Vandaag is het dertig jaar geleden dat de Amerikaanse acteur en regisseur Orson Welles is overleden.

Orson Welles werd geboren als zoon van een “uitvinder” (in werkelijkheid de slordige zakenman) Dick Welles en een gefrustreerde concertpianiste (Beatrice Ives mocht van Dick het huis niet uit) en werd net als zijn oudere, maar achterlijke broer Richard, vooral opgevoed door de huisdokter, die de minnaar was van zijn moeder. Deze arts (Maurice Bernstein) leerde Orson de schilderkunst ontdekken, maar het was vooral de kennismaking met Shakespeare (op vijfjarige leeftijd!) die voor de jonge Orson doorslaggevend was.
Dick Welles (1) wou de kleine Orson naar the Nortwestern Military Academy sturen, maar “Dadda”, zoals Orson Dr.Bernstein noemde, kan hem gelukkig overhalen hem naar the Todd Seminary for Boys te sturen. Daar regeert immers ene Roger Hill, bijgenaamd Skipper, die nog het best te vergelijken is met het personage van Robin Williams uit “The Dead Poets’ Society”. Welles wordt er onmiddellijk een haantje de voorste, ook al moet Skipper hem “manu militari” een vriend aanduiden (Paul Guggenheim). En zelfs Guggenheim weigert met hem de kamer te delen (zodat Welles als enige op gans de school een kamer helemaal voor zichzelf krijgt), want “I had the feeling that he was bisexual, that he didn’t trust himself in the immediate vicinity of a friend.” (2)
Hoe dan ook, alle andere jongens krijgen ’t schijt van het hyperkinetische knaapje, dat zijn zeg wil hebben over alles en nog wat. En “alles en nog wat” dat was op de eerste plaats natuurlijk… het schooltheater (3).
Orson was dan ook amper vijftien (zijn moeder was al gestorven en zijn echte vader ging aan alcohol ten onder) toen hij al ophef maakte op een festival in Chicago en na een verblijf in Dublin en Londen werd hem op een zeventienjarige leeftijd reeds een post als dramadocent aangeboden. Hij verkoos echter de praktijk in te stappen.
In 1936 ontmoette hij Joseph Cotten (1905-1994) toen deze “The postman always rings twice” speelde in het Lyceum Theatre in New York. Toen ze beiden in een tv-show in lachen uitbarstten bij een uitschuiver van een collega werden ze samen ontslagen, maar ze werden ook vrienden voor het leven.
De paniek die Orson Welles op 30 oktober 1938 veroorzaakte met zijn hoorspelversie van “The war of the worlds” (4), gaf hem meteen ster-allures, nadat hij met zijn Mercury Theatre, waarvan nu ook Cotten deel uitmaakte, al ophef had gemaakt met een voodoo-versie van “Macbeth” en een “Julius Caesar”, waarin de Romeinse soldaten zwarte hemden droegen.
“The war of the worlds” werd medegeproduceerd door John Houseman (1902-1988) en deze stond opnieuw aan zijn zijde toen hij in 1941 zijn legendarische “Citizen Kane” draaide, wat wordt beschouwd als “de beste film aller tijden”. “Kane” is meer dan een halve eeuw na zijn release inderdaad nog steeds een inspirerender werkstuk dan elk gesofisticeerd Hollywood‑product van deze tijd. Hij markeerde volgens de Franse filosoof en filmtheoreticus Gilles Deleuze het begin van de cinematografische moderniteit. Bijgestaan door een geniale fotograaf (Gregg Toland) en een uitstekende scenarist (Herman Mankiewicz, de oudere broer van de latere filmregisseur Joe), maakte “Awsome” Welles een onvergetelijk opus. Het smolt het beste van de filmtechniek en het beste van de verhaaltechniek samen in een razend intelligente, terugblikkende pseudo‑biografie van een niet te stuiten krantenmagnaat.
Het beroemdste debuut uit de filmgeschiedenis heeft raakpunten met diverse genres, maar is allereerst een psychologisch mysterie, opgebouwd rond het beroemde laatste woord dat de stervende krantenmagnaat Charles Foster Kane over de lippen komt. De film is grandioos vanaf de eerste scènes, van de glazen bol die aan splinters valt (en symbool is voor het versplinterde verhaal van de film), de parodie van de ‘March of time’ journaalbeelden tot en met de poging van de detective‑reporter om het tragische verhaal van Kane te ontsluieren in al zijn wreedheid, pathetiek en holle praal. Het is een bitter‑ironische illustratie van de Amerikaanse succes‑story, die eindigt in eenzaamheid, heimwee en dood.
Welles brengt het barokke materialisme van Kanes wereld tot leven in een virtuoze expressionistische symfonie. Zowel de fotografie (Gregg Toland), de montage (Robert Wise) als de sublieme score (Bernard Herrmann) waren destijds revolutionair.
In augustus 2002 werd “Citizen Kane” dus nog maar eens uitgeroepen tot de beste film aller tijden. Dit meesterwerk is niet meer weg te denken uit het canon van de filmgeschiedenis. De invloed van deze film op de ontwikkeling van het medium is zeer groot. Onder invloed van de Europese traditie, zoals het Duitse expressionisme en het Franse poëtische realisme, maakte Orson Welles een film die vernieuwend was op verschillende vlakken. Welles gebruikte vernieuwende cinematografische en narratieve technieken en experimenteerde met innovaties in fotografie en geluid. Zo zien we een onconventioneel gebruik van belichting, van overlappende geluidsmontage en het gebruik van deep focus cameratechniek en subjectieve camera. Deze film die mee de visuele stijl van de Amerikaanse film noir heeft bepaald, heeft ook heel wat controverse uitgelokt door de parallel die het hoofdpersonage Kane vertoonde met William Randolph Hearst, een invloedrijke krantenmagnaat en uitgever. “Citizen Kane” schetst dan ook het verhaal van een archetypische mediatycoon die we als kijker op een biografische manier leren kennen.
De mislukte operazangeres Susan Alexander (gespeeld door Dorothy Comingore) waarnaar Welles in “Kane” verwijst, is Marion Davies, de vriendin van krantenmagnaat William Randolph Hearst (in de film dus Charles Foster Kane, gespeeld door Welles zelf). Zij stond ook onder contract bij MGM omdat alle MGM-films dan op goede kritieken konden rekenen in de bladen van Hearst. Toch dient gezegd dat zij misschien wel een slechte zangeres, maar zeker geen slechte actrice was. Hearst, op dat moment al 76, probeerde met alle middelen de film te verbieden, ook al omdat het kernbegrip “rosebud”, waarrond de film helemaal draait, volgens Gore Vidal zijn troetelnaampje was voor de clitoris van Marion (5). Hearst slaagde niet in zijn opzet, maar dankzij een lastercampagne in de door hem gecontroleerde pers, flopte de film toch en was het vooral gedaan met de carrière van wonderkind Orson Welles, die in de Hearst-pers o.a. een verhouding met de getrouwde Dolores del Rio werd aangewreven, evenals sodomie en (nog erger) communistische sympathieën!
Het dient trouwens gezegd dat Welles zelf ook niet erg populair was bij zijn collega’s. Met deze film over een hoogbegaafd maar autoritair en meedogenloos man, die precies daardoor ten val komt, had Welles zonder het te weten ook zijn eigen autobiografie verfilmd, aldus Robert Wise.
“Citizen Kane” werd weliswaar negen keer genomineerd voor de Academy Awards (zoals men weet worden deze uitgereikt door mensen “uit het vak”), maar bij elke nominatie werd-ie hartsgrondig uitgejouwd. Uiteindelijk kreeg de film slechts één oscar, namelijk die van het originele scenario (met name voor Herman Mankiewicz en Welles zelf). Als men er echt wil uitspringen, dan dient men bijgevolg niet te zeggen dat “Citizen Kane geen museumstuk is, maar nu nog altijd leuker om naar te kijken dan naar eender welke grote film uit de geschiedenis”, want dat zegt toch iedereen, nee dan zeg je beter: “Dat zelfs in zijn verminkte versie Welles’ volgende film The magnificent Ambersons beter is dan Citizen Kane (Jonathan Rosenbaum).
De montage van “The magnificent Ambersons” (1942) werd inderdaad door de studio (nog steeds RKO) overgedaan, één derde van de film werd weggeknipt en een nieuw einde werd door een andere regisseur gedraaid, terwijl Welles als “goodwill ambassador” voor de Roosevelt-regering (6) in Rio beelden van het carnaval aan het filmen was (en er trouwens herrie kreeg omdat hij ook de favela’s wilden tonen).
“The stranger” met Loretta Young en Edward G.Robinson is de derde film van Orson Welles. Hij wordt meestal als zijn slechtste beschouwd, maar bevat – naast een schitterende fotografie – toch ook enkele prachtige scènes: de vluchtende vreemdeling in het havengebied, de moord in de bossen, de dood van de nazi in de klokketoren. De zwakte zit hem in het scenario (een ontsnapte nazi-misdadiger trouwt met een Amerikaanse en gaat in Connecticut wonen en werken) dat nogal naïef en artificieel is en bovendien een aantal onwaarschijnlijkheden bevat. Op dat moment (1946) was Orson Welles reeds bij Rita Hayworth, nadat hij gescheiden was van zijn jeugdliefde, actrice Virginia Nicholson, bij wie hij een dochter had (Chris, een schrijfster van kinderboeken). Hayworth schitterde datzelfde jaar trouwens in “Gilda” (Charles Vidor).
Welles & HayworthMargarita Carmen Cansino, zoals Hayworth echt heette (Hayworth was de familienaam van haar Ierse moeder Volga), werd op 17 oktober 1918 in New York geboren, als dochter van de Spaanse showdanser Eduardo Cansino die naar Amerika was geëmigreerd. Op dertienjarige leeftijd gebruikte hij haar reeds als sensuele danspartner. Volgens biografe Barbara Lea misbruikte hij haar trouwens ook seksueel. De would-be psychologen onder ons zullen wel zeggen dat dit de reden is waarom Rita haar hele leven lang heeft gezocht naar een beschermende echtgenoot, een begrijpende vader. Dat resulteerde in vijf huwelijken, waarvan dat met Orson Welles het tweede was. (De eerste, de twintig jaar oudere Eddie Judson, komt wel de “eer” toe de persona Rita Hayworth te hebben gecreëerd, ook al deed-ie dat dan vooral om er geld aan te verdienen, wat hem er bijvoorbeeld toe inspireerde haar aan te zetten om met Hollywood-producers naar bed te gaan.)
Welles werd verliefd op Hayworth toen hij in “Life” van 11/8/1941 een pin-up-foto van haar zag, waarop ze uitnodigend geknield in zwarte lingerie op een bed zat. Ze trouwden in 1943, maar reeds kort na de geboorte van hun dochter Rebecca (17/12/1944) begon Welles haar steeds brutaler te behandelen. Voor “The lady of Shanghai”, een film die Welles in 1947 met zijn vrouw in de hoofdrol draaide, knipt hij haar beroemde rode haren af. Het is één van de redenen waarom de film flopt. Hun huwelijk loopt definitief op de klippen, Rita trouwt op 27 mei 1949 met de Egyptische prins Ali Khan. Op de dag van hun huwelijk geeft hij haar zestien kilo edelstenen en laat hij het zwembad vollopen met eau de Cologne, maar na de geboorte van hun dochter Yasmine (die later in het koor van de Metropolitan Opera zou zingen), begint hij haar eveneens te verwaarlozen. Hayworth raakt aan de drank. In “La route de Salina” (Georges Lautner, 1970) moet ze haar replieken aflezen van kaartjes, verborgen in het decor. Later zal blijken dat dit toch niet zozeer door de drank kwam. Op 23 mei 1987 sterft ze immers aan de ziekte van Alzheimer.
In 1949 wint “The third man” van Carol Reed de Gouden Palm in Cannes. Deze verfilming van Graham Greenes (1904-1991) gelijknamige roman vertelt het verhaal van de geheimzinnige Harry Lime (met Orson Welles in een meesterlijke vertolking) die wordt achternagezeten door zijn vroegere vriend (Joseph Cotton), ondertussen een schrijver van wild‑west romannetjes. Met bekende leitmotiv van Anton Karas (1907-1985) telkens Harry Lime in beeld verschijnt. In “The third man” herkennen we verder nog Alida Valli (Anna), Joseph Cotten (Holly Martins) en Trevor Howard (Calloway). Regie-assistent was Guy Hamilton, de latere regisseur van o.a. “Goldfinger”.
Een jaar later geeft Orson Welles de start van de Ronde van Frankrijk. Hij draait nadien “Othello”, wat hem in 1952 de Gouden Palm in Cannes opleverde. Daarna draait Orson Welles in Engeland “Confidential report” met hemzelf in de hoofdrol als Gregory Arkadin, een avonturier die met smokkelen een immens fortuin heeft vergaard. Hij houdt zielsveel van zijn dochter Raina (Paola Mori) en zwijgt daarom over zijn verleden. Guy Van Stratten (Robert Arden), een sjacheraar, wordt verliefd op Raina. Arkadin heeft geen goed oog in die idylle en om Van Stratten bij zijn dochter vandaan te houden, vraagt hij hem een onderzoek in te stellen naar zijn verleden. Arkadin beweert immers aan geheugenverlies te lijden met betrekking tot de periode voor 1927. Wanneer Van Stratten Arkadins vroegere “partners” terugvindt, worden die echter één voor één vermoord… Deze barokke, melodramatische film is gebaseerd op de roman die Orson Welles zelf schreef. De scène van het gemaskerd bal is onvergetelijk.
In 1957 draait Orson Welles zijn zevende film “Touch of Evil”. Politie‑inspecteur Vargas onderbreekt zijn huwelijksreis in een grensstadje om een moord te onderzoeken. De lokale politiechef, die het zelf niet nauw neemt met de wet, is echter niet gesteld op Vargas’ bemoeienissen. Vanuit deze premisse ontwikkelt “Touch of Evil”, voor velen de laatste echte film noir, zich als een broeierige film waarin de scheidingslijn tussen goed en kwaad uiterst dun blijkt. Het stilistisch vernuft dat Orson Welles erin tentoon spreidt, is verbluffend. Alleen al het vier minuten lange crane‑shot waarmee de film opent, is een klassieker. Producent Universal had echter weinig vertrouwen in Welles, ontnam hem de eindmontage en vroeg Harry Keller extra scènes te draaien. Welles zette in een lange protestnota tevergeefs uiteen welke beeld‑ en geluidsmontage hij voor ogen had.
Zoals gewoonlijk speelt hijzelf de rol waarmee hij zich het meeste kan vereenzelvigen. En meestal is dat een wat louche personage. Zo draagt de wat louche sheriff Hank Quinlan duidelijk meer sympathie weg dan de rechtschapen politieman Mike Vargas. Deze wordt gestalte gegeven door Charlton Heston, die een paar jaar later met zijn vertolking van Ben Hur zowat het symbool zal worden van het “rechtschapen Amerika”. Dat hij tegelijk ook de grootste propagandist is van de wapenlobby maakt de hypocrisie duidelijk, die Welles ook al in “Touch of Evil” wilde insinueren. Daarnaast is “Touch of Evil” natuurlijk ook niet te missen omwille van de (kleine) rol van Marlene Dietrich als de (letterlijk) onheilspellende zigeunerin. De echte hoofdrolspeelster Janet Leigh vertelt dat Dietrich eigenlijk Welles gewoon een bezoekje kwam brengen op de set, maar Orson improviseerde meteen een scène, zodat ze ook in de film zat. Welles was in die tijd de minnaar van Dietrich, maar misschien kunnen we beter eens opnoemen wie in Hollywood haar minnaar niet is geweest. En dat zowel voor mannen als vrouwen…
Nadat hij te zien is in “The trial” (naar Kafka) blijft Orson Welles in Frankrijk om er “Une histoire immortelle” (“Immortal story”) te draaien. Zijn eerste kleurenprent is een fantastische, bijna sprookjesachtige film, gebaseerd op een novelle van Karen Blixen en geproduceerd door de Franse televisie. Welles verwerkte zijn ideeën over de verhouding kunst-realiteit in dit verhaal over ene mister Clay (gespeeld door hemzelf), een welvarende Amerikaanse handelaar in Macao, die zijn boekhouder een bijna legendarisch verhaal vertelt over een oude man die zijn jonge vrouw voor één nacht aan een zeeman schenkt om hem een erfgenaam te bezorgen. Mister Clay identificeert zichzelf met de oude man uit dat verhaal en raakt geobsedeerd door het idee de legende te realiseren.
Daarna volgt “Chimes At Midnight” (“Campanadas A Medianoche”, 1966, opnieuw zwart‑wit) met hemzelf als Falstaff en verder o.a. Keith Baxter, Jeanne Moreau en John Gielgud. Het is Orson Welles’ laatste Europese en ook wel volledige film en wordt veelal als een meesterwerk gezien. Hij ligt volledig in het verlengde van zijn theaterproductie “Five Kings” die hij in 1938 in het Theatre Guild gebracht heeft. Welles puurde uit Shakespeares “Henry IV”, “De lustige vrouwtjes van Windsor” en “Prince Hal” (alternatieve titel voor “Henry V”). De meeste opnames zijn in Spanje gebeurd over een periode van circa zeven jaar. De film valt vooral op door zijn superieure fotografie en het acteertalent van Welles.
Op dat moment zijn de Amerikaanse geldbronnen al lang opgedroogd voor Welles. Zo had hij graag “Catch 22” van Joseph Heller verfilmd, maar uiteindelijk moet hij zich tevreden stellen met een cameo-rolletje in de verfilming van Mike Nichols. In Europa wordt hij oorspronkelijk nog gevraagd voor superproducties als “Waterloo” van Sergei Bondartsjoek (1970), ook al is het dan ook maar een klein rolletje als Louis XVIII of “Lowie die zwiet” zoals de Gentenaars hem noemden. Footage of the film’s depiction of the Battle of Waterloo would later be used in “The Man Who Saw Tomorrow” (1981), which was presented and narrated by Orson Welles.
Als ook zijn Europese geldschieters het laten afweten, is Welles niet langer te beroerd op te treden in kleinere films. Zo o.m. zelfs in Vlaanderen in 1973 als Harry Kümel Jean Ray’s roman over het spookhuis Malpertuis waar de oude Griekse goden gevangen worden gehouden door een zekere Cassavius (vertolkt door Orson Welles) verfilmt (zie bovenstaande foto). En ook als Brian de Palma met “Get to know your rabbit” z’n derde film draait kan hij een beroep doen op Orson Welles. Het is een off-beat komedie over een man (Tom Smothers) die job en vrouw (Katharine Ross) in de steek laat voor een carrière in de showbusiness. Daarvoor gaat hij in de leer bij meester-magiër Orson Welles. Met nog een dergelijke cameo steelt hij op het eind de show als rechter in “Butterfly” (1981) van Matt Cimber naar de roman van James Cain met stoeipoes Pia Zadora die een incestrelatie begint met haar vader Stacy Keach.
In Joegoslavië neemt Orson Welles nadien met Jeanne Moreau “The Deep” op naar een roman van Charles Williams. Deze film is echter verdwenen. Op één scène na was hij nochtans helemaal af.
Nadat Welles in 1985 is gestorven, komt dat jaar een Braziliaanse film uit, “Nem tudo e verdade” (Niet alles is waar) van Rogerio Sganzerla. Het is een fictief verhaal rond de aanwezigheid van Welles in 1949 in Brazilië, waar hij opnamen maakte voor “It’s all true”. Het materiaal dat Welles toen schoot werd in deze film verwerkt. “It’s all true” zelf zal pas in 1995 uitkomen, want hij werd niet afgemaakt omdat o.a. één van de hoofdpersonages omkwam in een storm toen hij in opdracht van Welles toch met een bootje moest uitvaren. Jeanne Moreau wijst er immers terecht op dat Welles misschien wel een genie was, maar als mens ook vaak onuitstaanbaar.
Op 10 oktober 1985 overleed Orson Welles. Doodsoorzaak? La Grande Bouffe. Hij was op het moment van zijn dood nog altijd getrouwd met de gravin en actrice Paola Mori, maar in werkelijkheid leefden zij al jaren (sinds de geboorte van hun dochter Beatrice in 1955) apart van elkaar. Ook zijn ster was helemaal getaand en de enige troost die Welles nog restte was eten. Op 9 oktober was hij dan ook uit eten gegaan (na enkele goocheltrucjes te hebben gedemonstreerd in “The Merv Griffin Show”) naar zijn favoriete restaurant, Ma Maison in Hollywood. Daar at hij zoals gewoonlijk zijn lievelingsgerecht, “Beef à la Welles”, een homp vlees van vier pond, overgoten door een vette jus. ’s Anderendaags werd een hartaanval hem fataal…

Ronny De Schepper
(met dank aan Patrick Duynslaegher, J.S. en R.V.d.W.)

(1) Ondanks – of juist dankzij – zijn excentrieke vader zou Orson in die tijd vaak samen met hem op reis zijn gegaan (naar Jamaica, naar Europa, naar Shangai), maar het is niet helemaal duidelijk hoe deze vele reizen in het leven van de jonge Orson kunnen worden ingepast (om nog van het financiële aspect te zwijgen). Vraag is dan ook of Welles deze uitstappen zelf niet heeft gefantaseerd, net als het verhaal dat zijn vader een hotel kocht en iedereen buitengooide om in het hotel te kunnen wonen, zo ongeveer op de manier van de familie Berry in “Hotel New Hampshire” (John Irving). In werkelijkheid was deze aankoop de eerste goede zet van vader Welles en werd het hotel een succes – tot het uitbrandde op 28 mei 1928. “We’d just returned from China, and there was a nice Christmassy fall of snow on the ground the night of the fire,” placht Orson te vertellen, maar sneeuw in de maand mei is al even twijfelachtig als de reis naar China die eraan vooraf zou zijn gegaan…
(2) Nadat zijn vader was gestorven op 28 december 1930, werd Maurice Bernstein zijn wettelijke voogd. However, nu zijn moeder dood was, had Bernstein een andere vrouw, namelijk Edith Mason, één van Amerika’s bekendste operazangeressen uit die tijd. Zij was eerst getrouwd geweest met dirigent Giorgio Polacco en die hing nu nog steeds rond in haar omgeving. Van hem wordt verteld dat hij getracht heeft seksueel contact te hebben met Orson, wat door deze laatste zeker niet werd geapprecieerd. Maar dat hij voortdurend door de opera-vriendinnen van zijn stiefmoeder werd bepoteld stond hem óók niet aan. Die homoseksuele component kwam ook ter sprake in zijn scenario voor “The Big Brass Ring” met name in de rol van Kim Menaker, die Orson Welles voor zichzelf had gereserveerd. Net zoals zoveel andere projecten van Welles werd dit nooit verfilmd, maar wel door zijn vriendin Oja Kodar uitgegeven in 1987.
(3) Welles hield nochtans niet van toneel. Nog lang vóór het postmodernisme (wordt “Citizen Kane” soms ook niet de eerste postmodernistische film genoemd omdat alleen de kijkers de ware betekenis van “Rosebud” kunnen ontcijferen?) was hij er in een gesprek met Peter Bogdanovich reeds van overtuigd dat hij alleen maar van lege theaters hield: “Tijdens repetities, bedoel ik. Het fysieke feit van zo’n stoffige oude bonbonnière waar alleen maar acteurs in zitten – die het ding maken dat te gebeuren staat. Op het moment dat de mensen binnen worden gelaten, verliest het een stuk van zijn betovering.” Buiten het feit dat hier duidelijk weer de “persona” Welles aan het woord is, is het wel juist dat hij oorspronkelijk, uiteraard onder invloed van zijn moeder, zijn weg zocht in de muziek. Na haar dood heeft hij, naar eigen zeggen, echter geen piano meer aangeraakt. Ook de schilderkunst, die hij had aangevat, heeft hij toen laten vallen. Maar als film hem dan ook al niet gelukkig maakt, wat dan wel? “Als acteur ben ik nergens zo gelukkig geweest als bij de radio. (…) Het benadert heel dicht het gevoel van de geweldige privé-vreugde die je beleeft als je in bad zingt. (…) De microfoon is een vriend, de camera een criticus.”
(4) Nicholas Meyer, de maker van de atoomoorlogfilm “The day after”, was ook de scenarist van “The night that panicked America”, een film van Joseph Sargent uit 1975, die deze paniek recreëert.
(5) Jan Temmerman, de filmrecensent van De Morgen, merkt terecht op (7/8/1998) dat heel de film draait om het feit dat een of andere journalist wil uitvissen waarom nu precies “Rosebud” het laatste woord van Kane was, terwijl uit de film zelf niet af te leiden valt dat er sowieso iemand bij de stervende Kane aanwezig was om dat woord op te vangen! Ook dit was trouwens een profetische scène: Orson Welles stierf immers eveneens in eenzaamheid, zonder dat iemand zijn “famous last words” kon optekenen…
(6) Uit het boek van Barbara Leaming leren we dat Orson Welles gedurende een korte periode (circa 1943-1946) een politieke loopbaan heeft geambieerd. Zo heeft hij zich actief ingezet voor de herverkiezing van Roosevelt, maar anderzijds is deze er toch niet in geslaagd Welles zo ver te krijgen dat hij zou opkomen voor de senaat in Wisconsin. In dat geval had Welles het moeten opnemen tegen niemand minder dan Joseph McCarthy!

Referenties
Peter Bogdanovich, This is Orson Welles, HarperCollins Publ., 1992 (Nederlandse bewerking: Peter Cremers).
Simon Callow, Orson Welles: the Road to Xanadu, Jonathan Cape, 1995.
Barbara Leaming, Orson Welles, Penguin, 1987.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s