt om er jaren later veel geld voor te krijgen.
Quinten is zeven jaar als kort na elkaar Quintens overgrootmoeder (Sophia’s moeder) en grootvader (Onno’s vader) overlijden. Hij vraagt zich af waarom Ada’s naam niet in de rouwadvertentie staat vermeld. Volgens Onno is dat omdat ze niet gestoord mag worden. Quinten geeft aan dat hij zijn moeder graag wil zien. Onno sluit zijn ogen en stemt in. Een week later neemt Onno zijn zoon mee naar het verpleegtehuis in Emmen. Quinten wil weten of zijn moeder echt niet meer wakker zal worden. Onno zegt hem dat Ada niets meer kan horen, zien en voelen. Ze zal nooit meer wakker worden, maar ze is ook niet dood. Quinten vraagt hoe het gebeurd is en Onno vertelt hem alles over Ada’s leven en het ongeluk. De kennismaking met zijn moeder maakt grote indruk op Quinten. ’s Avonds heeft hij nachtmerries: hij bevindt zich in een volledige stilte en diepe duisternis. Hij is in het midden van de wereld, in een complex omgeven door zalen, trappen, zuilen, pilaren en loopbruggen, waar hij alleen uit kan ontsnappen door te ontwaken. Als hij wakker wordt, gilt hij het uit. Sophia neemt hem mee naar haar kamer. Vanaf dat moment komt zij ’s nachts niet meer bij Max. (Tussen haakjes: in deze bespreking staan veel zogenaamde “tangconstructies” zoals “waar hij alleen uit kan ontsnappen” – dat moet natuurlijk zijn “waaruit hij alleen kan ontsnappen”. Een paar keer heb ik die al verbeterd, maar vanaf nu ben ik van plan ze te laten staan omdat Mulisch zelf ook vaak die fout maakt.)
In maart 1977 valt het kabinet en Onno’s partij komt als grote winnaar uit de bus. Men verwacht dat Onno snel een ministerschap aangeboden zal worden. Het tegendeel blijkt helaas waar. De christen-democraten kiezen een conservatieve partij als coalitiepartner, waardoor de socialisten – Onno’s partij – afvallen. Onno voelt zich nu eindelijk vrij. Helga vindt dat hij zichzelf maar wat wijsmaakt: hij hoort gewoon in de politiek. Onno geeft toe en wordt fractielid in de Tweede Kamer. In de komende vier jaar ziet hij Quinten nog minder dan vroeger. Max heeft intussen een verhouding met een secretaresse op de sterrenwacht, genaamd Tsjallingtsje Popma. Pas na enkele maanden vertelt Max dit aan Sophia. Ze vindt het leuk voor hem, maar Max durft Tsjallingtsje niet mee te nemen naar Groot Rechteren. Quintens droom van ‘het midden van de wereld’ blijft hem steeds achtervolgen. Als hij ’s ochtends wakker wordt probeert hij de architectonische perfectie vast te houden, maar helaas. Hij wil weten waar het gebouw, dat hij de ‘Burcht’ noemt, zich bevindt. Bij meneer Themaat pluist hij alle boeken over architectuur na. Als meneer Themaat Quinten vraagt waar hij naar zoekt, wil Quinten weten wat hét gebouw is. Meneer Themaat denkt dat hét gebouw niet bestaat, maar dat het Pantheon in Rome op een goede tweede plaats komt. Als Quinten de tekeningen van het Pantheon ziet, concludeert hij dat de Burcht niet van deze wereld is. Pas als meneer Themaat een boek laat zien met reproducties van Piranesi’s Carceri, ziet Quinten gelijkenis met de Burcht.
In de zomer van 1980 worden in Westerbork twee nieuwe spiegels in gebruik gesteld. Volgens Quinten moet, aangezien wij de sterren zien zoals ze zovele jaren geleden waren, vanaf de sterren dan ook te zien zijn, hoe de Tweede Wereldoorlog verliep. Deze visie maakt op de aanwezigen grote indruk. Volgens Onno kan het echter nooit gerealiseerd worden. Bovendien moet het verleden voor eeuwig verzegeld zijn. Op het gymnasium heeft Quinten, evenals op de lagere school, geen vrienden. Zijn interesses liggen in andere zaken, dan waar zijn leeftijdsgenoten over praten. Quinten speurt nog steeds verder naar zijn Burcht en verwaarloost daarbij zijn huiswerk. Als Onno wil weten wat Quinten wil worden, antwoordt Max ‘architect’. Quinten weet eigenlijk niet wat hij wil worden. Hij heeft er ook nooit over nagedacht.
Een jaar later, het is inmiddels 1981, wordt Onno voorgedragen als minister van Defensie. Helaas strooit een anonieme brief roet in het eten. Iemand dreigt Onno’s bezoek aan Cuba wereldkundig te maken. Onno weet dat dit de wraak van Bart Bork is en geeft een bevredigende uitleg. De partijleiding adviseert Onno echter toch om het dan maar rustiger aan te doen. Onno twijfelt, maar gaat met het voorstel akkoord. Even later krijgt hij opnieuw een tegenslag te verwerken: Helga is vermoord. Onno wil weg, weg uit Nederland, waar zinloos geweld en vandalisme overhand toenemen (en dat zal na 2000 nog steeds acuter worden, profeteert hij). Na Helga’s begrafenis stuurt hij Max, Sophia en Quinten een afscheidsbrief. Hij raadt hen af naar hem te zoeken, want ze zullen hem toch niet vinden.
Niet veel later overlijdt de baron van Groot Rechteren. Hij laat Quinten 40.000 gulden na omdat hij zijn mongoloïde zoon Rutger gelukkig heeft gemaakt met hem te leren hoe je een “oneindig groot” gordijn kunt weven. De erfgenamen van de baron willen Groot Rechteren verkopen aan de huidige bewoners, maar deze kunnen niet voldoende geld bij elkaar krijgen. De komende periode gaat Groot Rechteren van de ene eigenaar over op de andere. Doordat de bewoners nog huurbescherming genieten, heeft dat voor hen geen directe gevolgen. De laatste eigenaar, Korvinus, de fascistische baas van een sloopbedrijf, zorgt echter voor onrust in de gelederen. Korvinus zet alles op alles om de bewoners weg te jagen. Zijn methode heeft tot gevolg dat de één na de ander verhuist. Max beklaagt zich bij Sophia over Korvinus. Hij krijgt bij haar echter geen gehoor: “Ik vind het niet prettig als je zo mijn slaapkamer komt binnenvallen, Max.”.
Het jaar 1985 wordt een jaar vol ingrijpende gebeurtenissen. Arend Proctor (zoon van Marius en Clara) en Evert Korvinus (zoon van de eigenaar) verongelukken bij een joyride. De twee hadden Quinten vaak gepest (o.m. zijn schuilhut vernield) en het lijkt erop dat Quinten dit ongeluk “gewenst” heeft. Ada’s toestand verslechtert. Er zijn problemen met de spijsvertering, Ada krijgt een nierbekkenontsteking en uiteindelijk wordt baarmoederhalskanker geconstateerd. De gynaecoloog ziet af van een operatie, omdat er al te veel uitzaaiingen zijn. Ook chemotherapie, bestraling en medicijnen zijn niet aan de orde. Sophia wil een eventuele beslissing aan Onno overlaten, maar Max vindt dat dit Sophia’s taak is. Sophia vindt dat er een einde aan moet komen. Max heeft Ada al jaren niet meer gezien en schrikt van de aanblik. Ada is helemaal afgetakeld en Max kan nog nauwelijks een lichaam herkennen onder de lakens.
Max brengt een bezoek aan Tsjallingtsje. Ze vertelt hem dat ze een kind van hem wil. Het idee spreekt Max ook wel aan. Hij trekt zich terug in de tuin om aan het idee te wennen. Wanneer hij in een dronken roes plotseling het “Absoluut Oneindige” ontdekt wordt Max getroffen door een meteoriet. Hij heeft daarmee de twijfelachtige eer de tweede man te zijn die dat overkomt. Na de dood van Max vraagt Quinten zich af wat hij nog op Groot Rechteren doet. Hij besluit zijn vader op te gaan zoeken. Zijn school is niet belangrijk, want alles wat hij weet heeft hij daar niet geleerd. Sophia is niet enthousiast over Quintens plannen. Hij moet nog maar één jaar en dan heeft hij het gymnasium afgerond. Quinten is echter niet te vermurwen. Hij blijft immers maar een paar maanden weg en als hij terug komt kan hij zijn school wel afmaken. Bovendien beschikt hij over voldoende geld. Uiteindelijk beseft Sophia dat ze haar kleinzoon niet tegen kan houden. Quinten informeert bij diverse mensen naar de mogelijke verblijfplaats van Onno, maar hij heeft geen succes. Onno’s advocaat wil Quinten ook niet vertellen waar hij te vinden is. Quinten besluit naar Italië te gaan; daar is hij immers nog nooit geweest. Hij neemt zijn schetsen en tekening van de Burcht mee, in de hoop dat hij ze nog kan aanvullen.
Vierde deel: het einde van het einde
De engel verklaart het hoe en waarom van de meteoriet, waardoor Max gedood werd. Max stond immers op het punt om de hemel te ontdekken. Ook de dood van Helga was strikt noodzakelijk voor het slagen van de zoektocht naar het testimonium.
De engel vertelt hoe hij de eenzame Onno Quist iedere dag verblijdt met de komst van een raaf. Al snel ontstaat er een soort vriendschap tussen hem en de raaf ‘Edgar’ (uiteraard naar Edgar Allan Poe en diens verhaal “The Raven”). Onno vertelt de raaf dat hij een brief schrijft aan zijn overleden vader.
Op 11 mei 1985 start Quinten zijn zoektocht naar Onno. Hij reist per trein naar Venetië. In Venetië ziet hij vele gebouwen die hem doen denken aan zijn Burcht. Desondanks ziet hij de Burcht als het tegendeel van Venetië. Op zijn rondreis ontmoet hij de vele jaren oudere Marlene Kirchlechner. Ze woont in Wenen, maar komt ieder jaar in mei naar Venetië. Marlene wordt verliefd op Quinten, maar schrikt als ze hoort dat hij nog maar zestien jaar is. Quinten besluit daarop naar Florence te gaan. Quinten moet genoegen nemen met een morsig logement, omdat alle hotels volgeboekt zijn. Hij moet zijn kamer delen met zes andere mannen. Eén van hen, Menne, heeft direct al een oogje op de jonge Quinten en verklaart hem zijn liefde. Quinten wil niets van hem weten en slaat Menne van zich af. (Van Menne, dé man, was het eerder lust, van Marlene, dé vrouw, wel degelijk liefde.)
Onno gaat ’s ochtends boodschappen doen met Edgar op zijn schouder. Vermoeid neemt hij plaats op een bankje voor het Pantheon. Plotseling herkent hij iemand. Het is Quinten, die met open mond het Pantheon bewondert. Onno loopt op hem toe. Quinten vraagt zich af wie die zwerver is, maar herkent al snel zijn vader. Ontroerd vallen ze elkaar in de armen. Onno kan niet geloven dat zijn zoon in Rome is. Hij vertelt dat hij een lichte hersenbloeding heeft gehad en zodoende slecht kan lopen en een stok nodig heeft. Ondertussen is gebleken dat zijn vertaling van het Etruskisch fout is en hij heeft zijn eredoctoraat terugbezorgd. “Ik heb geen talent,” zucht Onno en hij vraagt of Max ook in Rome is. Quinten vertelt hem hoe Max is gestorven. “Dus ook hij,” reageert Onno. “Ook hij wat?” vraagt Quinten. “Geen talent,” zegt Onno.
De volgende dag trekt Quinten bij zijn vader in. Samen gaan ze de stad in en bezoeken ze het Sint Pietersplein en de Sixtijnse kapel. Op de Piazza de’ Cavalieri di Malta ziet Quinten een ontwerp van Piranesi, dat lijkt op de Burcht. Ondanks dat velen het gebouw als het midden van de wereld zien, beantwoordt het niet geheel aan het beeld dat Quinten ervan heeft. De gids vertelt over het Laterano, waarna Quinten besluit daar eens een kijkje te gaan nemen. Volgens Onno is het niet ver weg; het is achter het Colosseum. Het gebouw, dat Quinten op een schets bij meneer Themaat heeft gezien, maakt een verpletterende indruk op hem. Ze betreden het Sancta Sanctorum (Heilige der Heiligen) via de Heilige Trap. Quinten huivert. Hij voelt dat hij nu dichtbij het midden van de wereld is. Quinten wil nu alles weten over het Heilige der Heiligen. Onno vertelt hem dat daar de ark des verbonds is. Quinten wil weten wat de ark verborg. Volgens Onno bevat het de twee stenen tafelen van Mozes, met de tien geboden. Vader en zoon slaan de literatuur er op na. Ze willen nagaan hoe groot de ark moet zijn geweest.
Quinten raakt hoe langer hoe meer overtuigd van zijn mening, dat de stenen tafelen zich in het Sanctorum bevinden. Onno is onder de indruk van Quintens vasthoudendheid, maar vertelt hem dat de ark niet in het altaar verborgen is. Quinten vindt dit onbegrijpelijk; de kapel heet toch Sancta Sanctorum, er zitten toch twee engelen boven het altaar en het is toch de heiligste plek op de wereld? Onno waarschuwt Quinten dat hij het niet te gek moet maken, maar Quinten laat het idee van de stenen tafelen niet los. De volgende dag wordt Quinten zeventien jaar. Hij heeft maar één grote wens waar hij Onno’s hulp voor nodig heeft… het aan het daglicht brengen van de tien geboden. Quinten wil zich ’s avonds in het Sanctorum laten insluiten. Onno vreest voor een gevangenisstraf en wil in eerste instantie niet meehelpen. Als Quinten dreigt alleen te gaan, gaat hij toch akkoord.
Enkele dagen later laten Onno en Quinten zich insluiten in het Sancta Sanctorum. Ze horen hoe de paters na hun gregoriaanse liederen en gebeden slapen gaan. Om 22.10 uur begint Quintens werkelijke speurtocht naar de tafelen. Hij weet de sloten te openen, iets wat hij op Groot Rechteren heeft geleerd van Piet Keller. Na twee deuren geopend te hebben zijn ze er; het midden van de wereld! De sloten van de traliedeuren voor het altaar zijn snel geopend. Na enige tijd zoeken, treft Quinten inderdaad twee stenen tafelen aan onder het altaar. Onno wil zien wat er op staat, maar Quinten wil ze eerst in de koffer pakken. Als ze de kapel weer willen verlaten, merkt Onno dat hij zijn wandelstok heeft laten liggen. Quinten verzint een list: ze zullen de fraters vertellen dat ze in slaap zijn gevallen in de biechtstoel. Zo gezegd, zo gedaan. Ze verlaten via de dienstingang de kapel. Bij Onno’s woning aangekomen wil Onno de tafelen zien. Quinten zegt dat ze geen tijd hebben, omdat ze onmiddellijk Italië moeten verlaten. Bij het vliegveld aangekomen, overleggen ze waar ze naar toe zullen gaan. Quinten wil direct weg met het eerstvolgende vliegtuig waar nog plaats is. Het toestel blijkt naar Cyprus te gaan, waarbij op Tel Aviv een tussenstop gepland is. Quinten boekt twee vliegtickets naar Tel Aviv. De stenen tafelen zullen worden teruggebracht naar de plaats waar ze horen.
Onno en Quinten brengen een bezoek aan diverse heilige plaatsen in Jeruzalem, waaronder de Tempelberg. De gids attendeert hen op de steen ‘het midden van het midden’, waar de hemel, aarde en onderwereld samen komen. Quinten weet nu dat hij zich bevindt op de oorspronkelijke plaats van de ark des verbonds en de stenen tafelen. Even later doet Onno een schokkende ontdekking. Hij hoort een vrouw met een Auschwitz-nummer op haar arm Nederlands spreken. Ze heeft dezelfde diepblauwe ogen als Quinten. Onno concludeert dat dit Max’ overleden gewaande moeder moet zijn. Dat betekent dus dat Quinten niet zijn zoon is, maar de zoon van Max. Hij twijfelt of hij Quinten moet inlichten over zijn ontdekking. Hij besluit het niet te doen.
Na een bad, staart Quinten zo goed als naakt (hij draagt enkel een handdoek) uit het raam van zijn kamer in hotel Raphaël. Plotseling ziet hij aan de hemel een klein zwart puntje verschijnen. Het is de raaf Edgar. De raaf begeleidt hem naar de gang, die intussen veranderd is in de Burcht. Quinten volgt Edgar en herkent zijn eigen schetsen van het gebouw. Hij komt aan bij de brandkast waar Onno en hij de stenen tafelen hebben ondergebracht. Hij opent de deur en neemt de twee tafelen uit de koffer. De ruimte verandert opeens. Quinten bevindt zich in het Kidrondal en wordt op een wit paard naar de Gouden Poort gebracht. Van daaruit gaat hij te voet verder. De letters op de stenen tafelen beginnen plotseling te leven. Quinten schrikt en laat de tafelen vallen. De letters bewegen zich naar de heilige rots, die het midden van het midden is. In alle vrouwen, die Quinten er ziet, herkent hij zijn moeder. Dan wordt Quinten omgeven door de letterzwerm…..
Op de gang klopt Onno aan. Als Quinten na twee keer kloppen nog niet open heeft gedaan, breekt Onno de deur open. Hij treft Quinten niet aan, alleen maar zijn kleren. Ook het hotelpersoneel heeft Quinten niet meer gezien. Onno ontdekt dat ook de stenen tafelen verdwenen zijn. Hij belt Sophia, die hem vertelt dat Ada zojuist gecremeerd is en dat Quinten naar hem op zoek is. Ada is overleden nadat Sophia haar een overdosis insuline heeft ingespoten. Quinten blijkt te zijn verdwenen op het tijdstip van de crematie. Onno wordt onwel en krijgt opnieuw een hersenbloeding. Sophia roept dat er een dokter gebeld moet worden en dat ze onmiddellijk naar het hotel toe zal komen.
Epiloog
De engel, hoger in rang, wil weten waar de scherven van de tafelen gebleven zijn. Ze zijn door de gemeentereinigingsdienst opgeruimd. De letters zijn echter bewaard gebleven, ondanks dat ze niet echt begrijpelijk leesbaar zijn. De engel verneemt dat Onno Quist in gevaar verkeert als hij zijn verhaal verder vertelt. “Desnoods moet hij ook maar een meteoriet op zijn kop krijgen”. De engel wil per se zijn opdracht afmaken, maar wordt met pensioen gestuurd. Daarop besluit hij de opdracht op eigen houtje af te maken.
Tijd en tijdvolgorde:
Het verhaal begint op 13 februari 1967 en eindigt in 1985. De totale vertelde tijd komt daarmee op 18 jaar. De gebeurtenissen worden in chronologische volgorde en in de verleden tijd verteld.
Plaats/ruimte:
De gebeurtenissen vinden o.a. plaats in Leiden (de boekenwinkel van Ada’s ouders), Amsterdam en Den Haag (woonplaats van Onno en Max), Dwingeloo (Groot Rechteren), Emmen (verpleegtehuis waar Ada verblijft). Daarnaast brengt Quinten een bezoek aan Venetië en Florence voordat hij Onno bezoekt in Rome. Het verhaal eindigt in Tel Aviv.
Karakterbeschrijving en -ontwikkeling:
Alle onderstaande verhaalfiguren zijn ronde karakters.
Onno Quist:
Onno is een politieke figuur. Hij houdt zich bezig met de vertaling van oude talen, zoals het Etruskisch, maar heeft daarbij niet veel succes. Op een onweersavond ontmoet hij Max. Ze worden goede vrienden. Onno trouwt met Ada, omdat hij denkt dat ze van zwanger van hem is. Na het fatale ongeval, gaat hij akkoord met Max’ voorstel, die samen met Sophia het kind van Ada op wil voeden. Door zijn politieke carrière heeft hij niet veel tijd vrij voor Quinten. Hij vertrouwt zijn verzorging echter geheel toe aan zijn beste vriend. Na de moord op zijn vriendin Helga, raakt hij helemaal in zichzelf gekeerd. Hij vertrekt uit Nederland en wil niet gezocht worden door zijn familie.
Max Delius:
Max is sterrenkundige en de boezemvriend van Onno. Hij is de zoon van een joodse moeder en een Duitse vader. Zijn vader was een nazi en heeft zelfs zijn eigen vrouw naar Auschwitz laten deporteren. Dit trauma blijft Max achtervolgen. Hij krijgt een relatie met Ada. Deze wordt, door zijn eigen schuld, verbroken. Bij hun uitstapje naar Cuba, vrijt hij toch opnieuw met Ada. Ada blijkt zwanger te zijn en Max vermoedt dat het kind van hem is. Hij krijgt een verhouding met Ada’s moeder Sophia, waar niemand iets van af weet. Later krijgt hij een baan aangeboden bij de sterrenwacht in Westerbork en besluit samen met Sophia Ada’s kind op te voeden. De relatie met Sophia bloedt dood en Max krijgt een relatie met een andere vrouw. Max’ leven eindigt abrupt doordat hij getroffen wordt door een meteoriet.
Quinten Quist:
Quinten, de afgezant van de hemel, is de zoon van Max en Ada, maar hij denkt dat Onno zijn vader is, terwijl hij toch door zijn natuurlijke vader wordt opgevoed. Terwijl hij geobsedeerd is door Onno, heeft hij echter slechts een vaag beeld van Max. Bijna uitsluitend diens joodse afkomst interesseert hem. Al op jonge leeftijd blijkt dat hij zeer begaafd is. Hij is zeer geïnteresseerd in oude architectuur en hij droomt van een Burcht. De droom laat hem niet los en hij is vastbesloten de herkomst van de Burcht te achterhalen. Op een zoektocht naar zijn vader, in Italië, komt Quinten op het idee om de stenen tafelen van Mozes op te zoeken. Het idee lijkt absurd, maar Quinten krijgt gelijk. Als de stenen tafelen naar Tel Aviv teruggebracht worden, verdwijnt hij spoorloos.
Ada Quist-Brons:
Ada is celliste. De relatie met Max eindigt, doordat Max zijn vriendschap met Onno voorop stelt. Tijdens Max’ uitstapje naar Polen, krijgt Ada een relatie met Onno. In Cuba wordt Ada zwanger van Max, maar ze trouwt toch met Onno. In de vijfde maand van haar zwangerschap raakt Ada, als gevolg van een ongeluk, in een coma. Zoon Quinten wordt met de keizersnede geboren. Ada wordt nooit meer wakker. Sophia beëindigt het leven van haar dochter met een injectie insuline.
Sophia Brons:
Sophia is een geheimzinnige vrouw. Het overlijden van haar man heeft geen effect op haar gevoelens. Ze verleidt Max. De relatie duurt zeven jaar en eindigt even abrupt als ze begonnen was. Sophia heeft een verpleegkundige opleiding gehad en kan goed omgaan met Ada’s situatie. Ze neemt de uiteindelijke beslissing om eigenhandig een einde te maken aan Ada’s lijdensweg.
Onderlinge relaties:
Max en Onno zijn boezemvrienden. Max krijgt een relatie met Ada, maar deze wordt verbroken. Onno krijgt vervolgens een relatie met dezelfde Ada. Op een uitstapje naar Cuba komt het toch tot een vrijage tussen Max en Ada, waardoor Ada zwanger raakt. Onno, in de veronderstelling dat hij vader wordt, trouwt met haar. Max krijgt een relatie met de moeder van Ada, Sophia. Ada bevalt van een zoon, genaamd Quinten.
Thematiek:
Het thema is gelijk aan de titel: de ontdekking van de hemel. Max bestudeert in zijn functie als sterrenkundige het heelal. De engelen moeten ingrijpen om te voorkomen dat Max de hemel ontdekt. De ontwikkelingen in de wetenschap en de techniek zijn zo ingrijpend, dat God besloten heeft dat de stenen tafelen naar de hemel teruggebracht moeten worden.
Vertelsituatie:
Auctoriale vertelinstantie, afgewisseld met ik-vertelsituatie waarbij de engel tekst en uitleg geeft over de ingreep.
Verhaalopbouw:
Het verhaal is opgebouwd uit vier delen, getiteld het begin van het begin, het einde van het begin, het begin van het einde en het einde van het einde. Ieder deel is weer opgedeeld in genummerde hoofdstukken met titelnamen. In totaal telt het boek 65 hoofdstukken. In het eerste deel is een proloog opgenomen. Deel twee en drie bevatten een intermezzo. Deel vier eindigt met een epiloog.
Wat volgt er nog na “het einde van het einde”?
In 1995 krijgt Mulisch de Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn gehele oeuvre. In 2005 verschijnt “Siegfried”, een what-if? roman: wat als Hitler een zoon had gehad? In 2007 wordt “De ontdekking van de hemel” verkozen tot de beste Nederlandse roman aller tijden, maar tegelijk eindigt Mulisch zelf op de tiende plaats bij de verkiezing van de ergerlijkste Nederlander. Vooral zijn gebrek aan zelfkritiek en zijn hautaine houding worden hem aangewreven.

Ronny De Schepper

(*) Volgens Anton van Wilderode noemde Mulisch zich in die tijd eerder een “abstracte realist”.
(**) Wie die ene schrijver dan wel was, mag duidelijk zijn. Voor de tweede zou eventueel Hugo Claus misschien wel in aanmerking komen…

Referenties
XXX, Wat is nog mysterieuzer dan een vrouw? Twee vrouwen!, Humo, 29 januari 1976.
Peter Berger, Huwen in de Hades, Bzzlletin, september 1977.
Johan de Belie, Het zwarte licht, Nigromantie nr.3.
Depo (Paul Depondt), De verwaandheid van een eminence grise, Het Volk, 29 maart 1979.
Depo, Ook slechte literatuur kan politiek belangrijk zijn, Het Volk, 9 april 1979.
Pierre H.Dubois, Schrijvers zijn saai en rancuneus, Snoecks 73.
Leo Geerts, Harry Mulisch: tussen moordenaar en artiest, De Nieuwe/Boeken, 28 september 1979.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s