Richard Minne (1891-1965)

Richard MinneOp 1 juni was het vijftig jaar geleden dat de Gentse dichter, schrijver en criticus Richard Minne is overleden.

Richard Minne heeft eerst als corrector en nadien als journalist gewerkt, waarna hij één jaar in Brussel is gaan werken op het ministerie van justitie, met name op de vertaaldienst, waarvan zijn vriend en collega dichter Jan van Nijlen de directeur was. Ondanks het feit dat Minne zich daar ter plekke min of meer ongestoord met schrijven kon bezighouden, kon hij daar toch niet aarden en keerde hij terug naar het platteland in de omgeving van Gent. Daar leefde hij eerst als boer (om gezondheidsredenen), maar dat ging hem helemaal niet af. Je kan dat zien op oude foto’s en dat blijkt ook uit de ironie waarmee hij de natuur in zijn gedichten behandelt. Minne had liever aan de Middellandse Zee geleefd. Men bood hem dan ook de mogelijkheid om op een eilandje in het Como-meer te logeren in een soort “opvanghuis” voor schrijvers en artiesten, dat door ons ministerie van cultuur of hoe dat toen ook mocht heten werd gehuurd. Na een jaar is dat project mislukt, want je moet natuurlijk rekenen dat je in de jaren twintig, dertig niet zo makkelijk naar de Middellandse Zee kon reizen. Het enige wat Minne met de beurs die hij daarvoor heeft ontvangen heeft gedaan is een paar dagen in Gent gaan logeren…
Minne heeft hoop en al 50 gedichten geschreven, waarvan een aantal dan nog gelegenheidsgedichten. Toen hij veertig was, is hij gestopt met schrijven, “omdat hij alles al geschreven had”. Minne was ook spaarzaam met woorden. Hij schreef heel korte dingetjes, die toch een hele wereld konden oproepen. Ondanks het feit dat hij zijn gedichten doorspekte met dialectwoorden werd hij ook geapprecieerd in Nederland. In zijn anthologie “De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten” uit 1979 nam Gerrit Komrij niet minder dan tien gedichten van Minne op, waarmee hij de best vertegenwoordigde dichter uit Noord én Zuid is! Typisch is b.v. ook dat er op het doodsprentje van Gerard Reve een gedicht van Minne stond. Minne wordt dan ook getypeerd als “wars van alle stromingen, eigenzinnig en modern en door zijn ironische kritiek verwant aan Nescio en Elsschot”. In de jaren vijftig heeft hij voor Vooruit geschreven, o.m. de rubriek ‘twintig lijnen’ die na hem werd overgenomen door Louis Paul Boon. Op 20 oktober 1960 schrijft hij hierover in Vooruit: “Minne is linkshandig (het trof me, vooral omdat ook ik linkshandig ben), en ik vroeg me af of het daardoor komt, dat hij voor ‘tegendraads’ wordt versleten? Hebben de linkshandigen dan iets in hun karakter dat hen van de anderen verwijdert? (*) En zoja, dan zou ik de Vereniging van Linkshandige Schrijvers willen zien stichten. Met Minne als voorzitter.”
Daarvóór nog had Minne een ander rubriekje gecreëerd, “Brieven van Pierke”, met tekeningen van Frits Van den Berghe. Toen tijdens de oorlog Vooruit een collaboratiegazet werd, werd de rubriek overgenomen door Leo Poppe, die er een nationaal-socialistisch tintje aan gaf, terwijl Minne probeerde te overleven met het schrijven van jeugdverhalen.
In 2007 schreef Carlos Alleene de monoloog “Richard Minne, kort en goed” voor Werther Vandersarren. “Het gaat over de laatste levensjaren van de schrijver in het kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem, over zijn dood en over het verlangen nog eens te mogen terugkeren naar de meisjes van plezier langs de Kortrijksesteenweg.” (Alleene tegen Rudy Moeraert in De Gentenaar van 27/2/2007)
Reeds eerder had Dirk Van Esbroeck een aantal gedichten van Minne op muziek (en op de CD “Van op de hoge brug”) gezet, samen met de Antwerpenaar Jan van Nijlen.
Dirk Van Esbroeck: Richard Minne en Jan van Nijlen zijn alle twee in 1965 overleden met vijf of zes weken verschil. Het waren ook vrienden, zij het dat zich dit niet in frequent contact uitte omdat het twee nogal eenzelvige mensen waren. Zeker van Nijlen was een zeer teruggetrokken mens. Minne heeft één jaar in Brussel gewerkt op het ministerie van justitie, met name op de vertaaldienst, waarvan van Nijlen de directeur. Ondanks het feit dat Minne zich daar ter plekke min of meer ongestoord met schrijven kon bezighouden, kon hij daar toch niet aarden en keerde hij terug naar het platteland in de omgeving van Gent. Daar leefde hij eerst als boer (om gezondheidsredenen), maar dat ging hem helemaal niet af. Je kan dat zien op oude foto’s en dat blijkt ook uit de ironie waarmee hij de natuur in zijn gedichten behandelt. Hij werd daarna dan ook journalist (bij Vooruit). Het was een manier om te ontsnappen uit de burgerlijkheid, maar toch in de stad te blijven wonen.
Bij van Nijlen was dat na Antwerpen eerst Nederland (tijdens W.O.I) en achteraf Brussel, waarover hij prachtige gedichten heeft geschreven. Hij had er ook een stamcafé, “De Spijtigen Duvel” op de steenweg naar Alsemberg. Zijn dochter woonde op het moment van mijn gesprek met Dirk Van Esbroeck nog altijd in Ukkel. Zijn zoon daarentegen is overleden in een Duits concentratiekamp. Hij heeft daarover nog een heel aangrijpend gedicht geschreven.
In beide gevallen lijken deze dichters te “pendelen” tussen twee toestanden, waarin ze zich eigenlijk nooit echt goed voelen. Want Minne was zoals gezegd op de eerste plaats een stadsmens (Gent), net zoals van Nijlen ook een stadsmens is, maar dan met Antwerpen als thuisbasis. Van Nijlen hield weliswaar heel veel van de natuur, want alhoewel hij in de Carnotstraat is opgegroeid, hield zijn grootvader daar een winkel van zaden en planten en die heeft hem de liefde voor de natuur bijgebracht.
Beide dichters hadden ook een hang naar het Zuiden. Vooral Minne had liever aan de Middellandse Zee geleefd. Men bood hem dan ook de mogelijkheid om op een eilandje in het Como-meer te logeren in een soort “opvanghuis” voor schrijvers en artiesten, dat door ons ministerie van cultuur of hoe dat toen ook mocht heten werd gehuurd. Na een jaar is dat project mislukt, want je moet natuurlijk rekenen dat je in de jaren twintig, dertig niet zo makkelijk naar de Middellandse Zee kon reizen. Het enige wat Minne met de beurs die hij daarvoor heeft ontvangen heeft gedaan is een paar dagen in Gent gaan logeren.
“Het lijkt een beetje op naar Patagonië willen gaan en het nooit doen,” zegt Dirk Van Esbroeck. Dan wacht hij even en dan voegt hij eraan toe: “En dat is misschien maar goed ook. Je kan er beter blijven over dromen en gedichten over schrijven.”
Van Nijlen wordt nogal eens afgedaan als een conventionele burgerman, maar het is op z’n minst toch vreemd te noemen dat hij zo’n 25 keer is verhuisd! Een onrustig figuur dus met een dichotomie tussen de burgerman en de dichter, zoals we dat ook bij Elsschot terugvinden. Nederland was het “literaire vaderland” van van Nijlen. Hij publiceerde er haast al zijn werk en had er ook zijn literaire vrienden: Bloem, Du Perron, Greshoff en Dubois. Deze laatste vatte zowel zijn miskenning als zijn karakter samen door te zeggen: “Hij had misschien even talrijke vrienden als lezers.”
– Was van Nijlen moeilijker op muziek te zetten dan Minne? Het zijn er ook minder: vier op een totaal van veertien!
Dirk Van Esbroeck:
“En dat terwijl ik er oorspronkelijk méér van van Nijlen op muziek wou zetten! Maar bij van Nijlen ben je inderdaad beter dat je de tekst ook nog eens léést. Minne zou wellicht een betere ‘liedjesschrijver’ zijn geweest dan van Nijlen, ja dat is best mogelijk. Hij is ook actueler. ‘Internationale treinen’ b.v. Vervang treinen door vliegtuigen en de Volkenbond door de Verenigde Naties en dan is dit gedicht zeker niet gedateerd.”
Minne heeft hoop en al 50 gedichten geschreven, waarvan een aantal dan nog gelegenheidsgedichten. Toen hij veertig was, is hij gestopt met schrijven, “omdat hij alles al geschreven had”. Minne was nog spaarzamer met woorden dan van Nijlen. Hij schreef heel korte dingetjes, die toch een hele wereld konden oproepen. Ondanks het feit dat hij zijn gedichten doorspekte met dialectwoorden werd hij toch, nog meer zelfs dan van Nijlen, geapprecieerd in Nederland. In zijn anthologie “De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten” uit 1979 nam Gerrit Komrij niet minder dan tien gedichten van Minne op, waarmee hij de best vertegenwoordigde dichter uit Noord én Zuid is! Typisch is b.v. ook dat er op het doodsprentje van Gerard Reve een gedicht van Minne stond. Minne wordt dan ook getypeerd als “wars van alle stromingen, eigenzinnig en modern en door zijn ironische kritiek verwant aan Nescio en Elsschot…”
Op “Afscheid van Pijper, commis-voyageur” gebruikt Dirk Van Esbroeck een samba-ritme om bij te dragen tot de Elsschottiaanse atmosfeer, want Pijper was de vader van Richard Minne. “Een salesman eigenlijk. Dus dit is een soort van ‘Death of a salesman’. Vandaar dat samba-ritme. Dat is bewust gedaan als contrast.”
“Adieu” gaat over een vriend van Minne die geëmigreerd is en het is weemoedig zoals de meeste liederen: “Dat ligt in de eerste plaats wel aan de dichters, maar ook aan de muziek, akkoord. Ik heb me b.v. nogal op fado’s geïnspireerd. Zij het dat ik er toch een paar andere, meer opgewekte dingen heb tussengestoken. Maar ik wil bewust geen Argentijnse dingen brengen, want dat wil ik toch gescheiden houden. Live zullen we trouwens ook nog afwisselen met instrumentale nummers en met gesproken teksten, maar dan wel eveneens van die beide dichters. Van Minne lees ik b.v. één van zijn kronieken voor die hij in de jaren vijftig voor Vooruit heeft geschreven.”
Minne koesterde zijn leven lang een grote bewondering voor de Franse literatuur en cultuur. In Frankrijk, dat hij meer dan eens zijn ‘tweede vaderland’ noemde, vond Minne alles waaraan het Vlaanderen ontbrak: een speels en ondogmatisch intellectualisme, (zelf)relativering, humor en satire, een voorliefde voor polemiek. Deze fascinatie voor het Franse geestesleven spreekt duidelijk uit Minnes scheppend en kritisch werk. Als dichter droeg hij gedichten op aan Tristan Derème en Gérard de Nerval. Als literair criticus voor Vooruit heeft hij actief bijgedragen tot de bekendmaking en verspreiding van de Franse literatuur in Vlaanderen (Paul Léautaud en Jules Renard). Anderzijds moet men dat alles toch weer niet al te letterlijk nemen. Zo vertelt Boon in dat reeds geciteerde stukje: “Minne is ook in de eerste plaats een minnaar der Franse letteren geweest… Toen hem enkele studenten vroegen wat hij dacht over de hedendaagse Vlaamse literatuur, antwoordde hij dan ook: ‘Ik ken die niet zo goed, ik ben meer thuis in de Franse literatuur.’ En toen vroegen de studenten: ‘Wat denkt ge dan over Sartre en Camus?’ En Minne antwoordde: ‘Die heb ik nog niet gelezen.'”
Ook zijn liefde voor zijn ‘tweede vaderland’ moet je met een korrel zout nemen. Opnieuw Boon: “Eens zei Maurice Roelants hem: ‘Gaan we dit jaar weer naar het zuiden van Frankrijk?’ En Minne antwoordde weigerig: ‘Maar we zijn pas verleden jaar geweest!'”

Ronny De Schepper

(*) Ikzelf ben ook linkshandig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.