Arsenal-Anderlecht 3-0

NELSON_SammyVandaag is het precies 45 jaar geleden dat ANDERLECHT de finale van de Europese beker voor Jaarbeurssteden (voorloper UEFA Cup) verloor tegen Arsenal. Anderlecht had een week eerder thuis met 3-1 gewonnen van de Engelsen, maar Trappeniers, Heylens, Velkeneers, Kialunda, Martens, Nordahl, Desanghere, Puis, Devrindt, Van Himst en Mulder verliezen in Londen met 3-0. Ik weet niet of bij Arsenal Sammy Nelson (foto) aan de aftrap stond, maar een jaar later heb ik een week samen met deze Arsenal-international onder één dak doorgebracht.

Na veertien dagen Hastings ging ik in september 1971 nog een week naar Londen waar ik logeerde in Muswell Hill. Dat kwam door een merkwaardig toeval. Op de trein naar Hastings was ik immers een vrouw tegengekomen, die naar mijn reisplannen informeerde. Ik antwoordde dat ik na Hastings naar Londen wou trekken, maar dat ik eigenlijk nog geen idee had hoe ik dat zou aanpakken. “Waarom kom je niet bij mij logeren?” stelde ze voor, want zij bood verder ook nog onderdak aan Sammy Nelson, de Noord-Ierse internationaal van Arsenal, en twee jongere spelers, een Davies uit Wales en een Hamish uit Schotland, waarvan ik later nooit meer iets heb gehoord. Het grappigste was nog dat ik, geen voetbalfanaat zijnde – ik heb bijvoorbeeld een uitnodiging om mee te gaan naar Arsenal afgeslagen! (*) – vooral contact zocht met de vijfde logé, een kunststudent. Maar, guess what, die kunststudent was nog meer voetbalgek dan de drie profspelers samen!
Maar goed, popliefhebbers zullen nù wel weten dat omstreeks dezelfde tijd The Kinks hun elpee “Muswell Hillbillies” aan het inblikken waren, maar dat wist ik op dat moment nog niet. En nog minder wist ik dat mijn nieuwe idool Rod Stewart (de single “Maggie May”/”Reason to believe”, samen met “Penny Lane”/”Strawberry fields forever” van The Beatles de beste single aller tijden, was toen pas uit) op dat moment eveneens in Muswell Hill woonde, al werkte hij er allicht niet meer in “the sweet shop”, wat hij daarvóór nog wél had gedaan.
Wie ik daar anderzijds wél hoorde was de hardrock-groep Tank (later nooit meer iets van vernomen). Dat was in een café, waar ik voor het eerst een broodje met kaas en ajuin at. “Cheese and onions,” zoals ook The Rutles reeds zongen. Zeer lekker, maar ’s anderendaags was ik zeer ziek, want mijn maag verdraagt geen rauwe ajuin.
Ik bracht ook een bezoek aan het British Museum. Dat was helemaal gratis, zoals dat in Groot-Brittannië toen (en hopelijk nu nog) gebruikelijk was. Veel herinner ik me niet meer van mijn bezoek. Als je naar het BM gaat, moet je natuurlijk de mummies gaan bezichtigen, maar eigenlijk was ik op dat vlak veel meer onder de indruk van een “gewone” dode, wiens lichaam in het warme woestijnzand “op natuurlijke wijze” gemummificeerd was. Alhoewel hij al duizenden jaren dood was, bleef hij voor mij nog steeds een mens, wat van de mummies niet altijd kan gezegd worden. Die mummies werden overigens vaak in oude papyrusrollen gewikkeld, waarop landkaarten, boekhoudingen en medische teksten stonden. Recyclage dus. Maar ook een bron van informatie voor wetenschappers van nu. Dat alles werd uit de doeken gedaan (haha!) in het wetenschappelijke magazine “Abenteuer Wissen” op Duitsland 2 onder de aanlokkelijke titel “Versteckte Botschaften aus dem alten Ägypten”.
En natuurlijk moest ik ook de stoel eens gaan bekijken, waarop Karl Marx pleegde te zitten als hij in het BM kwam werken. Zouden ze dat op dat moment dan al geweten hebben dat die stoel een speciale attractie zou worden of worden we hier grandioos belazerd?
Maar verder herinner ik me niet veel meer van mijn museumbezoeken in 1971. Ik had dan ook wel wat anders te doen. Zo ging ik naar “Hair” in het Shaftesbury Theatre in een regie van Derek Wadsworth en een decor van Tom O’Horgan. Met Caroline Lyndon (Sheila; °1951; maakte deel uit van de Rahda Krishna Temple wanneer die de Hare Krishna Mantra opnam), Paul Nicholas (Claude; °London, 1945; won onder de naam Oscar de Knokke Cup in 1967), Maxine Nightingale (mother; °Wembley 1952), Gary Hamilton (Berger; °New York 1948), Kimi Wong (Crissy; °South Africa 1952), David Charkham (Woof; °1948; speelt ook in “Space odyssey”), Diane Langton (Jeanie; °1947; debuteerde als stripper), Trevor Ward (Hud; °Barbados, 1953) en Alex Harvey (1935-1982) maakte als gitarist deel uit van het orkest!
En op het einde van de week ging ik met een zekere Susan Hoy (**) naar Ten Years After. In het voorprogramma van Ten Years After stond overigens een groepje dat (terecht) hartstochtelijk werd uitgejouwd en later nochtans “redelijk” bekend zou raken als… Supertramp. Tussen de twee in tokkelde een Cat Stevens-achtig figuur wat op een akoestische gitaar. Zijn naam was Keith Christmas. Van hem heb ik nooit meer iets vernomen.
Alvin Lee vertelt nu dat hij zich in die tijd niet zo goed voelde (***), maar daar viel dan toch niet veel van te merken!
Dat hele concert kostte overigens amper fifty cent, die ik bovendien van mijn huisbazin meteen cadeau kreeg toen ze hoorde dat ik haar dochter Susan er mee naartoe ging nemen, want het arme kind was erg toe aan een avondje uit. Ze was namelijk pas gescheiden. Maar ofwel kende zij haar dochter niet goed, ofwel maakte het deel uit van een diabolisch plan, maar de dochter in kwestie was zeker geen treurend besje. Tijdens het concert bood zij mij een witte substantie aan om te snuiven (wat ik nogal verbouwereerd afwees, want het was de eerste keer dat ik daarmee in aanraking kwam) en toen ik na het concert voorstelde om het feest nog wat langer te laten duren, stelde ze onmiddellijk her place voor. Ik moet wel toegeven dat ik ietwat ongelukkig de wending Let’s spend the night together (verdomde popmuziek!) had gebruikt. Ook hiervoor was ik helaas nog wat te groen achter de oren.
Op een dag zat ik op een bank in een parkje van Muswell Hill wat te niksen, als op een bepaald moment een langharig individu (een beetje een lookalike van Sparrow uit Hastings) met een t-shirt van Jimi Hendrix aan naast mij komt postvatten. We raken in gesprek en hij nodigt mij uit voor een wandeling. Het lijkt mij wel een interessante kerel, dus ik stem toe. Onderweg begint hij zich echter merkwaardig te gedragen. Zo komen we o.a. op een bepaald moment een speelgoedwinkel tegen, waar in het uitstalraam zo van die soldaatjes (het waren eigenlijk vooral ridders) te zien zijn. Mijn gezel wil dat ik ze voor hem koop. Ik kom ervan af met het smoesje dat ik geen geld op zak heb.
Even verder verrast hij me weer, maar deze keer met nog iets veel minder aangenaams. Hij zegt namelijk: “Wat zou je nu doen, mocht ik plotseling een revolver tegen je hoofd zetten?” Ik weet niet meer wat ik dààrop heb geantwoord. Alleszins bleek het gelukkig een puur hypothetische vraag te zijn (zo één van die waarop Jean-Luc Dehaene niet wil antwoorden), want hij had blijkbaar geen wapen op zak. Toch begin ik me zo stilletjesaan goed zorgen te maken, ook al omdat we op een ellenlange rechte weg lopen, waaraan maar geen eind schijnt te komen en het nog steeds niet duidelijk is wààr hij met mij naartoe wil.
Gelukkig stopt hij op een bepaald moment toch bij een huis. Een villa zelfs. De bewoners blijken een alternatief koppel te zijn (ze waren lezers van The Morning Star, de Engelse Rode Vaan, stel je voor!) en we worden er goed ontvangen. De man slaagt erin me even apart te nemen en legt uit dat de jongen in wiens gezelschap ik mij bevind “zwaar gestoord” is door overmatig druggebruik. We bedenken een smoes om afscheid te nemen en ik word door de vriendelijke man weer naar mijn logies gevoerd. Maar het was uiteraard een onprettig voorval dat mij altijd zal bijblijven.
Ook onprettig, maar van een totaal andere orde, was een voorval in Hyde Park, meer bepaald in Speakers’ Corner. Daar werd er op een bepaald moment een speech gehouden tegen racisme, waar ik trouwens voor het eerst het cliché heb gehoord dat sindsdien (en misschien ook al daarvóór) altijd wordt gebruikt bij dergelijke gelegenheden. Toen iemand uit het publiek naar de speaker riep: “Rubbish!”, antwoordde deze: “When I was in Jamaica and the white man shouted ‘rubbish’ at me, I looked for a dustbin. Now I’m here and when I hear ‘rubbish’ I look at you.”
Maar dat is uiteraard niet het “onprettige” voorval dat ik wou verhalen. Nee, tijdens die toespraak deelden companen van de spreker pamfletten uit. Blanken kregen echter geen pamflet. Ik had goed protesteren dat ik eigenlijk communist was en dat het dus belachelijk was dat ik géén pamflet en zo van die rijke Japanse toeristen met vijf fototoestellen rond hun lijf er wél één kregen. Toen al had ik moeten leren dat racisme niet alleen een blanke uitvinding is, maar het zou nog een paar tientallen jaren duren vooraleer ik uit die ervaring lessen zou trekken.
71 oh calcutta

Twee jaar later, in augustus 1973 ben ik met Sonia eveneens naar Hastings en Londen gegaan. Over Hastings valt nog wel ’t een en ’t ander te vertellen (zie aldaar), maar van Londen herinner ik me alleen dat we naar het fameuze spektakel “Oh! Calcutta!” (zie hierboven) gingen kijken, maar dat we er bij de pauze reeds de brui aan gaven.
Later zal ik nog een aantal keren naar Londen gaan, vooral in de periode dat ik bij M.V. was. Die was immers geïnteresseerd in antiek en geregeld staken we dan ook de plas over om “inkopen” te doen. Soms was dat gewoon gezellig, zoals op Portobello Road (zie verder), maar soms was het ook in poepsjieke gelegenheden, zoals die keer in een hotel (St.George?) toen ik niet meeging, maar in de bar op haar bleef wachten. Dan kwam daar zo een typische butler langs met een karretje met daarop allerlei gebak en – natuurlijk – “tea”.
Nog leuker was het voorval in de Olympia Fair. Hier “moest” ik wel meegaan, want daar was er niet zo’n prachtige bar om de tijd te verdrijven. Ik had voor de gelegenheid mijn beste kostuum uit de kast gehaald, maar toch was het overduidelijk dat ik enkel een “pakjesdrager” was. Maar precies wegens dat kostuum werd meteen ook duidelijk dat ik ook niet “louter” een loopjongen was. Rara, wat zou ik dan wel kunnen zijn…?
Kun je het daarom die (oudere, maar goed geconserveerde) dame uit Nice (aan de Azurenkust, jawel) kwalijk nemen dat ze eens voorzichtig en delicaat kwam informeren hoeveel “mijn prijs” wel was? Ikzelf was alvast niet geshockeerd, integendeel, ik moet toegeven dat ik geflatteerd was en dat ik heel even zelfs heb nagedacht over een “leugentje om bestwil”. Maar mijn vriendin rook onraad en kwam de belaagster beleefd maar kordaat verdrijven.
Als we op 13 juni 1991 in Londen zijn, gaan we naar “The return to the forbidden planet” van Bob Carlton in het Cambridge Theatre London met Allison Harding (Miranda), John Ashby (Captain Tempest), Nicky Furre (Science Officer/Gloria), Christian Roberts (Dr.Prospero), Kate Edgar (Navigation Officer/Musical director), Matthew Devitt (Cookie), Jane Karen (Ensign Penny Scyllen) en Kraig Thornber (Ariel the Robot). De rolverdeling is die van de CD die in 1990 werd opgenomen en verschilt wellicht van de versie die wij hebben gezien. De dag nadien (14 juni 1991) zien we van Alan Janes de musical “Buddy” in het Victoria Palace Theatre London. De regie is van Rob Bettinson en het decor van Andy Walmsley. Billy Geraghty (Buddy Holly), Enzo Squillino jr (Ritchie Valens) e.a. brengen een vrij getrouwe weergave van de film “The Buddy Holly Story”. Aangezien een scène natuurlijk zijn beperkingen heeft, is hij iets saaier. Anderzijds worden ter compensatie de “optredens” meer uitgesponnen.

Ronny De Schepper

(*) Dit in tegenstelling tot niemand minder dan… Osama bin Laden die, toen hij in de jaren negentig in Londen verbleef, een trouwe supporter was van Arsenal. Zo woonde hij o.m. de match bij tegen Standard in het seizoen 1993-1994, die door Arsenal met 3-0 werd gewonnen (op Standard waren ze reeds met 0-7 gaan winnen, nog steeds de grootste uitzege van de “Gunners”).
(**) Een andere uiteraard dan die uit Hastings, enkele dagen daarvóór.
(***) “Ik heb nooit deel willen uitmaken van de muziekindustrie, maar een jaar na Woodstock was ik dat plots wél. Tot het festival zelf bleef het redelijk stil: voor ons was Woodstock gewoon een van de vele festivals. Het jaar daarna bleven we in kleine zaaltjes spelen. Maar toen kwam de film uit… Ik begon me een commercieel product te voelen, verloor het contact met mezelf. Waar was die working class boy die alleen maar blues wilde spelen? Later zegden mensen me dat ik zo groot had kunnen zijn als Eric Clapton. Maar ik hoef niet in elk land een huis en een Ferrari. In 1974 ging Ten Years After uit elkaar. De andere groepsleden toeren vandaag nog altijd onder de oude groepsnaam, maar zonder Alvin Lee. Dat is toch boerenbedrog? Maar ik maak me er ook niet te druk over. Het is maar muziek, en ik wil niet mijn hele leven in advocatenkantoors slijten. En live speel ik nog altijd songs als I’m going home. Die klinkt geen twee keer hetzelfde.” (GVA, 2/11/2007)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s