Vorige maand ging de film ‘The Program’ van Stephen Frears in wereldpremière op het Toronto International Film Festival. In een interview voor The Independent vertelde acteur Ben Foster (34) dat hij bewust doping nam om de rol van Lance Armstrong te kunnen neerzetten. In Het Nieuwsblad vertelt Kevin Hulsmans (rechts op de foto, naast Ben Foster) dan weer over de rol die hij in de film speelt, namelijk die van Filippo Simeoni…

Filippo Simeoni was de Italiaanse wielrenner die het in volle Armstrong-mania aandurfde om de zuiverheid van de Amerikaan in vraag te stellen (omdat hij hem ontmoet had bij Dr.Ferrari, waarmee Simeoni natuurlijk zelf ook schuld bekende). Een en ander leidde tot de befaamde passage in de laatste rit van de Tour 2004 waarin Armstrong, in zijn gele trui, de ontsnapte Simeoni eigenhandig tot de orde roept. ‘En het was voor die scène dat ze een renner zochten die Nederlands sprak, maar met de looks van een Italiaan’, zegt Hulsmans in Het Nieuwsblad. Er wordt niet bij gezegd waarom een Italiaanse renner per se diende te worden vertolkt door een Nederlands sprekende renner, maar kom, we zijn blij dat we op die manier Hulsmans aan het werk kunnen zien.
De scouting gebeurde door ex-renners David Millar en Andreas Klier. `Ik heb geen seconde getwijfeld en heb er ook geen seconde spijt van gehad’, zegt Hulsmans. `We werden naar een locatie in Frankrijk gevlogen waar de opnames ongeveer een dag in beslag hebben genomen. Het ging er superprofessioneel aan toe. De fietsen waren exact dezelfde als waarmee Armstrong en co. in hun tijd fietsten. En toen ik de hoofdrolspeler voor het eerst zag, dacht ik dat Lance voor mij stond. Dezelfde ingevallen oogkassen, die scherpe blik. Tot hij op zijn fiets kroop. Hij kon helemaal niet sturen, zodat hij enkele keren in de graskant sukkelde. Misschien hebben de opnames net daarom een hele dag geduurd,’ voegde hij er lachend aan toe.
Hulsmans is achteraf gezien best trots op zijn rol. `Ik heb niet meer moeten doen dan fietsen en een keer neen knikken, maar ik vond het een leuke ervaring. Als ze me morgen opnieuw vragen, doe ik het opnieuw. Bovendien speelde ik wel de rol van Filippo Simeoni, de renner die het aandurfde om de positie van Armstrong in vraag te stellen. Misschien is hij het wel die de hele zaak aan het rollen heeft gebracht.’
Armstrong himself is uiteraard niet te spreken over de film. Hij heeft nu een podcast en op 19 september 2016 ontving hij in zijn “studio” hoofdacteur Ben Foster. Armstrong kwam meteen to the point: “Het is niet aan mij om te beweren dat het een vreselijke film was. En ik zal ook niet zeggen dat hij voor negentig procent verzonnen is. Of misschien moet ik dat gewoon wél zeggen. Er zijn twee helden in de film: David Walsh en Floyd Landis. Van Walsh kan ik dat nog enigszins begrijpen, maar Landis een held? Onvoorstelbaar.”
Foster treedt hem bij, want hij zegt dat hij een fan is van Armstrong (daarom mocht hij ook komen natuurlijk) en betreurt dat regisseur Stephen Frears een misdaadfilm wilde maken en geen biopic die de persoonlijkheid van Armstrong probeerde te vatten. “Ik kreeg een verbod om je te contacteren,” zegt Foster. “Mijn idee van jou is dat van een oorlogsgeneraal. Je wil winnen en het doel heiligt de middelen. Die dimensie hebben we onvoldoende kunnen overbrengen.”
LA PETITE REINE
In de zesde aflevering van de tweede jaargang van de ziekenhuisreeks “House M.D.” (Fred Gerber, 2005) alludeert scenarist David Shore duidelijk op het geval Armstrong als ene Jeff Forrester (gespeeld door Kristoffer Polaha), a famous bicycle racer, suddenly’s having serious physical issues. Er wordt o.m. gealludeerd op de Tour de France (ook al komt de Grote Vedette ten val in een wedstrijd die nog het best te vergelijken valt met het parcours “door de dreef” dat wij als kinderen gebruikten), op dopingproducten die kanker zowel kunnen veroorzaken als maskeren en op een wielervedette die ook een grote impact heeft buiten het wielermilieu. Dergelijke techniek wordt ook toegepast bij de Canadese film La Petite Reine van Alexis Durand-Brault, a movie inspired by the life of Canadian Geneviève Jeanson, released in 2014. Jeanson’s character is renamed Julie Arseneau (played by Laurence Leboeuf). On Saturday, August 24, 2014, during an initial screening of the film at the Angouleme Francophone Film Festival, the opening scene showing Laurence Leboeuf’s character handling blood bags and engaging in doping caused so much discomfort among the audience that six people fainted, one was hospitalized, and over a dozen other people complained of not feeling well. The theater was evacuated for administration of first aid and to allow the theater’s ventilation to be checked. One element missing in the film is the rivalry between Genevieve Jeanson and Lynne Bessette. Towards the end of the Olympic road race, her teammate Lyne Bessette was in a break. Jeanson’s detractors maintain that, on instructions from her coach, André Aubut, Jeanson helped chase the break and denied her teammate an opportunity to win a medal. Jeanson’s defenders said she had ridden near the front as expected of a teammate trying to break the chase, and moved forward only to close a small gap when the break was almost caught.
Over wielrennen in de VS gesproken, ik was helemaal vergeten dat ik Eddy Merckx twéé keer heb geïnterviewd. Die tweede keer (eigenlijk de eerste keer, want hij ging vooraf aan dat interview t.g.v. de Tour 1987) was ter gelegenheid van de persvisie een jaar eerder van de Amerikaanse film “American flyers”, waarin Eddy een piepklein rolletje speelt: hij geeft het startschot van de beslissende rit – daarnaast is de bijnaam van “de slechte” in de film “de kannibaal” en er komt ook een kwaaie hond in voor die Eddy heet. ’t Zal allemaal wel als eerbetoon bedoeld zijn, maar Eddy kon er niet echt om lachen. Dat doet hij sowieso weinig, maar hij bleek op die persvisie toch veel minder afstandelijk dan ik altijd heb gedacht.
Aangezien dit eerste interview uiteraard vooral over die film ging, heb ik besloten dit als aanknopingspunt te gebruiken om het in mijn reeks over “sportfilms” ook eens over “films over wielrennen” te hebben. De meer algemene vragen over wielrennen heb ik (hopelijk ongemerkt) in het andere interview met Eddy geschoven (zie elders op deze blog).
Dat wil echter niet zeggen dat dit artikel over wielerfilms “exhaustief” zou zijn. Daarmee bedoel ik: ik heb geen opzoekingswerk verricht, ik ben enkel op mijn persoonlijke waarneming afgegaan. Dat wil dus zeggen dat ik erg opensta voor aanvullingen, correcties, enzovoort.
Daarbij moet ik vooraf stellen dat ik het hier – net zoals bij de andere sportfilms – uiteraard over fictiefilms heb, dus niet over documentaires zoals “Een zondag in de hel” van de Deen Jorgen Leth of “La course en tête”, een film over Merckx zelf van de Fransman Joël Santoni of zelfs niet het fantastische “Vive le tour” van Louis Malle. En al helemaal niet de misselijk makende documentaire van Jan Emiel Daele over de dood van Jempi Monseré, “Dood van een sandwichman”.
Deze film is inderdaad zelfs gewoon technisch van erg zwakke kwaliteit. Hij werd gedraaid toen Robbe De Hert financieel in het slop zat bij het draaien van zijn (alvast betere) film ‘Camera Sutra’ en het ziet er dik naar uit dat Robbe geroken heeft dat hij zonder zijn (trotzkistische) principes te verloochenen hier toch enige poen kon uit slaan. Zijn ethiek was dus even bedenkelijk als die van de vrouw die foto’s van Jempi verkocht op de begrafenis.
De derde “dader” bij het draaien van het onding, Guido Henderickx, heeft dit later zelfs toegegeven in Humo: “Ik sta overigens niet zo fel achter die film. Ik heb iets tegen het interviewen van mensen die achter een lijkwagen stappen. Vind ik nogal op het randje van de goede smaak. Het is zeker niet het beste wat Fugitive Camera heeft afgeleverd. Precies Paul Jambers toestanden. Laat maar zitten.”
Hetzelfde gevoel heb je natuurlijk bij “La dernière échappée” van Fabien Onteniente uit 2014. Deze film gaat namelijk over de laatste Tour van Laurent Fignon als commentator voor de Franse televisie (in 2010). Fignon was toen al in een ver gevorderd stadium van kanker (hij zou nog datzelfde jaar overlijden) en, ook al wordt in de film herhaalde malen aangehaald hoeveel keer hij de prix citron heeft gekregen (prijs voor de ambetantste renner in de Tour), toch wordt het voorspelbaar een soort van heiligenleven (de passage dat Fignon net vóór zijn chemokuur voor andere patiënten met hyperkinetische gebaren zijn avonturen uit de Tour en de Giro uitbeeldt is daarvan een goed voorbeeld). De film concentreert zich eigenlijk op de verhouding tussen Fignon (een uitmuntende vertolking van Samuel Le Bihan overigens) en zijn persoonlijke dokter (Youssef Hajdi), die zich – ook al voorspelbaar – van wielerhater tot wielerfanaat ontpopt, en gaat emotionaliteit niet uit de weg, maar ook dat is onvermijdelijk in dat soort films natuurlijk. Het meest hinderlijke is misschien nog het “product placement”. Kijk, die Tour 2010 werd gewonnen door Alberto Contador die toen voor Astana reed. Dus dat er af en toe al eens een auto van Astana door het beeld rijdt, daar is niks verkeerd mee. Maar dat in Frankrijk op elke hoek van de straat een auto van Cofidis geparkeerd staat, dat is er ver over, zeker als men in een restaurant dan ook nog een paar renners ziet eten en als toevallig hebben die dan ook alweer een Cofidis-trui aan…
Films over wielrennen, dat is dus altijd al problematisch (1). Nogmaals Guido Henderickx: “Het blijkt dat films die over sport gaan, niet marcheren. De enige uitzondering is Rocky, maar alle andere zijn aan de kassa geflopt. En alle Vlaamse producenten wéten dat blijkbaar. Kijk maar naar Amerika: Dustin Hoffman wou iets over de Ronde van Frankrijk maken en het project is nooit van de grond geraakt. Bij ons zijn er ook nog pogingen geweest om een story rond de Flandriens te weven, onder meer door Peter Simons geloof ik, maar men kreeg het niet rond. Mensen zien dolgraag sport, maar niét in de bioscoop. Ze kijken liever naar Eurosport.” (2)
Anderzijds bestaan er weinig goede sportfilmen. Ofwel zijn zij te technisch opgevat en wekken zij alleen de belangstelling van de ingewijden. Ofwel zijn zij al te zeer op sensatie afgestemd en wekken zij enkel afkeer bij de ware sportliefhebbers.
American flyers van John Badham (de man van Saturday night fever met John Travolta) tracht in zekere zin beide opvattingen te verenigen en… loopt het gevaar op twee fronten te sneuvelen.
Hier ten lande kan de prent evenwel een curiositeitssucces boeken daar ons aller Eddy Merckx er in meespeelt, weliswaar precies gedurende 8 seconden en 63/100, genoeg om hem de start te zien geven van een rit van The Coors International Bicycle Classic, de gekendste Amerikaanse rittenwedstrijd die zich in het gebergte van Colorado afspeelt en die dat jaar ook een soort aanloop tot het wereldkampioenschap zou zijn dat aldaar plaatsvindt op 6 september (beroepsrenners) en 7 september (liefhebbers).
Speelt de film zich dus grotendeels in het sportmilieu af dan brengt hij aanvankelijk een vrij roerende geschiedenis van twee broers die zichzelf en hun moeder weervinden doorheen de wielersport. Een flinke dosis sentimentaliteit en enkele grappige tafereeltjes kruiden dit gedeelte en maken het best te bekijken.
Maar aan alle prenten zit er ook een slot, een hoogtepunt en… dat wordt hier een diepe val. Opgefokte Amerikaans-Russische rivaliteit is er het kenmerk van en het maakt van de finale van de ultieme rit een grotesk spektakel waarin ook nog « een slechte Amerikaan » een valse duit in het zakje komt doen.
Welk onheil de Reagan-Rambo-mentaliteit kan aanrichten wordt in deze prent helaas nog eens bewaarheid, een prent die anders een hoop prachtige natuurtaferelen bevat, waarin enkele leuke meiden rondlopen en waarin Kevin Costner als de oudere broer echt de allure van een wielrenner heeft. Wat voor een komediant niet zo gemakkelijk is als het op het eerste gezicht wel lijkt…
Toch werd “American flyers” dus een bijna voorspelbare een mislukking. Het was nochtans een scenario van Steve Tesich (1942-1996), die ook reeds het prachtige “Breaking away” (Peter Yates, 1979) had geschreven, een “coming-of-age” film over vier “cutters” (zonen van steenhouwers) die het in een aflossingswedstrijd opnemen tegen de verwende studentjes die in hun dorp zijn neergestreken. De hoofdrol is weggelegd voor een jonge Dennis Quaid.
Aan “Breaking away” verleenden natuurlijk ook tal van Amerikaanse wielrenners van destijds hun medewerking. Dankzij mijn FB-friend Mark Allen ben ik erin geslaagd een aantal daarvan te identificeren: “Gary Rybar was the guy who motorpaced behind the truck. He later became Karen Rybar and still later committed suicide. Eddie Van Guyse (now announcer at Superweek) was the Italian who put his pump into Dave Stoller’s front wheel. There were many extras, guys like Dave Mercer who were in the road race scene. Chris Gutowski was in the Little 500 scene (he won the Madison Nationals in ’85). Also Christian Vandevelde’s dad was one of the Italians along with Eddie Van Guyse. They were bike racers from the Chicago area. The movie was based on Dave Blase’s life at college… but they took a lot of liberties there.
In “American flyers” speelt niemand minder dan Kevin Costner een oudere wielrenner die enkel om zijn jongere broer (David Grant) te motiveren nog eens op de fiets klimt, ook al laat zijn gezondheidstoestand hem dit eigenlijk niet meer toe. Costner mocht dan zoals aangegeven al niet meer zo piepjong meer zijn, toch was dit nog een film van vóór de periode dat hij een megaster werd (men had hem anders gewoonweg niet meer kunnen betalen) en ook hij kan de film dus niet redden ondanks het feit dat hij een geloofwaardige renner neerzet, wat voor een acteur nochtans niet zo eenvoudig is (zie 3). Sportfilms zijn zoals gezegd altijd riskant en van wielrennen hebben de Amerikanen al helemààl geen kaas gegeten. Toch vond Merckx dat de film een goed beeld gaf van het wielrennen in de Verenigde Staten van de jaren tachtig.
Eddy Merckx: Je moet weten da wielerwedstrijden ginds toch wel erg verschillen van die bij ons. Rittenwedstrijden zijn daar vaak een opeenvolging van criteriums, er zit zelden een etappe tussen die men met een rit uit de Ronde van Frankrijk of zo kan vergelijken. Het showaspect bij start en aankomst strookt ook wel met de realiteit. Bij elke ritaankomst wordt b.v. inderdaad het volkslied gespeeld, zelfs als er uitsluitend Amerikanen meerijden.
– Op die manier kadert deze film, zij het op veel vreedzamer wijze, helemaal binnen de patriottische Rocky- en Rambo-rage. Maar vindt u het niet spijtig dat die rivaliteit met de Sovjetrenners zo ten top gedreven wordt, terwijl de Sovjet-Unie juist een nieuwe impuls heeft gegeven aan het wielrennen?
Eddy Merckx:
Absoluut. En bovendien, dat komt ook helemaal niet overeen met de realiteit. De verstandhouding van de renners over alle grenzen heen is over het algemeen erg goed.
– Toch is het wellicht de bedoeling van de film om de wielersport te propageren. Geeft men op die manier echter geen verkeerd beeld van de wielersport op zich?
Eddy Merckx:
Dat is zeker waar. Kijk, het is cinema, hé? Dat duwen en dat trekken bijvoorbeeld, dat is totaal ondenkbaar, al zijn er in het peloton vroeger wel eens renners geweest die elkaar met hun pomp te lijf gingen. Maar als men aan de leiding fietst, zoals het in de film wordt getoond, dan zou de koersdirectie vlug ingrijpen. In de film is nergens echter ook maar een officiële wagen te bespeuren.
– Wij, Belgen, die met een fiets zijn grootgebracht, wéten dat dit cinema is, maar bestaat het gevaar niet dat die naïeve Amerikanen gaan denken dat het er in de realiteit ook zo aan toegaat?
Eddy Merckx:
Misschien wel. Het grote publiek althans en dat is dan toch wel erg spijtig. Anderzijds groeit het aantal mensen dat van koersen iets afweet toch gestadig, hoor, in de VS. Je mag dat niet onderschatten.
– Die wedstrijd zelf, “The hell of the West”, bestaat die echt?
Eddy Merckx:
Ja, maar eigenlijk is dat de Ronde van Colorado, die in de maand augustus wordt verreden en waarvoor dit jaar (1986 dus, RDS) nogal wat belangstelling bestaat, aangezien ze vlak voor het wereldkampioenschap, dat ook in Colorado wordt gehouden, wordt verreden. Dat zal voor het eerst zijn dat op die hoogte een wedstrijd van meer van zeven uur wordt gereden en verrassingen zijn dus zeker niet uitgesloten wegens het zuurstofgebrek. Het is zelfs zo dat de Ronde van Colorado vroeger een wedstrijd was voor liefhebbers die ook werd opengesteld voor profs, terwijl het nu net andersom is. Het is trouwens ook op die manier dat ik in de film ben verzeild geraakt. In 1984 heb ik namelijk de start gegeven van die wedstrijd, waaraan toen ook een Belgische liefhebbersploeg deelnam als voorbereiding op de Olympische Spelen. Als je goed kijkt, kan je dat trouwens zien in de film, want beelden uit die echte wedstrijd werden vermengd met een speciaal voor de film geënsceneerde koers. Voor de rest heb ik overigens niets met deze film te maken.
– Dat neem ik graag aan, want indien je echt een ‘technical consultant’ was geweest, zoals men ons wil doen geloven, dan zouden er zo geen blunders in gekomen zijn zoals die gebaarde Rus van honderd kilo die een toprenner moet voorstellen! En na afloop van de eerste rit duiken die twee koersende broertjes het bed in met hun respectievelijke lieven om dan ’s morgens gezwind te gaan trainen…
Eddy Merckx:
En waarom zouden ze dat niét doen? ’t Zijn toch mensen zoals een ander? (lacht)
– Dàt bedoelde ik niet. Ik had het eerder over het sportieve aspect. Zie je zoal iets gebeuren tijdens de Ronde van Frankrijk bijvoorbeeld?
Eddy Merckx:
Neenee, zeker niet. Dat is uitgesloten.
– Daarover gesproken, was u ook niet aangezocht als begeleider van de film “The jellow jersey”, het project van Steven Spielberg, met Dustin Hofmann in de hoofdrol?
Eddy Merckx:
Ja, maar die film gaat niet door (4).
– Dan toch onvoldoende belangstelling voor het wielrennen ginder?
Eddy Merckx:
Dat niet. Integendeel zelfs. Het wielertoerisme is daar een echte rage aan het worden, vooral nadat het joggen wat in een slecht daglicht is komen te staan door een aantal doden door hartstilstand (5). Het wielrennen heeft echter nog wel met tal van handicaps af te rekenen, niet in het minst met het verkeer. Die kilometerslange rechte autowegen zijn hoegenaamd niet geschikt voor wedstrijden en organisatoren worden ook vaak geconfronteerd met de onwil van de politieke verantwoordelijken om het verkeer stil te leggen en zo.
“American Flyers” of zelfs “Breakin’ away” waren zeker niet de eerste Amerikaanse films over wielrennen. Dankzij Raymond Batsford kwam ik b.v. in het bezit van bijgevoegde foto van het filmechtpaar Joanne Woodward en Paul Newman in de fim “A new kind of love” uit 1963. Het is niet helemaal duidelijk hoe deze foto kadert in een verhaal over een would-be callgirl en een “investigative journalist”, maar dat zoek ik ooit nog wel eens uit.
Er zou ook een Amerikaanse (komische) speelfilm uit de jaren dertig bestaan met de piste als strijdtoneel (“Six days bike rider” met Joe Brown) maar die heb ik helaas nog niet gezien (6). Een ernstige Deense film over hetzelfde onderwerp wel. Zelfs al werd hij aangekondigd als zijnde een beetje erotisch, toch mocht ik uitzonderlijk als kind opblijven. Het is echter zo lang geleden dat ik hierover niets méér kan vertellen. Wie dus meer informatie heeft om te proberen daarmee deze jeugdherinnering weer tot leven te wekken, wordt op voorhand hartelijk bedankt!
Pas in 2016 ontdekte ik dat in 1949 ook in Duitsland een film werd gedraaid over de zesdagen: “Um eine Nasenlänge” van E.W.Emo. Alhoewel dit ongeveer rond dezelfde periode moet zijn als de Deense film, kan het toch niet zijn dat ik met deze film heb verward, want het betreft hier een komedie. Als renners zijn in deze film te zien de Nederlanders Gerrit Boyen (Boeyen?) en Arie Vooren, de Italianen Fernando Terruzzi en Severino Rigoni en natuurlijk de Duitsers Rudi Mirke, Hans Preiskeit, Georg Singer, de gebroeders Hörmann, Sepp Kohlbeck, Hans Kaune en Fritz Anger. Opvallend: deze film kwam dus wel vlug na het verbod dat Hitler had uitgevaardigd voor deze “ontaarde” sport.
Nog in de VS zou ook schrijver Henry Miller (naast de onvermijdelijke Ernest Hemingway) van wielrennen hebben gehouden. In de film “Henry and June” laat men Miller zeggen dat hij naar de zesdagen van Brooklyn was gaan kijken en dat hij daar “haas” (gangmaker) heeft gespeeld. In de film houdt hij ook een race tegen Edoardo Sanchez, de neef van Anaïs Nin, die overigens beweert dat hij nog wielrenner is geweest. Dat moet dan wel in de tijd van “Les Cracks” geweest zijn, de prettig gestoorde film met Bourvil in de hoofdrol. Diezelfde knotsgekke sfeer vinden we trouwens terug in “Les triplettes de Belleville”, de Belgisch-Frans-Canadees-Britse animatiefilm van Sylvain Chomet uit 2003, en bij Cyriel Vervaecke, het weergaloze typetje van Chris Van den Durpel uit 2008. En hoe grappig de pré-mountainbike-downhill van Bourvil wel is, kan men zich het best realiseren als men er de povere imitatie door Herman Verbruggen in “Kampioen zijn blijft plezant” (Eric Wirix, 2013) naast legt. En de aanwezigheid van Johan Museeuw helpt ook al niet!
In “Les Cracks” is er een running gag van een renner die van vermoeidheid in slaap gevallen is in een rivier en zo langs het parcours af en toe opduikt, terwijl er een hemels gezang weerklink. Een dergelijke running gag zit ook in “The Pink Panther” van Shawn Levy uit 2006. Nochtans is deze “Pink Panther”-remake toch veeleer aan de zwakke kant. Al zitten er dus wel een paar geslaagde grappen in, vooral dan diegene die naar de oudere films verwijzen. Zo is er een bekende scène, waarin Peter Sellers met zijn vingers komt vast te zitten in een draaiende wereldbol. Dit wordt nu door Steve Martin overgedaan, in die zin dat de bol uit zijn houder draait en allerlei onheil veroorzaakt, tot zelfs in een wielerwedstrijd toe. Eén van die wielrenners komt zoals gezegd als running gag terug telkens Steve Martin de deur van zijn wagen opent, waar die renner dan tegenaan knalt en weggekatapulteerd wordt. Toch wordt dit enkel maar in de eerste helft van de film volgehouden. Nadien verdwijnt het en op die manier gaat de grap ook enigszins de mist in.
Over detectives gesproken, ook in de tv-film “Murder on the links” (links = golflinks) uit de reeks “Hercule Poirot”, dus naar de boeken van Agatha Christie, komt een (wellicht denkbeeldige) wielerwedstrijd in voor, namelijk le Trophée de Deauville. De film speelt zich inderdaad af in Deauville (Normandië, Frankrijk) in 1936. Het merkwaardige eraan is dat één van de hoofdpersonen (Jack Renauld, een beetje een gekke naam want een echte Fransman zou Jacques Renault heten, maar goed in de film sprak iedereen uiteraard Engels, zodat niet duidelijk was of het hier echt om een Fransman ging) deelneemt aan deze wedstrijd (hij wordt er derde in, als je het heel precies wil weten, een plaats waarmee hij erg tevreden was, want het jaar daarvóór was hij vijfde geëindigd, naar hijzelf zegt), maar voor de rest speelt dit helemaal geen rol in het verhaal. Mijn eerste veronderstelling was dus dat Agatha Christie in Frankrijk toevallig een wielerwedstrijd heeft gezien en dat ze daarover zo enthousiast was dat zij dit per se in een verhaal wou verwerken, ook al deed dit helemaal niet terzake. Aangezien het boek echter geschreven is in 1923, moeten we evenwel concluderen dat de wielerwedstrijd een vondst was van de regisseur (Andrew Grieve, 1989) of van de scenarist (de bekende auteur Anthony Horowitz).
Op de vooravond van de Tweede Wereldoorlog draaide Jean Stelli “Pour le maillot jaune”, een komisch bedoelde film over de Tour de France, waarin Albert Préjean een toprenner op zijn retour speelt (Albert Bergeon genaamd), die door een debuterende journaliste Colette Monnier, gespeeld door Meg Lemonnier, dus alweer een naam die “op het lijf” geschreven is (7) wordt afgeschreven, maar uiteraard eindigt het met een eindoverwinning en een love-story.
In de wereldberoemde film “La grande illusion” van Jean Renoir, die in dezelfde periode werd gedraaid, maar die wel over de éérste wereldoorlog handelt, zit slechts één zinnetje dat betrekking heeft op wielrennen, maar het is toch de moeite waard om het te citeren. In het krijgsgevangenenkamp wordt Jean Gabin aangesproken door een toneelspeler, die vraagt of hij ooit wel eens naar het theater is gegaan. Het antwoord is uiteraard ontkennend, maar Gabin voegt eraan toe dat hij voldoende heeft aan het drama dat hem wordt toegeleverd door de Tour de France. “Je weet toch wat dat is, hé?” vraagt hij aan de toneelspeler. En dan noemt hij drie oud-winnaars, “die nog veel in hun mars hebben”. En als het ware “toevallig” citeert hij dan drie namen van renners die tijdens de oorlog zullen omkomen: Octave Lapize, Lucien Petit-Breton en François Faber.
In “Jour de fête” (Jacques Tati, 1947) is er wél een rol weggelegd voor een wielrenner, een echte deze keer, namelijk Marcel Dussault. Het is niet duidelijk of hij ook de stunts van de fietsende postbode voor zijn rekening neemt.
Een paar jaar later is Justin (rol van Francis Linel), de in alle opzichten “snelle” zoon van bakker Fernandel, de winnaar van een wedstrijd in de Provence in de film “La boulanger de Valorgue” (Henri Verneuil, 1952). Merkwaardig hierbij is dat de naam van de sponsor haast onleesbaar is, terwijl de tweede en de derde voor “Gitana” rijden, dus “Gitana” met een “a” achteraan, ook al lijkt de trui in alle opzichten op die van “Gitane”.
In landen waar wielrennen deel uitmaakt van het gewone leven kan wielrennen inderdaad een leuk nevenaspect zijn in een film die verder niets met deze sport te maken heeft. Het beste voorbeeld vinden we daarvan wellicht terug in het Franse “L’été meurtrier” naar het boek van Sébastien Japrisot (zelfs in “Un long dimanche de fiançailles” is één van de veroordeelde soldaten een wielerfanaat). Maar het kan ook in komedies zoals in “Pleure pas la bouche pleine” van Pascal Thomas (1973) b.v. of “Impossible… pas français” van Robert Lamoureux (1974). Hierin klampen drie geloste renners in een koers (allen van dezelfde ploeg) zich vast aan de zeven vrachtwagens, die op weg zijn naar Le Havre.
Ook het Nederlandse “Spoorloos”, naar het boek “Het gouden ei” van Tim Krabbé, speelt zich af tegen de achtergrond van de Ronde van Frankrijk. Typisch is dat voor de vreselijk slechte Amerikaanse remake het wielrennen vervangen werd door mountainbiken.
Het oer-Hollandse naturalistische drama “De bende van Oss” van André Van Duren uit 2011 voert dan weer een wielrenner ten tonele die een profcontract in Italië probeert te versieren, maar zijn kansen verkwanselt omdat hij verzeild geraakt in de onderwereld van de misdaad die dit dorpje uit Noord-Brabant terroriseert. In de film heet hij Jan Kremer of Cremer, maar uiteraard bestaat er geen renner met die naam, ondanks het feit dat de film wordt aangekondigd als zijnde gebaseerd op historische feiten. Op Wikipedia staat echter vermeld dat de film weliswaar vertrekt van de legendarische “Bende” die al van op het einde van de 19de eeuw de wet stelde in het geboortedorp van Gert-Jan Theunisse, maar de film (die zich afspeelt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog) vertelt verder wel een totaal fictief verhaal.
Ons eigen land is een typisch voorbeeld van hoe het wielrennen verbonden is met het “gewone” leven en als dusdanig ook in de meeste diverse films voorkomt. Dat was reeds zo in de moeder van alle Vlaamse films “Mira, de teleurgang van de Waterhoek”, waarvan een cruciale scène zich afspeelt op de onlangs opnieuw geopende (na de bekende carrière van beschermd en daarna verwaarloosd monument) brug in Hamme. De plaatselijke dichter Staf De Wilde vertolkte hierin een bijrolletje in een wielerwedstrijd ter gelegenheid van de heropening van de brug. Met ware levensverachting stortte hij zich naar beneden want, omdat er in de tijd van Mira nog geen remmen bestonden, moesten de remmen van zijn fiets gehaald worden, ook al was dat geen “torpedo” zoals in die tijd gebruikelijk was. Staf raakte zodanig weg van de wereld dat hij een bocht miste en in een nabijgelegen sluis terecht kwam.
Ook de populaire televisieserie “Van vlees en bloed” (Michel Vanhove, 2009) eindigde met een hilarische wielerwedstrijd, gewonnen door een would-be beenhouwer/wielrenner (Koen De Graeve als Mike Heylen). Datzelfde jaar was er ook de krankzinnige “naaktkoers” in “De helaasheid der dingen” van Felix Van Groeningen. Maar nog straffer in diezelfde film vond ik die Ronde van Frankrijk (inclusief gele, groene en bollekestrui) die er werd “gereden”, waarbij de kilometers werden vervangen door het aantal pinten, de groene trui voor de snelste drinker was en de hoogtemeters in graden alcohol werden uitgedrukt…
Nostalgisch is ook de kortfilm “Tour de France” van Vincent Bal, waarin twee broers in de zomer van 1975 luisteren naar de ritverslagen van Jan Wauters over de Ronde van Frankrijk. “Hun mislukte amoureuze uitstap met enkele chiro-meisjes valt samen met de legendarische nederlaag van Eddy Merckx in die beruchte Tour,” schrijft Luc Joris in De Morgen van 9/2/1995.
Met “Hector” van Stijn Coninx met Urbanus en vooral Marc Van Eeghem in de rol van de onfortuinlijke wielrenner zijn we al dichter bij een Belgische wielerfilm als zodanig, die voorlopig zijn bekroning vindt in “Le vélo de Ghislain Lambert”, de film van Philippe Harel uit 2001 met Benoît Poelvoorde in de titelrol. Het leuke aan deze film is dat een aantal ware anekdoten er naadloos in worden verwerkt, zoals de praktijken van Marc Zeepcentrale, Pierre Brambilla die z’n fiets in z’n tuin begraaft, Jean Robic die met een hamer op z’n hoofd klopt, het jachtongeval van Gilbert Duclos-Lassalle en, wellicht het dichtst op de huid van de titelfiguur zittend, de “stunt” van Emile Bodart in Bordeaux-Parijs. Minder leuk is dat deze film wellicht zeer waarheidsgetrouw is wat het leven van “les petits coureurs” betreft (niet voor niets was Pierre Tosi “conseiller technique”). Eigenlijk is dit een uitwerking in een fictiefilm van het thema dat het onderwerp is van de documentaire “Dossard” (1986) van Alain Marcoen, waarbij deze zich concentreert op de “petit coureur” Guy Janiszewski.
In 2011 was er dan de opmerkelijke televisieserie van Jan Eelen, “De Ronde”, waarin de regisseur (tegelijk ook de scenarist) tegen de achtergrond van de Ronde van Vlaanderen van 2010 allerlei verhalen in elkaar verweeft. Vanuit wielerstandpunt was het daarbij vooral van belang dat hij erin geslaagd is ook de Zwitserse winnaar Fabian Cancellara een heel klein beetje te laten “acteren”.
Een voorbeeld waarbij de Franse en de Vlaamse wielercultuur worden vermengd is terug te vinden in “L’année sainte” van Jean Girault uit 1976. Hierin willen Jean Gabin en Jean-Claude Brialy van de “heilig jaar”-gekte gebruik maken om de buit van een eerdere kraak in Italië te gaan ophalen. Samen ontsnappen ze uit de gevangenis en nemen het vliegtuig naar Rome, waarbij Gabin zich uitgeeft als de Vlaamse bisschop Lambrecht. Het vliegtuig wordt echter gekaapt en dan gaan natuurlijk de poppen aan het dansen. Wat ons in deze contekst nu echter interesseert, is dat er ook een wielrenner aan boord is, Rik Smets (door wie de rol werd gespeeld is helaas niet terug te vinden op de Internet Movie Database), die net een klassieker heeft gewonnen. Wanneer de terroristen besluiten het vliegtuig op te blazen, willen verscheidene mensen biechten bij de bisschop of bij zijn assistent (Brialy). Zo ook de wielrenner. Hij biecht op bij Brialy dat hij de overwinning heeft kunnen behalen dankzij een dopingproduct. Dat hij weliswaar werd betrapt, maar dat hij beweerde dat het een geneesmiddel was voor de keel en dat hij werd geloofd. Brialy is maar in één zaak geïnteresseerd:
– Heb je hierdoor iemand van de overwinning afgehouden, die wél clean reed?
– Zeker niet, eerwaarde, de tweede zag ik zo’n spuit zetten!
– Ja maar, wat dan met de derde?
– Dat was Raymond Poulidor.
– Ah, Poulidor! Dat verergert uw zonde natuurlijk!

Maar de renner krijgt dan toch vergiffenis, wanneer de terroristen effectief een handgranaat in het vliegtuig gooien en de renner er zich met een kattensprong meester van maakt en het tuig terug naar buiten gooit. Zoals Hugo Claus zou zeggen (in “Suiker”, jammer genoeg nooit verfilmd): “Hij is nog altijd de rapste, onze wielrenner!”
Vele jaren later zou in de vierde aflevering van de Franse misdaadreeks “Agathe Koltès” (“Echappée mortelle”) een moord in het wielermilieu ook in verband worden gebracht met doping. Alhoewel ik uw kijkplezier niet wil vergallen, kan ik u wel verklappen dat dit uiteindelijk een “red herring” zal blijken te zijn. De moord is uiteindelijk ontstellend banaal en – zal ik het dan toch maar verklappen? – heeft niets met het wielermilieu te maken buiten misschien de stelling dat wielrenners er bekend voor staan om naast de pot te pissen. Dat ze fameuze scheefpoepers zijn m.a.w.
VREDESKOERS
Er zijn ook grote historische voorbeelden. Zo draaide niemand minder dan Joris Ivens de film ‘Wyscig Pokoju’ (de Vredeskoers) in 1952. Deze documentaire gaat natuurlijk over de wielerwedstrijd van datzelfde jaar, die in Warschau van start is gegaan en tegelijk de eerste Vredeskoers was die Duits territorium heeft aangedaan. De film was een samenwerking tussen de Poolse en Oost-Duitse regeringen. De Poolse vertaalster Ewa Fiszer, met wie Joris Ivens ooit getrouwd was (het duurde niet lang), was verantwoordelijk voor de tekst. In die tijd woonde Ivens in het Poolse Lodz, waar hij in de plaatselijke filmschool les gaf. Mocht je je ooit in Nijmegen bevinden, stap het Joris Ivens Instituut eens binnen. Daar op hun kantoren kan men de film gratis bekijken, de film duurt zo`n 45 minuten. In zes delen is hij ook te zien op You Tube. Ivens heeft meer aandacht voor de diverse portretten van Jozef Stalin of voor de Amerikaanse bombardementen op Dresden dan voor de wedstrijd zelf, maar het is en blijft een uniek document met in één van de hoofdrollen Jean Stablinski toen hij nog gewoon Stablewski heette.
Je zou het niet verwachten, maar zelfs in Engeland is er ooit een film gedraaid over wielrennen. Ter promotie van “A boy, a girl and a bike” (Ralph Smart, 1947) werd er zelfs speciaal een wielerteam opgericht. Alan “Stoppa” Clark, George Kessock, Karl Bloomfield en Clive Parker verdedigden de kleuren van Paris Cycles, het merk dat ook de fiets uit de titel van de film leverde. Het stuntwerk op de fiets werd gedaan door Viking-prof Bob Thom. Het stuntwerk in bed door Diana Dors. Op de internet movie database wordt de film immers als volgt samengevat: “When a local cycle club, invite a couple of new members to join them, little do the club realise, that they will soon be involved in a couple of illegal bookmakers putting the squeeze on the son of one of the members, a stolen bike, a deserting soldier on the run from the police, and a love triangle, that’s bound to lead to trouble.”
En verder is het wellicht niet toevallig dat in Ierland de jonge Stephen Roche-fan, het broertje van het hoofdpersonage in de film “The snapper” (over een vroegtijdige zwangerschap), een trui van de anti-abortusploeg Amore & Vita draagt…
Waarmee we ten slotte in Italië zijn aangekomen, het land waar allicht de meeste films over wielrennen werden gedraaid. Er staat mij vaag een film over een Giro d’Italia voor vrouwen bij, waarbij het wielrennen allicht maar een voorwendsel is om mooie vrouwen te kunnen tonen. “Belleze in bicycletta” (1951) van Carlo Campogaliani gaat zogezegd over een soort van Giro d’Italia voor vrouwen. Het is echter een typisch Italiaanse film, zowel wat het gezwets als het machismo betreft, zodanig dat het wielrennen zelf maar bijzaak is.
Voor de rest zijn het meestal zogenaamde biopics. Zo was er onlangs één over Marco Pantani, die echter enorm tegenvalt. Vooral vanuit sportief standpunt, alhoewel bijna alle ploegmaten van Pantani destijds bij Mercatone Uno hun medewerking verlenen. Er wordt ook gebruik gemaakt van echte beelden die dan worden gemixt met opnames die speciaal voor de film werden gedraaid. Daarbij is men echter wel heel slordig te werk gegaan. Zo draagt Pantani in de Ronde van Frankrijk 1997 het nummer 181, maar op de beelden die ermee worden vermengd, draagt hij het nummer 21, want het zijn beelden uit de Tour van 1998.
Daarom is het toch nog altijd “Il grande Fausto” die het meest in het oog springt. De film werd pas gedraaid nadat in 1993 Giulia Occhini, alias de Witte Dame, op 69-jarige leeftijd in Novi Ligure (Piemont) aan de gevolgen van een auto-ongeval dat ze reeds in augustus 1991 had gehad, overleed. Pas dàn kon Ornella Muti haar rol vertolken in “Il grande Fausto”, wat niet te verwonderen was, want deze TV-film van Alberto Sironi vertolkte het zogenaamde “Driessens-standpunt” over de zaak Fausto Coppi. Dat wil dus zeggen dat men ervan uitgaat dat Coppi eigenlijk naar zijn vrouw Bruna wilde terugkeren. Dit standpunt is wellicht ingegeven door Coppi’s verzorger Biagio Cavanna, een gewezen bokser die in 1936 blind was geworden door syfilis en in de film daardoor de rol van vrouwenhater krijgt toegewezen.
Buiten Bruna (die overigens door de mooie Evelyne Bouix wordt gespeeld, zodat Ornella Muti er eigenlijk niet in slaagt haar “weg te spelen”) worden zowat alle personages nogal negatief afgeschilderd, vooral dan nog Coppi zelf, alhoewel de film niet echt ontluisterend wil zijn. Toch was Gino Bartali niet te spreken over de versie van de feiten die in de film worden gegeven en zoon Faustino al evenmin. Wellicht stoorden ze zich ook aan de bedscènes, want – eerlijk gezegd – Fausto Coppi in bed, daarop zat ik eigenlijk ook niet te wachten. Het mag dan nog met Ornella Muti zijn, die op een bepaald moment zelfs in onderjurk in Coppi’s bad stapt…
MIDSOMER MURDERS IN THE WORLD OF CYCLING
39 midsomer murdersIn 2016 was één van de afleveringen van de bekende serie “Midsomer Murders” gewijd aan moorden in het wielermilieu (“Breaking the chain”, geschreven door Chris Murray en geregisseerd door Rob Evans). Op de Internet Movie Database waren de fans van de serie “not amused”. De enige min of meer positieve reactie kwam van een zekere Tweekums en daarmee wil ik dan ook openen: “This episode sees the world of elite cycling come to Midsomer; not quite the Tour de France but an important national competition that could be a stepping stone to the very top of the sport (al wordt er wel geaarzeld tussen een wegrit en een veldrit, zoals men kan zien op bovenstaande foto, RDS). Shortly after the race the winner is found murdered. He was part of a locally based team and had broken team orders to win; the winner was meant to be one of the sons of the team’s owner. As the investigation progresses it also emerges that one local is strongly opposed to the races claiming the spectators damage the countryside and that somebody died during a previous race and later it becomes apparent that somebody is sending threatening messages to the woman responsible for bringing the race to the area. If that weren’t enough there is the possibility that certain riders are drug cheats and there are romantic involvements between the riders and women working for the team. This was another fun story of murder within a special interest group; something Midsomer Murders does rather well. There are certainly enough suspects to choose from and that number increases after a second murder occurs. Of course the viewer will eliminate several early on as their motives are too obvious and we all know the obvious people never did it in the world on murder-mysteries.”
Maar tot daar de overeenkomsten met de andere afleveringen uit de serie, want Mr.Ollie vraagt zich af: “What has happened to the theremin? The wonderful sound this instrument made added tension and anticipation to many scenes when a murder was about to happen. Sadly now gone. John Barnaby and his wife do not have the same chemistry as Tom and Joyce Barnaby.”
En Pensman voegt eraan toe: “Worse, what happened to the wonderful Midsomer towns? There is no scenery anymore. Either these episodes are being shot on an incredibly cheap budget or the money is being overspent on Neil Dudgeon (de “nieuwe” Barnaby, RDS). It can’t be going to the writers because this current crop is nowhere near the quality of Anthony Horowitz.”
Pensman is een Amerikaan (de eerste twee waren Britten), maar de Australiër Richard B. sluit zich bij hem aan: “It’s just not the old MSM. There was not a vicar in sight, no upper class twit on the rampage, and the TCI (Thatched Cottage Index) was bumping along at rock bottom – only one was on show and that was the pub. The only bicycles to be seen were new – fangled racers and none had baskets on the handle bars.” Alhoewel… in “the fun ride” waren ze wel aanwezig (zie foto hieronder).67 midsomer murders

Referenties
Lode De Pooter, Rambo op de fiets, De Rode Vaan nr.27 van 1987
Lode De Pooter & Ronny De Schepper, “In de Tour moet je heel klein kunnen rijden, zelfs op het vlakke”, De Rode Vaan nr.27 van 1986
Guy Van den Langenbergh, “Ik dacht écht dat het Lance was, tot ik hem zag fietsen”, Het Nieuwsblad 7/10/2015

(1) Wellicht een louter persoonlijke opmerking, omdat dit tenslotte de sport is waar ik het meeste van ken. Zelf ben ik bijvoorbeeld ook een grote liefhebber van de dansfilm “Strictly ballroom”, maar kennissen van me die zélf aan danswedstrijden deelnemen vinden dit een sof, omdat erin een loopje wordt genomen met allerlei reglementen terzake. Maar die kén ik niet natuurlijk en dat zal me dan ook worst wezen, al moet ik wel toegeven dat bij films over wielrennen het inderdaad dergelijke fouten zijn die me tot waanzin drijven! Samengevat kan men dus zeggen dat er weinig goede sportfilms bestaan. Ofwel zijn zij te technisch opgevat en wekken zij alleen de belangstelling van ingewijden. Ofwel zijn zij al te zeer op sensatie afgestemd en wekken zij enkel afkeer bij de ware sportliefhebbers.
(2) Zowel producent Erwin Provoost als regisseur Peter Simons noemen dit in Humo hun “droomproject”, maar het blijft voorlopig ook bij een droom. Daarnaast is er natuurlijk nog die andere producent, Johan Schotte, die een film wil maken over zijn vader Briek, dé Flandrien bij uitstek. Alleen wilde hij het geld halen uit de productie “From hero to zero” over Jean-Marie Pfaff en daar liep het al verkeerd.
(3) Daarvoor volstaat het b.v. om naar Rock Hudson te kijken die in de jaren zeventig de hoofdrol vertolkte in de televisieserie “McMillan & Wife”. In een bepaalde aflevering zet hij op een koersfiets de achtervolging in op een gangster die eveneens een koersfiets heeft gegapt.
(4) Toen was het nog de bedoeling dat Michael Cimino de regisseur zou worden. Het project kwam maar niet van de grond, zodanig dat Dustin Hofmann (voor zover die sowieso al een geloofwaardige renner zou kunnen neerzetten, fysiek dan), werd vervangen door Robin Williams (waarbij men zich dezelfde vraag kon stellen: vedettestatus was blijkbaar belangrijker dan geloofwaardigheid), maar het mocht allemaal niet baten. Ook François Truffaut heeft z’n Tour de France-project nooit kunnen uitvoeren. Nu zou men aan een film over het leven van Lance Armstrong bezig zijn en zelfs al lijkt dat nog enigszins plausibel (meer door zijn strijd tegen kanker dan als wielrenner is Armstrong wel degelijk een begrip in de VS), toch zou ik er geen fortuinen durven op verwedden.
(5) Helaas heeft het wielrennen op dat vlak echter ook geen al te beste reputatie (zie elders op deze blog).
(6) In 1926 draaide de Fransman René Sti reeds “L’inconnue des six jours”, maar hiervan kan ik enkel maar vermoéden (op basis van de titel) dat deze film eveneens in het zesdagenmilieu speelt.
(7) Wellicht is de naam ook een allusie op de schrijfster Colette, die de eerste vrouw was om als journaliste de Tour de France te volgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s