John Osborne (1929-1994)

Het is vandaag al twintig jaar geleden dat “angry young man” John Osborne is gestorven…

John Osborne werd geboren in 1929 in Londen, als zoon van een pubuitbaatster (Nellie Beatrice Grove) en een Welshe music-hall artiest (Thomas). Ook hij debuteerde bij een reizend theatergezelschap, waar hij zijn eerste vrouw (Pamela Lane) leerde kennen. Met Stella Linden schreef hij in 1950 “The devil inside him”. In 1955 volgde “Personal Enemy” samen met acteur Anthony Creighton, die hij in 1991 in zijn autobiografie “Almost a gentleman” (nadat hij in 1981 reeds “A better class of person” had geschreven) – met misprijzen dan nog wel – zou “outen”, terwijl Creighton beweert dat Osborne zelf nog een verhouding met hem heeft gehad. Toen in april 1956 George Devine The English Stage Company oprichtte met als thuishaven The Royal Court Theatre, wenste hij daar auteurstheater te brengen. Osborne stuurde zijn “Look back in anger” op (opgedragen aan zijn 15 jaar eerder overleden vader), dat op 8 mei van dat jaar in première ging in een regie van Tony Richardson, die het twee jaar later ook zou verfilmen met Richard Burton in de hoofdrol.
Act one
Jimmy Porter and Cliff Lewis are reading newspapers and magazines, while Jimmy’s wife Alison is ironing. Jimmy is very agressive to both of them. It so happens that he and Cliff start a fight, during which they fall against the iron board and Alison’s arm is burned. Jimmy leaves the room. Cliff bandages Alison’s arm, while she’s telling him she’s pregnant. She doesn’t dare to tell Jimmy. Jimmy re-enters and Cliff leaves the room to give Alison the opportunity to tell it to Jimmy. Now we see that Alison and Jimmy, in spite of their quarrels, do love each other very much. Jimmy is not jealous about his friend who loves Alison also. Alison doesn’t have the time to tell Jimmy about the baby, because Cliff enters to tell her that her friend Helena Charles is on the phone. When she returns, she tells Jimmy that Helena will stay with them. Jimmy is angry again, because he can’t stand her.
Act two, scene one
Alison tells Helena about their past. It seems that Jimmy and his friend Hugh were a kind of “provos”, who went to parties “pour épater les bourgeois”. One of these parties was given by friends of Alison’s family (rich people from India). During dinner, Jimmy gets angry because Helena is taking Alison to church. Then he gets a phone-call from the hospital: Hugh’s mam is dying (Hugh himself is in China or something). He wants Alison to go with him but she refuses.
Act two, scene two
Helena has sent for Alison’s father, Colonel Redfern, to take her away. Jimmy comes back. Hugh’s mam, mrs.Tanner, who gave him the money for a sweet-stall, has died. Once again Jimmy was the only one who cared (his father died a year after he came back from the Spanish Civil War, wounded). Helena is the only one left in the house (she has invented an excuse, concerning a play she has to act in). She gives him the letter of Alison. He’s angry. She slaps him, then she kisses him.
Act three, scene one
The same as the opening scene. Only, Alison’s things are replaced by Helena, who’s ironing now. The three of them play cabaret, which ends (again) in a fight between Jimmy and Cliff. Cliff’s shirt gets dirty and Helena will wash it (in the opening scene it were his trousers). They are reconciliated again. Cliff tells him he’ll leave the house and marry. Jimmy understands although “he’s worth half a dozen Helenas”. They are about to leave for a drink, when Alison enters…
Act three, scene two
Alison and Helena are alone. Helena feels guilty and tells Alison that she will leave Jimmy. She does so, after telling him her decision. Jimmy is broken. He reproaches Alison that she didn’t love him as much as he did. Alison bursts out. She has lost her baby before it was born. She admits however that she was wrong in leaving him. Now they are together again, playing the game of squirrel (Alison) and bear (Jimmy).
Het stuk bleef vrij onopgemerkt, behalve voor Kenneth Tynan die in “The Observer” schreef: “Dit stuk valt misschien slechts in de smaak van een minderheid, maar dan een minderheid van 6.733.000 jonge mensen tussen 20 en 30.” Toen een fragment op televisie werd getoond, waren “the angry young men” geboren. Centraal stond daarbij vooral het theater, want de stijl kon nogal verschillen: absurd bij “The resounding tinkle” (N.F.Simpson), naturalistisch bij “Live like pigs” (John Arden), socialistisch-realistisch bij “Roots” (Arnold Wesker), anarchistisch bij “The hostage” (Brendan Behan) en romantisch-realistisch bij “A taste of honey” (Shelagh Delaney). Er was wel nog een gezamelijk kenmerk: het decor. De middenklasse maakte immers plaats voor de arbeidersklasse.
41 Look back in anger“Look back in anger” werd onmiddellijk vertaald en opgevoerd in o.a. Gent (met name in Arca, zie foto) en Moscou.
Op 24/8/91 werd het nieuwe seizoen van Arca geopend met een nieuwe montering van “Look back in anger”, deze keer in een regie van Annelies Lafleur en een decor van Arno Bremers. Met Karlijn Sileghem (Alison), Rudy Morren (Jimmy Porter), Vera Puts (Helena) en Mark Stroobants (Cliff). De rol van kolonel Redfern, vader van Alison, werd geschrapt, waardoor het sociaal-politieke element helemaal uit het stuk was verdwenen. Dit “monument” uit de jaren vijftig werd immers duchtig afgestoft door de Nederlandse Annelies Lafleur. Ze doet dat door verwijzingen naar de Golfoorlog en naar videospelletjes, door discomuziek en zelfs door een vals gezongen versie van Raymonds “Meisjes”. Het is allemaal hopeloos en je kan je afvragen of het stuk uiteindelijk niet vreselijk gedateerd is, al herkennen we in Jimmy het prototype van de “angry young man”, die 35 jaar later een punk zou kunnen zijn of een hooligan of weet ik veel welke ontevreden jongeling die zijn frustraties afreageert in zinloze agressie. Maar dat komt alvast door die ingrepen niet tot uiting. Daardoor blijft het stuk dus haperen en kon het net zo goed in de originele versie zijn opgevoerd (ik geloof zelfs dat Hugo Claus het nog als “Wrok om gisteren” heeft vertaald), die dicht bij het huiskamer-realisme ligt dat ook Achiel Van Malderen heeft beoogd in Harold Pinters “The Homecoming”. Juist op dàt gebied zijn er trouwens een paar vondsten (de bonbon-inkleding van Arno Bremers, de draaistoelen…) die de moeite waard zijn. Dat neemt niet weg dat de acteurs, net zoals in “De thuiskomst”, worstelen met de rol die hen wordt opgedrongen. Rudy Morren en Karlijn Sileghem, die ik reeds kende van bij Het Gebroed, doen weliswaar hun best als het ruziënde koppel Jimmy en Alison, maar het wil toch niet echt lukken. Vera Puts van haar kant moet als Helena het cliché uitbeelden van de oude vrijster die zich plotseling ontpopt als een vurige verleidster en ze doet het beter dan men zou verwachten. Mark Stroobants tenslotte heeft als de sympathieke Cliff de toeschouwers onmiddellijk op de hand. Hij buit dat een beetje te veel uit, wat in de hand wordt gewerkt door het feit dat “Look back in anger” op het theaterzoldertje van Arca wordt gespeeld en je dus werkelijk bij de acteurs op schoot zit.
Ondertussen was in Engeland The Royal Court Theatre bijna ten onder gegaan aan de productie van “De goede mens van Sezuan” van Brecht in volle Hongaarse opstand. Maar met “The entertainer” (met in de hoofdrol Laurence Olivier) van Osborne kwam het er weer door. Nochtans stond de teleurgang van de music-hall symbool voor Engeland. Daarna volgde “Epitaph for George Dillon” (opnieuw samen met Creighton), terwijl hij scheidde van zijn eerste vrouw en hertrouwde met Mary Ure, die Alison speelde bij de creatie van “Look back”. In 1959 volgde “The world of Paul Slickey”, in 1961 “A subject of scandal and concern” en “Luther”. Dat jaar maakt hij ophef met zijn open brief vanuit Frankrijk: “Damn you, England”. In 1963 volgen “Under plain cover” en “The blood of the Bambergs” (beter bekend onder de gezamelijke titel “Plays for England”). Hij scheidde dat jaar van Mary Ure. In 1964 schreef hij het scenario voor de verfilming van “Tom Jones”. Hij hield er een oscar aan over. In 1965 volgde “Inadmissible evidence”, in 1966 “A patriot for me” (met Maximilian Schell als de homoseksuele Kolonel Redl) en een bewerking van “La fianza satisfecha” (“A bond honoured”) van Lope de Vega, in 1968 “Time present” en “The hotel in Amsterdam”. Dat jaar scheidt hij van Penelope Gilliatt, bij wie hij een dochter heeft (Nolan), die hij uit het oog verloren heeft: “Ik vond haar gewoon niet zo leuk”. In 1970 volgt “The right prospectus”, in 1971 “Very like a whale” en “West of Suez”, in 1972 “The gift of friendship” en een bewerking van Ibsens “Hedda Gabler”, in 1973 “A sense of detachment” en een toneelbewerking van “The picture of Dorian Gray” en van “Coriolanus” van Shakespeare (onder de titel: “A place calling itself Rome”). In 1975 volgde “The end of me old cigar” & “Jill and Jack” en “Watch it come down”. Zijn vierde vrouw, de actrice Jill Bennett, pleegde zelfmoord in 1977. Gevraagd naar commentaar noemt Osborne haar “een oververhitte huismeid”. In 1978 schrijft hij “You’re not watching me, mummy” en “Try a little tenderness”. In 1992 werd zijn laatste stuk “Déjà vu” gecreëerd. Hierin voert Osborne opnieuw de personages uit “Look back” ten tonele, maar deze keer als “grumpy old men”, die te keer gaan tegen popconcerten, Australiërs en het welzijnswerk. Osborne stierf als diabeticus op 24 december 1994 aan een hartstilstand, te wijten aan zijn alcoholprobleem. Op het moment van zijn dood was hij gehuwd met Helen Dawson.

Referentie
Marcel Van Nieuwenborgh, Is Osborne zijn tanden kwijt? Standaard der Letteren 21 mei 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.