Morgen zal het honderd jaar geleden zijn dat de Amerikaanse toneelauteur Arthur Miller werd geboren.

Arthur Asher Miller was born on October 17, 1915, in Harlem, New York City, the second of three children of Isidore and Augusta Miller, Polish-Jewish immigrants. His father, a mostly illiterate but moderately wealthy businessman, owned a women’s clothing store employing 400 people. In the Wall Street Crash of 1929, the family lost almost everything and moved to Gravesend, Brooklyn. As a teenager, Miller delivered bread every morning before school to help the family.
At the University of Michigan, Miller first majored in journalism and worked as a reporter and night editor for the student paper, the Michigan Daily. It was during this time that he wrote his first play, “No Villain”, which won him the Avery Hopwood Award. The award led him to begin to consider that he could have a career as a playwright. Miller enrolled in a playwriting seminar taught by the influential Professor Kenneth Rowe. Rowe emphasized how a play is built in order to achieve its intended effect, or what Miller called “the dynamics of play construction“.
After graduation, Miller joined the Federal Theater Project, a New Deal agency established to provide jobs in the theater. He chose the theater project although he had an offer to work as a scriptwriter for 20th Century Fox. However, Congress, worried about possible Communist infiltration, closed the project in 1939. In his book “Trinity of Passion”, author Alan M. Wald conjectures that Miller was “a member of a writer’s unit of the Communist Party around 1946“, using the pseudonym Matt Wayne, and editing a drama column in the magazine The New Masses.
Miller was exempted from military service during World War II because of a high-school football injury to his left kneecap. Toch was het in militaire opleidingskampen dat Arthur Miller materiaal verzamelde over W.O.II, waaruit zijn eerste filmscenario “The story of G.I.Joe” en het boek “Situation normal” zouden resulteren in 1944. Datzelfde jaar wordt voor het eerst ook een stuk van hem opgevoerd op Broadway: “The man who had all the luck”. Het wordt echter afgekraakt.
ALL MY SONS
De echte doorbraak komt er echter met “All my sons” (1947). Joe Keller heeft grof geld verdiend tijdens de oorlog door defecte vliegtuigmotoren te verkopen aan de Amerikaanse luchtmacht. Met een van deze toestellen is zijn oudste zoon omgekomen. Op die manier beseft Keller dat alle andere omgekomen vliegeniers eigenlijk ook zijn “zonen” zijn en neemt het individu zijn verantwoordelijkheid op in de maatschappij, een thema dat vaak zal terugkomen in het werk van Miller. Toch vertrekt ook dit weer van een concreet, waar gebeurd gegeven, wat o.m. wordt gestaafd dat drie maanden na de creatie van het stuk 25 kopstukken van een Amerikaanse vliegtuigfabriek achter slot en grendel werden gezet.
DEATH OF A SALESMAN
In “Death of a salesman” (1949), gecreëerd door Elia Kazan, zijn er duidelijke autobiografische elementen verwerkt. Geboren op 17 oktober 1915 in New York in een welgestelde joodse familie (in 1945 zou hij trouwens de roman “Focus” schrijven over het antisemitisme in de V.S.). Als hij veertien is, gaat bij de Wall Street Crash van 29 oktober 1929 de kledingzaak van zijn vader echter failliet. Er is dan ook geen geld om Arthur te laten studeren. Hij gaat werken in een depot voor automobielonderdelen waar hij veel tijd heeft om te lezen. Met het verdiende geld laat hij zich toch nog inschrijven voor de journalistenopleiding van de universiteit van Michigan. In 1936 wint zijn stuk “No villains” daar trouwens de toneelprijs. Hij herschrijft het een jaar later als “They too arise”, dat eveneens een prijs wint, net als “Honors at dawn” uit datzelfde jaar, dat echter onopgevoerd blijft (in 1939 zal hij “No villains” nogmaals bewerken, deze keer onder de titel “The grass still grows”).
Natuurlijk wil ik daarmee niet zeggen dat Millers vader net als Willy Loman zelfmoord pleegde opdat zijn familie een premie zou kunnen opstrijken en nadat hij toch in de ogen van zijn zoon Biff zijn respect was kwijtgespeeld toen deze hem betrapte met een hoertje. Nochtans heeft de gebuisde baseball-speler zelf ook tal van avontuurtjes en heeft hij net als zijn jongere broer, de kantoorklerk Happy, weinig maatschappelijke verwachtingen. Reeds in 1951 werd het stuk verfilmd door Laslo Benedek met Fredric March in de hoofdrol.
THE CRUCIBLE
Daarna volgt “The Crucible” (eig.”De Vuurproef”, maar meestal opgevoerd als “De heksen van Salem”, 1953), een aanklacht tegen de McCarthy-heksenjachten, waarvan hij zelf ook het slachtoffer was (vandaar misschien dat het zijn lievelingsstuk is). Meer bepaald verwijst het stuk naar het “geval” van de Rosenbergs die zonder sluitend bewijs voor “verraad” werden geëlektrocuteerd.
Na zijn studies werkte Miller zelf in 1938 bij het Federal Theatre Project, een onderdeel van de door de regering Roosevelt opgezette organisatie ter bestrijding van de werkloosheid, waar met werkloze acteurs vormingstheater gemaakt wordt. Hij werkt aan het stuk “The Golden Years”, dat door het Congres verboden wordt. In 1950 had hij reeds een bewerking gemaakt van Ibsens “Vijand van het volk”, waarin McCarthy zwaar werd aangepakt, maar dit eigen stuk was zo mogelijk nog duidelijker, zodanig zelfs dat hij in 1954 geen visum krijgt om in Brussel de voorstelling van het stuk in het Théâtre National bij te wonen. In 1956 wordt hij trouwens door the Committee of Un-American Activities veroordeeld wegens communistische sympathieën en de weigering om namen te noemen, een veroordeling die in 1958 (een jaar na de dood van McCarthy) door het Hoog Gerechtshof wordt vernietigd.
Elia Kazan zwichtte wél voor de Commissie van Anti-Amerikaanse Activiteiten en ging net als Clifford Odets tot verklikking over. In 1955 zond Arthur Miller een kopie van zijn nieuwe stuk “A view from the bridge” naar Elia Kazan; het is een stuk over een Siciliaanse arbeider die in jaloerse woede zijn neef, een illegale immigrant, bij de politie aangeeft. Kazan schrijft terug: “Ik heb je stuk gelezen en zou het een eer vinden om het te regisseren.” Waarop Miller repliceerde: “Ik heb het je niet gestuurd omdat ik het door jou wilde laten regisseren, maar omdat ik je wilde laten weten hoe ik over politiespionnen denk.
A VIEW FROM THE BRIDGE
Daarna volgt dus “A view from the bridge” (1955). Na zijn troubles met het Congres in 1938 werkte Miller enige tijd aan de haven en in een fabriek. Het is hier dat hij de waar gebeurde stof voor dit toneelstuk heeft gehaald, dat eerst als een eenakter werd opgevoerd, tesamen met “A memory of two mondays”.
De titel (die in het stuk eigenlijk niet duidelijk is) komt voort van het feit dat de havenbuurt zich pal onder Brooklyn Bridge bevindt, waar het verkeer maar voorbijsnort, zonder dat de mensen zich bewust zijn van de drama’s die zich onder de brug afspelen, omdat ze met die cultuur geen contact hebben.
De huidige versie werd in Londen in 1956 gecreëerd door Peter Brook en werd in 1958 reeds door de KNS (in een regie van Ben Royaards) opgevoerd. In 1962 werd er een film van gemaakt. Alhoewel er duidelijk allusies zijn naar een klassieke Griekse tragedie (buiten O’Neill, die daardoor ook duidelijk is geïnspireerd, moet Miller niks hebben van zijn landgenoten, geef hem maar de klassiekers met daarbij Ibsen en Tsjechov en, merkwaardig genoeg, ook nog O’Casey, Ionesco en Genet), is het verhaal toch ook geloofwaardig op het pure, realistische vlak door het te situeren in een Siciliaans milieu (zij het dan in Amerika). De erecode die daar geldt, komt inderdaad het fatum uit de klassieke tijden nabij.
Toch is de moedwillige weigering om “naturalistisch” toneel te brengen niet altijd geslaagd. De advocaat Alfieri mag dan nog een duidelijke “koorfunctie” hebben door het publiek “vanop de brug” rechtstreeks aan te spreken om net zoals bij het expressionistische theater van Brecht een “vervreemdingseffect” te creëren (al zegt Miller in “Marxism today” dat hij niet hoog oploopt met Brecht, omdat diens stukken, op “Moeder Courage” na, enkel geschikt zijn “to preach to the converted”), het is de zwakste schakel binnen het stuk, althans zoals het werd opgevoerd door de KNS tijdens het seizoen 1992-93 in een regie van Jo Dua.
Dit was echter niet de schuld van Marc Janssen, die zeker niet misstond naast een superieure Frank Aendenboom en een sterke Hilde Heijnen. Denise Zimmermann ging soms wel eens “over the top” en Bernard Verheyden had moeite om te doen geloven dat hij Aendenboom de baas kon, maar van de hoofdvertolkers was het uiteindelijk enkel de jonge Mark Van Den Bos die niet echt tegen zijn taak opgewassen was.
Het gebruik van het “Algemeen Beschaafd Aantwaarps” was gezien het havenmilieu ten zeerste goed te praten. Dat er anderzijds geen verschil is tussen Amerikaans, Italiaans en Amerikaans-Italiaans is een theaterconventie die ook in het origineel is terug te vinden. Wel jammer is dat “the syndicate”, eigenlijk de maffia, in het stuk wordt vertaald als “het syndicaat”, terwijl in de programmabrochure het correctere “de organisatie” wordt gebruikt.
MARILYN MONROE
In 1940 was Miller al gehuwd met Mary Slattery, waarmee hij een dochter Jane Ellen Miller en een zoon Robert A. Miller had, maar na zijn ontmoeting met Marilyn Monroe scheidt hij van haar. Deze ontmoeting was heel toevallig, omdat Elia Kazan, die haar mee zou nemen naar een party, die avond belet was en vroeg of hij niet voor hem wou inspringen. Kazan was al langer een minnaar van Marilyn.
Miller was toen met Kazan aan het werken aan “The Hook”, maar hij liet het project vallen toen op aandringen van Roy Brewer, de voorzitter van de International Alliance of Theatrical and Stage Employees, er een anticommunistische ondertoon in dit syndicalistische drama diende te worden aangebracht.
Miller huwde met Monroe, maar dat was geen succes. Tijdens de opnames van “Let’s make love” (1960) ging het al mis. Regisseur George Cukor had er al geen goed oog in en ook Simone Signoret (pas oscarwinnares voor “Room at the top”) zei het al: de titel van de film was een “omen”. Het was nochtans via haar vriendschap met Miller (zij had “Les sorcières de Salem” gecreëerd in Parijs en de hoofdrol gespeeld in de film die Raymond Rouleau ervan gemaakt heeft) dat haar man Yves Montand de rol van “milliardaire” (zoals de film in Frankrijk zou heten) had binnengehaald.
Tegen zijn zin (maar goed betaald) wordt Miller binnengehaald om het krakkemikkige scenario wat op te vijzelen. Op de koop toe doorbreekt hij daarmee een staking van de scenaristen, wat Marilyn niet zint. Als Signoret terug naar Frankrijk moet voor een film, begint Marilyn dan ook een verhouding met Montand, die twee maanden zal duren.
Daarna volgt de film “The Misfits”, naar een origineel scenario van Arthur Miller. Na de opname van “The Misfits” gaan Miller en Monroe uit elkaar. Ze scheidden op de dag van Kennedy’s inauguratie (19 januari 1961) om op die manier minder de aandacht van de pers te trekken. Marilyn keerde terug naar haar tweede echtgenoot, baseball-speler Joe DiMaggio. Een jaar later wordt ze dood gevonden, kort na het derde huwelijk van Miller met de Oostenrijkse fotografe Inge Morath. (*)
“After the fall” (1964), opnieuw gecreëerd door Elia Kazan (de ruzie over de McCarthy-affaire was dus blijkbaar bijgelegd), werd (ten onrechte?) beschouwd als een allegorie op Marilyn Monroe en (omdat het personage dat haar zou voorstellen negatief wordt afgebeeld) daarom slecht onthaald.
LATERE STUKKEN
“Incident at Vichy” (1964) werd gecreëerd door Harold Clurman. Het is een voorbeeld van “sociaal” theater. Qua vorm verwant met het realistische toneel (een gedetailleerd decor dient om bij te dragen tot de sfeerschepping). Op het inhoudelijk vlak is het vertrekpunt niet zozeer een algemene toestand, maar een heel concrete situatie. Meestal wordt het probleem gesteld van de vrije wil tegenover het kwaad dat in de mens aanwezig is. Dat maakt dat de personages meestal hulpeloos zijn in een conflictsituatie (jeugd tegen volwassenen; werknemers tegen werkgevers; zwarten tegen blanken; het individu tegen de gemeenschap). Het is de bedoeling van de auteur medelijden op te wekken, maar dan wel “actief” in de zin van dat het tot opstandigheid leidt.
In “The Price” (1968) wil Victor, een politieman, die zichzelf heeft “opgeofferd” voor zijn familie, komaf maken met zijn schijnbaar geslaagde broer Walter, een chirurg. Victors vrouw wil dat ze zich verzoenen, maar hun relatie tot hun vader (en “dus” hun toekomstmogelijkheden) is zo verschillend dat dit onmogelijk is. Net als zo vaak maakt ook dit stuk nog eens duidelijk dat individuele problemen in een maatschappelijke contekst dienen te worden gezien, vooraleer men ze volledig kan begrijpen. “Het persoonlijke is politiek,” zoals de feministen zeggen en in een interview met “Marxism today” beaamt Miller dit volmondig. De Britse commerciële televisie maakte hiervan een bewerking in 1972 in een regie van Fielder Cook en met George C.Scott als Victor.
Na het schrijven van dit stuk maakt Miller een reis naar Rusland, waarvan hij samen met zijn vrouw een fotoboek uitbrengt. In 1979 en 1983 zou hij hetzelfde doen voor China, de tweede maal n.a.v. zijn regie van “Death of a salesman” in Peking. Hij komt er wel tot de conclusie dat het marxisme een reactie is op het feodalisme en niet op het kapitalisme. Een paar jaar later zal hij helaas gelijk krijgen.
Tussendoor schrijft hij nog “Fame” (1970) en “The Creation of the World and Other Business” (1972), dat door het Théâtre National (geleid door Jacques Huisman) wordt gespeeld in een regie van Walter Tillemans op 6/11/1974. Het is zowaar een bijbels stuk (later tot opera omgewerkt als “Up from paradise” en met muziek van Stanley Silverman) wat hem de kritiek opleverde waarom hij in een tijd als die van Watergate niet meer op de politieke actualiteit inspeelt. Miller wilde dat wel, zei hij op een persconferentie in Brussel, precies twintig jaar na het verbod hem opgelegd door de McCarthy-commissie, “maar de journalistieke reportages over Watergate zijn zo goed dat ik een beetje schrik heb om eraan te beginnen”.
Later volgen “The archbishop’s ceiling” (1977) en “Elegy for a lady” (1980), niet te verwarren met de eenakter “Elegy”, die in 1982 samen met “Some kind of love story” werd gecreëerd onder de titel “2 by A.M.”
“Playing for time” (1980) was oorspronkelijk voor televisie geschreven en gebaseerd op het boek van Fania Fenelon, terwijl “The American Clock” (1980) onder de titel “De jaren dertig” werd gespeeld in de KNS. Het is een ontluistering van “the American dream” die vergelijkbaar is met “Death of a salesman”.
“Danger: Memory!” (1987) is eigenlijk weer een samenvoeging van twee eenakters, “I can’t remember anything” en “Clara”. Datzelfde jaar publiceert hij ook zijn autobiografie “Timebends”. Hij schreef ook het scenario voor “Everybody wins”, een film uit 1990 (gebaseerd op “Some kind of love story”), gevolgd door “The ride down Mount Morgan” (1991), gecreëerd in Londen.
De laatste jaren van zijn leven sleet Miller op zijn boerderij. Hij had kanker en een hartziekte, maar hij was blijkbaar toch nog fit genoeg om met een 55 jaar jongere kunstenares op te trekken. Op 10 februari 2005 werd hem dat echter toch fataal. ’t Moest er natuurlijk ééns van komen…

Ronny De Schepper

(*) Ook met Morath zou hij een zoon en een dochter hebben (Daniel en Rebecca). Rebecca zou in zijn voetsporen treden, maar Daniel is een heel ander verhaal. Deze werd geboren met het syndroom van Down en Miller heeft veertig jaar lang zijn bestaan ontkend. Pas zes weken voor zijn dood gaf Miller toe dat hij ook nog een zoon had. Volgens sommigen is het feit dat de stukken die Miller in die periode schreef minder indringend zijn dan zijn vroegste werk te wijten aan het feit dat hij zodanig met zichzelf in de knoop lag dat hij geen stukken meer kon schrijven waarin hij zijn tijdgenoten een ontluisterende spiegel voorhield omdat zijn eigen gedrag laakbaar was. Toen Daniel Day-Lewis in 2013 zijn derde Oscar in ontvangst mocht nemen voor zijn vertolking van Abraham Lincoln hoopten velen dat hij iets zou zeggen over zijn schoonbroer. Want, inderdaad, Day-Lewis is gehuwd met Rebecca Miller en net als zijn vrouw en zijn schoonmoeder bezocht hij wél geregeld en regelmatig zijn schoonbroer. Bovendien behaalde hij zijn eerste Oscar voor de vertolking van een gehandicapte in “My left foot”. Maar voor zover ik weet heeft hij dit echter niét gedaan.

Lectuur
Luc Rasquin, In de klauwen van McCarthy, in de armen van Marilyn Monroe, De Rode Vaan nr.8 van 24 februari 1989

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s