Jazzbassist en decorateur Marc Van Garsse viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Ik ben hem nu bijna veertig jaar geleden gaan interviewen voor het gewestelijke weekblad De Voorpost, vandaar dat in de inleiding de band met Sint-Niklaas zo wordt beklemtoond…

Marc Van Garsse is op 4 februari 1945 geboren als zoon van decorateur Georges Van Garsse en van Flore Hebbinkuys, die de piano als een alledaags gebruiksvoorwerp in het huis introduceerde, waarvan zijn broers Jos en Luk en zijn zus Vera dankbaar gebruik maakten. Jos was op dat ogenblik een architect in Elversele en Luk een dokter in Dendermonde. Deze Luk was na Marc degene die het verst is gegaan op de muzikale paden. Niet alleen speelt hij naast piano ook nog dwarsfluit, hij heeft het zelfs ooit nog geprobeerd als chansonnier onder de naam Luk Moriaen. Een uiterst negatieve kritiek van ene Johan Anthierens heeft hem echter tot andere inzichten gebracht.
De decoratiezaak van vader Van Garsse was oorspronkelijk gevestigd aan de markt van Sint-Niklaas, maar toen ze werd overgebracht naar de Stationsstraat switchte Marcske, die op dat moment zijn broek op de lagere schoolbanken versleet, van de Broeders naar het college. Hij volgde daar ook de middelbare afdeling (Latijn-wiskunde). Hij heeft echter zijn opleiding daar niet voleindigd, maar wel in het Heilig Maagdcollege van Dendermonde. Waarom, dat ben ik hem vergeten te vragen en dat is misschien niet zonder belang omdat het toeval toen heeft toegeslagen. Marc Van Garsse werd in Dendermonde immers lid van het schoolkoor, trok daarmee van hier naar daar en kwam op die manier in contact met de bevallige dochter Gaby van de apotheker Derveaux op de Grote Markt. Tussendoor haspelt Marc nog gauw zijn studies in Sint-Lukas (Brussel) af voor binnenhuisarchitect.
Paradoxaal genoeg verliepen de muzikale studies van Marc niet zo vlot als zijn “profane”. De oorzaak was echter te zoeken in het feit dat Marc reeds op zesjarige leeftijd goed piano kon spelen op het gehoor. Als hij dan als achtjarige naar de muziekschool moet en hij zoveel moeite ondervindt om van het blad te spelen, ligt het haast voor de hand dat hij de gemakkelijkste weg kiest, zich afwendt van de klassieke muziek en meer populaire deuntjes uit het klavier haalt.
In het kader van zijn latere jazz-carrière is dit van doorslaggevend belang geweest. De discussie over het feit of een “klassieke” muzikale opleiding nu remmend of stimulerend werkt voor een jazzmuzikant is nog altijd niet uitgevochten. Zeldzaam zijn zij alleszins die net als Mark Matthijs het ene met het andere kunnen combineren. Of mógen combineren. Want conservatoriumstudenten die zich aan jazz “wagen”, moeten nog steeds optornen tegen torenhoge vooroordelen.
Een andere belangrijke gebeurtenis uit de jeugd van Marc Van Garsse die zijn stempel drukte op zijn huidige loopbaan is het feit dat hij op tienjarige leeftijd een accordeon krijgt en er op de koop toe nog op leert spelen ook! Dit instrument brengt hem namelijk een harmonische basis bij.
Daarna kwam dus het college. Hier sticht Marc op veertienjarige leeftijd “The Manhattan Boys”. Zoals dat gewoonlijk gaat, was het komen en gaan binnen de formatie. Op die manier hebben o.a. Marc Serwir (van het hotel met dezelfde naam), Vic Kinschots (nu dokter), Emiel Van der Aa (aannemer), Arnold Kesteloot (apotheker) en Werner Zaman (Sonata) deel uitgemaakt van de groep. Marc speelde toen uiteraard nog piano, de bas was in handen van Arnold Kesteloot en soms ook van Marc Serwir. Werner Zaman speelde gitaar.
Samen speelden deze jonge heren tijdens de repetities vooral jazz (en met name vooral het toen erg populaire “Take five” van het Dave Brubeck Quartet), maar als zij al eens een optreden hadden, dan was het voor een Vlaamse kermis en onze vrienden dachten: dat mogen we de mensen niet aandoen, jazz spelen als zij daar komen om zich te amuseren. Daarom speelde ze zowat al de populaire deuntjes uit die tijd.
In 1963 echter, in januari om precies te zijn, organiseert de BRT in samenwerking met de Nederlandse televisie een wedstrijd in het kader van Tienerklanken. Tien Vlaamse en tien Nederlandse groepen nemen eraan deel. De meesten spelen de hits van het ogenblik, maar The Manhattan Boys, die ook geselecteerd zijn, denken: we zitten hier nu toch niet op een Vlaamse kermis en spelen deze maal wél jazz. In de jury zitten mensen als Freddy Sunder, Bob Boon en Jo Leemans en die horen wel dat hier talent voorhanden is. Gevolg: The Manhattan Boys rijven de eerste prijs binnen.
In augustus van datzelfde jaar proberen ze dan meteen ook hun geluk op zowaar een echt jazzconcours, namelijk de trofee Bobby Jaspart in Comblain-la-Tour. Voor de gelegenheid versterkt door trompettist Freddy Delahaye en vibrafonist Bob Porter (later van het BRT-jazzorkest) kapen zij daar de tweede plaats weg.
De weg naar de jazz lag dus open voor The Manhattan Boys. De roem lag aan hun voeten, maar… hun populariteit nam zinderogen af. Nu ze ook al op de Vlaamse kermissen jazz begonnen te spelen, konden ze in die oorden van gemakkelijk plezier best gemist worden. We zijn hier niet in New Orleans, hé! Mede door de hogere studies die de meeste leden hadden aangevat viel de groep in de gegeven omstandigheden uiteen.
Marc zelf ging dus naar Sint-Lukas. Daar leerde hij de Ninoofse pianist Staf Demol kennen. Door bemiddeling van deze laatste geraakt Marc aan een “job” als pianist in een Antwerpse bar in de schaduw van de Onze Lieve Vrouwetoren. Daar wordt hijterzijde gestaan door een Gentse bassist, Ferry De Vos. Daar gaan ook zijn oren open voor dit instrument dat al te vaak – al was het maar door zijn nogal wulpse vrouwelijke vormen – veronachtzaamd wordt.
De Vos speelde in de stijl van Ray Brown, één van de vaders van de bebop die nog met John Coltrane, Charlie Parker, Miles Davis en vele andere groten heeft gespeeld. Deze stijl is ook Marc steeds bijgebleven. In 1965 kocht hij van Ferry voor tweeduizend frank een tweedehandsbas en hij gaat er ijverig mee te keer. Hij heeft zo’n natuurlijke aanleg voor dit instrument dat hij in 1966 reeds door Staf Demol wordt opgeëist om deze te begeleiden op Jazz Bilzen (samen met de Amerikaanse drummer Al Jones).
Dit tweede hoogtepunt in de muzikale loopbaan van Marc Van Garsse wordt echter opnieuw afgebroken door andere, maar niet minder ingrijpende bezigheden. Eerst moet hij onder de wapens en daarna onder de lakens, zou ik bijna zeggen, want in 1969 huwt Marc met Gaby en naar zijn eigen zeggen “doe je dan wat anders dan bas spelen”.
Mooie liedjes duren echter niet lang, zegt de volksmond, en in 1970 begint het bloed in de vingertoppen van Marc weer te kriebelen en hij kan het niet meer laten af en toe ook eens de dikke snaren van zijn contrabas te beroeren. In 1973 komt hij dan ook terug naar buiten: hij organiseert jamsessions, eerst in Sint-Niklaas, later in Sint-Pauwels (in de Rooman-molen).
In 1975 komt ook Staf Demol weer op de proppen. Ondertussen heeft Philip Venneman uit Zottegem plaats genomen aan de drums en er wordt dus met Marc een nieuw trio gevormd. Demol wordt echter dikwijls door beroepsbezigheden (architect) weerhouden en er wordt uitgekeken naar een beroepsmuzikant. Ze laten hun oog vallen op Tars Lootens, op dat moment pianist van Zjef Vanuytsel, maar hij had ook zijn sporen reeds verdiend in de jazzrock tijdens sessies met de Gentse formatie Kandahar.
Philip heeft zich ondertussen een saxofoon aangeschaft en wordt op dit instrument werkelijk een bolleboos, zodat het uitkijken wordt naar een nieuwe drummer. Tars brengt dan van bij Zjef Vanuytsel Jean-Luc Van Lommel uit Leuven mee (hij heeft ook nog bij Johan Verminnen gespeeld en wel in de tijd dat Raymond Van het Groenewoud daar nog pianist was en Frans Ieven bassist). Vanaf dat moment gaat het het kwartet optreden onder de benaming Jazz Circle.
Marc Van Garsse: “Circle betekent voor ons in de eerste plaats wat wij betrachten, homogeniteit, muzikaal contact onderling. En daarbij komt ook nog dat de naam ons niet bindt aan een vast aantal musici.”
En hoe ziet Marc zijn functie als bassist?
MVG: “Een bassist moet ritmische en harmonische steun geven aan de improvisaties. Hij moet trachten te dialogeren, aan te vullen, te inspireren, stuwkracht te geven. Maar in de jazz – in tegenstelling tot andere genres – beperkt de bassist zich niet tot die rol, hij geeft ook zelf solo’s.”
Heeft hij er nog nooit aan gedacht basgitaar te spelen in plaats van zo’n omvangrijke stringbass?
MVG: “Ik héb een basgitaar, maar ik kan er niet op spelen. Misschien als ik de fretten zou wegnemen… Maar ik vind toch dat een contrabas meer warmte geeft, voller klinkt.”
Vroeger speelde hij ook nog bij de big band van Eddy House… (*)
MVG: “Nu niet meer, inderdaad. Alhoewel ik er veel geleerd heb, blijft in een big band de rol van de bas te veel beperkt tot begeleiden. Daarom geef ik de voorkeur aan combo’s, daarin heb je meer conversatiemogelijkheid.”
Naast Jazz Circle speelde Marc toen immers nog vast in een ander combo, namelijk dat van de Waalse pianist Charles Loos (samen met drummer Robert Pernet). Terwijl hij ook geregeld als invaller bij andere groepen optreedt, zoals bij het Matthijs-De Caluwé-kwartet tijdens de Lokerse Feesten van 1979.
Een andere vast stek heeft Marc gevonden bij de Duits-Amerikaans-Belgische groep High Energy. Deze groep met verder nog de Duitse gitarist Jan Doveren en de drummer Vinny Johnson, is opgebouwd rond de Amerikaanse tenorsaxofonist Louis MacConnell. Daarbij komen dan nog de Amerikaanse sopraansax Jessie Bennett, de Duitse drummer Gerd Breuer, de Belgische pianist Michel Herr en de Duitse zangeres Monica Linges (**).
In de loop van het gesprek zijn naast Eddy Huys en Mark Matthijs nog talrijke namen van Wase jazzmuzikanten over de lippen gerold. Zo bijvoorbeeld die van de familie De Cock. En Buddy Heyninck. En er is François Maes, die op dat moment het beleg op zijn boterham verdiende bij Marva, maar die nog samen met o.a. Cel De Cauwer en Rudi Pincé het mooie weer heeft gemaakt bij Shampoo, de groep van Luk Smets. Cel heeft daarna trouwens ook nog bij het Hnita Kwintet gespeeld, dat net als Jazz Circle en een andere Vlaamse groep, Cameleon, op het jazzfestival van Laren tot de vijf laureaten behoorde. Hij is ook de leraar van Eddy Matthijs, de drummer van The Bluebirds Big Band.
Bijna alle voornoemde muzikanten zijn trouwens min of meer regelmatige gasten in de Rooman-molen. Marc Van Garsse beklemtoont het belang hiervan: “Je leert er enorm veel bij. Het is voor een jazzmuzikant niet voldoende dat je thuis op je eentje zit te studeren, je moet samen met anderen spelen. En voor wie het niet meteen aandurft met een groep naar buiten te treden, is zo’n jam session een ideale overgang.”
Toch klinkt enige bitterheid in Marcs stem door als ik stel dat het Waasland dus wel erg jazzminded is. Heeft hij het nog steeds niet verteerd dat zijn Manhattan Boys op de fles gingen toen ze van populaire deuntjes overschakelden naar jazz? Wordt hij als moderne jazzbassist door de liefhebbers van traditionele jazz met de nek aangekeken? Kent zijn schitterend initiatief in de Rooman-molen niet voldoende respons?
Feit is nochtans dat Marc op dat moment meer dan werk genoeg had. Daar hij jazz als een hobby blijft beschouwen, tracht hij het te beperken tot de avonden en de weekends. “Dat is het voordeel van een amateur,” zegt hij, “ik kan kieskeurig zijn en elke nieuwe ervaring is een verrijking.”
“Als het moet,”
zegt hij nog, “als ik te veel aanbiedingen krijg, weiger ik er een paar. Maar niet als binnenhuisarchitect!” voegt hij er lachend aan toe.
Daarna heb ik jarenlang niets meer gehoord van Marc Van Garsse. Wel dertig jaar, denk ik. Tot hij in december 2010 plotseling weer in de krant stond. Hij begeleidde namelijk samen met Jean Blaute het Trio Cassiman op hun comeback-cd. ’t Kan raar lopen in ’t leven…

Ronny De Schepper

(*) Eddy Huys is geboren in Sint-Niklaas en debuteerde net als zijn vader op klarinet (op zevenjarige leeftijd). Op zijn zestiende speelde hij al altsaxofoon bij Bob Pauwels en later bij André Coucke. Zijn big band bestond op het moment van het interview (1979) uit 21 musici, meestal uit BRT-orkesten van Francis Bay, Etienne Verschueren en Fernand Terby. Er zaten kleppers bij zoals trompettist Theo Mertens en zangeres Sofie Verbruggen. Ze speelden arrangementen van Count Basie, Stan Kenton, Thad Jones en Maynard Ferguson. Er zaten dus zowel jazzrock als funk als “symfonische” jazzinvloeden in.
(**) Zo heb ik het destijds (in 1979 dus) opgetekend, maar ondertussen vraag ik me af of het hier niet over Monica Stoces gaat, die ik later via Philippe Venneman heb leren kennen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s