Studio Skoop werd op 16 september 1970 geopend met de film “Goto, l’île d’amour” van Walerian Borowczyk, nadat initiatiefnemer Ben ter Elst de oude UFAC-ruimte aan het Van Arteveldeplein (zoals het Sint-Annaplein toen nog heette) tot een bioscoop met 245 plaatsen had omgebouwd. UFAC staat voor Union Fraternelle des Anciens Combattants en het ging hier wel degelijk over oudstrijders van de Eerste Wereldoorlog, aangezien het gebouw tijdens de Tweede Wereldoorlog nog is gebruikt als luxebordeel voor Duitse officieren.

Ben ter Elst: “Het moet rond 1967 zijn geweest dat ik voor het eerst in Gent arriveerde. In die tijd was ik totaal bezeten door cinema en film. Ik zwierf al jaren half Europa af van de ene stad naar de andere en van het ene land naar het andere, steeds op zoek naar nieuwe films die ik nog niet gezien had. In die jaren heb ik links en rechts tientallen jobs gedaan (havenarbeider, kok op een schip, boerenknecht, huisschilder, etc.) juist om geld genoeg te hebben om te eten en mijn filmtickets te kunnen betalen. (…) Ook op die allereerste dag in Gent ontmoette ik André Posman (later van De Rode Pomp, RDS) die mij sindsdien altijd onderdak en eten gaf als ik weer eens in Gent passeerde om naar een film te komen kijken van de Universitaire Filmklub in de Volderstraat. Ik heb daar talloze grandioze films gezien. Daarvoor veel dank aan Jean Marc de Vos en Walter Goetmaeckers die daar toen de programmatie deden. (…) Na vele omzwervingen belandde ik op een eiland voor de kust van Alaska waar ik zes maanden onder barre omstandigheden bomen heb gekapt. (…) Toen mijn Amerikaans avontuur ook al op een grote katastrofe uitdraaide ben ik uit wanhoop teruggekeerd naar mijn vriend in Gent. (…) Ik had nog ongeveer 100.000 fr. over van mijn Alaska-avonturen en gaf dat in bewaring bij André Posman want ik kon toen al niet met geld omgaan. Mijn droom was er nog steeds en op een zekere dag zag ik een advertentie in een Gentse krant staan dat in Mariakerke de volledige inboedel van een cinema te koop stond. Ik ben daar met een vriend die ik in Israël ontmoet had naartoe getrokken en twee uur later stonden we terug op straat en hadden voor 80.000 fr. de hele inboedel aan ons been. Daar stonden we dan, niet wetend waar ermee naartoe te gaan want binnen de drie maanden moest alles daar weg en uitgebroken worden. (…) Na drie maand van paniek en angst vonden we dan op het allerlaatste moment dit gebouw aan het Sint-Annaplein. (…) In augustus 1969 vond de hele verhuis uit de cinema Prado uit Mariakerke plaats en werd alles weer opgebouwd.” (Volgens de latere eigenaar Walter Vander Cruyssen was het echter wel degelijk in 1970. Misschien is Ben door al dat kappen een beetje de tel kwijt geraakt?)
De tweede film die werd vertoond was “Het Bal der Pompiers” en het grappige is dat deze film door het voltallige brandweerkorps van Gent werd bijgewoond. De reden daarvoor was minder grappig: een grote mazoutkachel ging zo vervaarlijk te keer dat hun aanwezigheid meer dan vereist was!
Nog een geluk dat ze als bluswater niet dat uit de open riool moesten gebruiken die onder de zaal bleek te lopen en die jarenlang voor geurhinder heeft gezorgd.
Een andere legendarische voorstelling was die van “Helzapoppin”, toen de projectionist aan de mensen in de zaal kwam vragen of iemand soms de film al eens had gezien, omdat de filmrollen hopeloos in de war waren geraakt. Soms moesten de projectionisten (waaronder Herman Vermeulen) ook al eens wakker gemaakt worden door de toeschouwers…
Na enkele jaren hield Ben ter Elst zich al meer op het achterplan, terwijl de huidige uitbater, Walter Vander Cruysse, reeds sedert 1977 bij de uitbating was betrokken. Hij nam de zaak helemaal over op 1 februari 1983.
In het café, dat werd geopend in december 1970, staan er nog een paar van de oorspronkelijke houten banken waarop de billen van de “Skopiumschuivers”, zoals Ben ter Elst de fans van het eerste uur noemde, werden gehard. Terecht was de eerste ingreep van Vander Cruysse dan ook om deze te vervangen door comfortabele zetels, die de concurrentie met die van de multiplexen konden doorstaan.
Tegelijk werd op kleine schaal ook het principe van zo’n multiplex overgenomen, doordat het gebouw werd opgedeeld in drie zaaltjes. In 1988 kwam daar nog een vierde bij en ter gelegenheid van de dertigste verjaardag werd nog een vijfde officieel opengesteld, ook al is deze zaal met 35 plaatsen (wat het totaal op 398 brengt) eveneens al een jaar in gebruik.
Toch is dat meerkeuzeprincipe niet zo evident in wat men dan een “arthouse cinema” is gaan noemen. In een multiplex swingt het popcorn-etende jonge volkje zonder verpinken van de ene actiefilm naar de andere als de zaal vol zit, maar komt een arthouse-bezoeker niet eerder voor een specifieke film?
“Inderdaad,” geeft Walter Vander Cruysse toe, “maar men mag toch aannemen dat de gemiddelde bezoeker slechts één keer per maand naar de bioscoop gaat, zodat hij bij de andere films ook wel zijn gading zal vinden.”
Anderzijds is de programmatie van Skoop minder “gestroomlijnd” dan in zo’n multiplex, waar de Hollywoodfilms bijna allemaal doorslagjes van elkaar zijn. “Dat gaat inderdaad van de betere kaskraker in onze grootste zaal tot een cinefiele film in één van de kleine zaaltjes met alle schakeringen daar tussenin.”
Wat er bijna niet meer bij is, dat is een Franse film, ooit nochtans het paradepaardje van Studio Skoop. Begin januari 1992 kreeg Vander Cruysse naar aanleiding van het Brusselse Filmfestival zelfs een haantje van de Franse gemeenschap. Met hun “Coq”-filmprijs wilde de Franse gemeenschap diegenen belonen die zich inzetten voor de promotie van films uit het Franstalige landsgedeelte.
“Tot dat jaar stonden er in de top tien van de best lopende films in Studio Skoop niet minder dan acht Frans gesproken films,” zucht Vander Cruysse. “Ondertussen is dat teruggelopen tot nog één film.” Volgens hem heeft dat te maken met de VTM-isering zoniet van het publiek (want bestaat het Skoop-publiek wel uit VTM-kijkers?), dan toch van de pers, die bijna nog uitsluitend belangstelling heeft voor Hollywood-producties.
Toch kan ook Walter niet ontkennen dat de Franstalige filmverdelers in ons land weigeren nog langer voor Nederlandse ondertiteling te zorgen. “Zij redeneren: pour les Flamands la même chose,” zegt hij bitter. Hij denkt er dan ook niet aan niet-ondertitelde films te programmeren: “Dan zou je hen nog belonen ook!”
De eerste film die langer dan een jaar liep in Studio Skoop was eveneens een Franse productie: “Cyrano de Bergerac” in 1990. “Nu kan ik wel zeggen dat we die klip van één jaar opzettelijk hebben willen halen,” geeft Vander Cruysse toe, maar het fenomeen heeft zich nadien nog viermaal herhaald: met “Toto le Héros” in 1992, “Manneken Pis” in 1995 en “Festen” in 1999. En natuurlijk met “Il Postino”, die in totaal twee jaar en vier maanden heeft gelopen en dan nog slechts werd afgevoerd omdat de kopij helemaal kapot was gedraaid en de distributeur geen nieuwe wou aanmaken. “Anders liep hij misschien nog!” grapt Vander Cruysse.
Studio Skoop is niet alleen een begrip in de Vlaamse filmwereld, ook het café profileert zich uitdrukkelijk als “muziekcafé”. Vroeger waren er zelfs rockoptredens in de zaal. Iconen als Nico, John Cale, Kevin Ayers of Tim Hardin zijn er nog gepasseerd. “Daarmee is men nog voor mijn tijd moeten stoppen omwille van de geluidsoverlast. Maar Studio Skoop is belangrijk in zijn totaliteit, dat is waar,” beaamt Walter Vander Cruysse. “Er is een kruisbestuiving tussen cinema en café. Op beide vlakken zijn we trendsetters geweest. In het café kon je figuren met de hipste kledij tegen het lijf lopen. Zowel homo’s in uitdagende ‘collants’ als poepsjiek geklede gasten. En het voornaamste was dat dit gebeurde zonder dat de ene categorie neerkeek op de andere.”
Maar Studio Skoop was niet enkel trendsetter, ook taboe-doorbreker! “Wij hebben ons nooit laten afschrikken door blote billen of blote borsten, dat is waar. Zo hebben wij L’empire des sens op het programma genomen nadat de film jaren verboden was in België.”
En wie herinnert zich niet de gerechtelijke vervolging van Ben ter Elst en Dirk De Meyer op 24 januari 1976 wegens de programmering van “History of the Blue Movie” of het politieoptreden toen Studio Skoop zich solidair verklaarde als zowaar in de toenmalige sekscinema Leopold “The private life of Romeo and Julia” werd verboden en men de film dan maar in de eigen zaal wou afspelen?
Dirk De Meyer was overigens de animator van de Universitaire Filmklub (UFK), die vanaf het seizoen 1973-74 met Studio Skoop scheep ging.
Naast het Internationaal Filmgebeuren (januari 1974) ligt Studio Skoop ook aan de oorsprong van het Internationaal Antimatiefilmfestival (februari 1994) en het documentair filmfestival Viewpoint (december 1994).

Referentie
Ronny De Schepper, Studio Skoop: heraanknopen met het verleden, De Rode Vaan nr.7 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s