Bob De Moor in “Sinatra”

Bob De MoorElk jaar met de Gentse Feesten lokt Bob De Moor met zijn vrienden volle zalen. De vorige jaren amuseerde het publiek zich al kostelijk met de hilarische avonturen van de Soprano’s uit Ledeberg. Deze keer stapt een legendarische crooner in de arena: Frank Sinatra.

Zoals elk jaar is de schrijver van dienst Jo Van Damme. “Jo is gefascineerd door The Rat Pack, een vriendenclubje rond Frank Sinatra,” vertelt Bob De Moor tegen De Gentenaar. “Zij traden vaak samen op. Tussen hun songs door zeverden ze erop los en spaarden elkaar niet. Van dat uitgangspunt evolueerde het naar een verhaal van een Gents volkscafé waar een groepje stamgasten elk jaar de dag herdenkt dat Frank Sinatra in het café is geweest. Een jong meisje komt binnen en begint vragen te stellen, met de openheid eigen aan de jeugd. Ze daagt die mannen ook uit om zich te verantwoorden en ze weet bovendien veel van Sinatra’s leven en repertoire. Waardoor er vanalles gebeurt.”
Voor de rol van de jonge vrouw engageerde Bob De Moor Tanya Zabarylo, een jonge Gentse actrice die goed kan zingen. Verder krijgt Bob aan zijn zijde acteur en Gentenaar Dirk Buyse. Ze kennen elkaar al sinds de jaren zeventig toen ze samen in een Brussels theater werkten. “We speelden ook samen bij De Korre en De Tijd. Dirk zingt goed en voelt zich opperbest met Rik De Bonne aan de toetsen. Walter Janssens regisseert. Hij is ook muzikant en dat helpt enorm,” aldus Bob De Moor tot besluit in De Gentenaar. “Sinatra” speelt in de Minard, Walpoorstraat 15, van 20 tot 28 juli, om 20 uur, op zondagen 21 en 28 juli ook om 17 uur, tel. 09- 267.28.28, info@vooruit.be.
MAMA, KIJK ZONDER HANDEN
Bob De Moor werd geboren in de Kortrijksepoortstraat en groeide op in de Donkersteeg. Ik leer hem nog tijdens mijn studententijd kennen, eerst in “Ulysses” (Arca) met o.a. Anita Daldini. Hij is dan al gestopt aan het conservatorium, omdat hij op dat moment reeds te veel werk had in het theater. Daarna zie ik hem aan het werk in “Mama, kijk zonder handen” van Hugo Claus (in Arena), waarin hij de rol speelt van Stefan de jonge “dichter”, waarin ik mezelf zo graag herkende, zodat ik hem meteen sympathiek vind. Maar eigenlijk was ik vooral naar dit stuk gaan kijken wegens Rita Baert. Later zou blijken dat ook Bob Rita buiten het toneelwereldje kende, met name dus het Amada-milieu, waarin haar vriend Sus Saey verkeerde. “De enige Amadees met een gevoel voor humor“, aldus De Moor bijna dertig jaar later in een column in De Standaard, waarin hij vertelt hoe “Willy de Tovenaar” een biefstuk kan mummifiëren, zodat het niet zal beginnen stinken, waarop Sus vraagt of hij dan niet beter kan proberen om de W.C. van Bob in de Jonkvrouw Mattestraat te “mummifiëren”.
Ook Bob zelf moet toen nogal links geweest zijn, want nadien duikt hij op in “Mistero buffo”. Hij werd dan lid van de RAL onder de codenaam “Jules”.
Tevens is hij één van de initiatiefnemers van de herleving van de Gentse Feesten om de eenvoudige reden dat de kapperszaak van zijn vader op het Sint-Jacobspleintje lag en dat hij Walter De Buck daar stroom liet aftappen, telkens de leidingen in Trefpunt weer eens gesprongen of afgesloten waren. Zelf is hij echter niet naar India gereisd. “In Saloniki had ik al heimwee naar de Mokabon.”
Op 26 februari 1978 speelde Bob De Moor de hoofdrol in “De dag dat het kampioenschap van België verreden werd”, een TV-spel van Dré Poppe, gebaseerd op het stuk van Mark De Bie (°1939). Deze bankbediende is vooral actief in het amateurtheater en schreef ook sportcursiefjes. Deze beide belangstellingssferen komen nu tesamen in dit stuk, waarin Bob De Moor alias ene André deelneemt aan het kampioenschap van België voor juniores wielrennen, wat echter de aanleiding vormt om een aantal latente conflicten weer naar boven te woelen. Zo is vader Valeer (Alex Wilequet) zelf ook wielrenner geweest, maar dat hij nu in een rolstoel zit, heeft niets te maken met een val, zoals b.v. bij de ongelukkige Berten Ramon, maar met een afrekening tijdens de bezetting. De BWB wilde trouwens enkel maar haar medewerking verlenen als het stuk niet over doping of over een wielerongeluk ging. Nee dus, en daarom werden de beelden van de wedstrijd “clandestien” in Sint-Niklaas gedraaid.
Daarna speelde hij vijf jaar bij het BKT, gevolgd door De Witte Kraai, de Tijd, tussendoor ook nog in “Achiel De Baere” van Erik De Volder en uiteindelijk zie ik Bob terug op 6 september 1992 in “Hotel Terminus” van Filip Vanluchene door De Korre. Hij regisseert het stuk ook in een decor van Marc Cnops. Met Brit Alen (Diane), Dirk Buyse (Vital), Bob De Moor (Gust) en Jan Steen (Norbert). Op vraag van Bob De Moor liet Filip Vanluchene zich inspireren door de herhaalde cafébezoeken, die beiden in hun conservato­rium­tijd brachten in het “Valkenhuis”, een volkse herberg waar heel wat mensen uit “de vierde wereld” (die toen, in het begin van de jaren zeventig, nog gewoon “de openbare onderstand” heette) hun tijd zoek maakten. Het waren verhalen met grootse plannen, maar uiteindelijk blijft alles altijd hetzelfde. De sfeer van “het café zonder naam” van Wannes van de Velde, kortom. Drie van deze mensen brengt Vanluchene nu samen in een haveloos hotelletje aan de kust. Gust is de uitbater, steeds beducht dat “de inspectie” iets zal aan te merken hebben op “zijn boeken”. Diane is een eigenwijze dienster en Norbert een simpele ziel die in dit hotel-zonder-gasten een vast verblijf heeft. Op een dag komt er dan toch een ongenode gast zich aandienen. Vital is op weg naar Schotland, op zoek naar “tigers” (autoplaten met het tigra-meisje als afbeelding). Als blijkt dat Diane hiervoor model heeft gestaan, beleeft hij met haar een wonderbare liefdesnacht, waarna zij verdwijnt. Vital neemt nu haar plaats in in het zonderlinge hotel. Elke dag wacht hij op haar terugkomst…
Bob De Moor heeft dit stuk ook eens als vertelling gebracht, vanuit het oogpunt van Norbert. Alhoewel het in déze versie geen onaardige voorstelling is (een aanwinst voor het amateurtheater, zo ongeveer in de zin van “Blankenberge” van Tom Lanoye), kan ik me toch inbeelden dat die soloversie krachtiger moet geweest zijn, aangezien ze meer aan de verbeelding overlaat. Het naturalisme van deze voorstelling wordt wel een beetje getemperd door de distantie die de ac­teurs nemen van hun dialectisch getinte tekst, maar op die manier klinkt die dan juist een beetje kunstmatig. Ik heb het gezien in de Tinnenpot.
OLIVETTI 82
Toch was het niet deze “vertelervaring” die Bob tot monologen heeft “bekeerd” (al zegt hij het gewone toneel uiteraard geen vaarwel, maar hij heeft liever alles zelf in handen), want in 1984 had hij al “Tubutsch” van Ehrenstein gedaan. Bovendien kwam de samenwerking met Eriek Verpale er eerder toevallig, nadat hij op een ongelukkige wijze “werkloos” was geworden toen zijn tegenspeler Dries Wieme verongelukte.
Op 19 april 1993 zag ik inderdaad in Arca “Olivetti 82” van Eriek Verpale. Bob De Moor levert een schitterende prestatie als Bernard Van de Wiele, de natuurlijke zoon van de Joods-Canadese soldaat Uri Krakauer, die door z’n moeder wordt gepest omdat ze hem verantwoordelijk acht voor de moord (door een zigeuner) op z’n halfzuster Claudine (de dochter van haar dokter, De Vlaeminck, wiens suikerzieke vrouw Louise hem niet meer seksueel “van nut” kan zijn). Bernard vindt z’n echte identiteit bij de ouwe Gentse jood “Mossel” (Moshe) Greenberg, die hem jiddisch leert en waardoor hij belangstelling krijgt voor de jiddische literatuur. Als hij dan Germaanse gaat studeren bij Schrickx “die Engels doceert in het Antwaarps” (Verpale schuift hier handig autobiografische elementen in, maar omdat Bernard een oorlogskind is, vergist hij zich wel op één punt: in die tijd kon men Duits nog niet “laten vallen”, dat kon pas het jaar vóór mij), wordt hij verliefd op de joodse Rachel De Vries, maar die wijst hem af omdat hij geen “echte jood” is. Op basis van een elpee van Leonard Cohen (waarover hij als Canadese jood zijn thesis had gemaakt) maakt hij dan kennis met Suzanne (!) Van Beveren, de dochter van een collaborateur die nog in de leeuwenkooi is opgesloten in de Antwerpse zoo. Het huwelijk loopt verkeerd wegens het drankprobleem van Suzanne, maar Bernard concentreert zich volledig op de opvoeding van zijn dochter Evelyne. Als Suzanne naar de Ardennen trekt voor een ontwenningskuur, maakt Bernard daarvan gebruik om met zijn dochtertje naar de zoo te trekken, wat hem normaal door zijn schoonvader is verboden. Nadien dansen ze een jiddische tango in een sjiek restaurant. Diezelfde nacht wordt echter John Lennon doodgeschoten op dezelfde manier als die jiddische dichter en dat ontroert hem zozeer dat zijn 11-jarig dochtertje hem vraagt de tango te dansen. En dat had ze beter niet gedaan? Want wie heeft er tien jaar later eigenlijk Dr.Daniel Greenberg vermoord en waarom? Een prachtige tekst, waarin poëzie, dialect en jiddisch schitterend in elkaar vloeien en, nogmaals, een ongelooflijk knappe prestatie van De Moor.
Niet te verwonderen dat De Moor uiteindelijk (in september 1994) artistiek directeur werd van De Korre. Hij deed dit net op het moment dat de vertrouwde kelder aan de Kraanplaats werd verlaten voor het voormalige Concertgebouw in het centrum van Brugge. Bovendien had Karst Woudstra op het einde van het vorige seizoen de KVS-productie “Hedda Gabler” in de steek gelaten. Aangezien dit een coproductie was met De Korre werd ook het Brugse gezelschap met een deficit van vijf miljoen opgezadeld. Als ik hem een paar jaar later ontmoet, zweert Bob dat zo’n directiejob niks voor hem is. Toch laat hij er zich bij het begin van het seizoen 2001-2002 opnieuw inluizen (Theater Malpertuis).
GRASLAND
Maar goed, keren we terug naar eind 1996, als Bob – na een regie van “Wolven huilen” (naar Eric Vlaeminck) – zich opnieuw in een Verpale-project stort met “Grasland”. Verpale over deze samenwerking tegen Pascal Verbeken in “De Gentenaar Magazine” van 21/2/1997: “Onze ideeën over theater lopen nogal gelijk. Bob wil verteltheater brengen waarin het ongewone wordt gezocht in het alledaagse. Dat is ook precies wat mij bezighoudt. Je mag dit best een traditionele visie noemen. Met alle respect, maar het slag theater waarbij op scène tien kippen worden geslacht, interesseert me maar matig. Ik ben absoluut vóór het experiment, maar in het verleden is men te ver gegaan. Verstaanbaarheid, herkenbaarheid en vakmanschap waren te lang verdachte woorden waardoor het publiek zich van het theater heeft afgekeerd.”
“Grasland” is het verhaal van Freddy Van Durme alias “Den Elvis” (de titel verwijst trouwens naar Graceland). Het procédé is hetzelfde als bij Olivetti: een zeer anecdotische, grappige vertelling leidt uiteindelijk tot een tragische ontknoping (dood van een kind, werkloosheid, overspel). Het wérkt, maar toch zat Olivetti beter in elkaar. Het ging dieper. Het thema van het racisme werd b.v. beter aangepakt. In tegenstelling tot de aanpak van Jo De Meyere in Juvenalis, worden de cliché’s hier wel op hun plaats gezet (Van Durme werd ontslagen bij het openbaar vervoer omdat hij een Turk met een pak friet uit zijn bus had gezet; daar hield hij een wrok aan over, die natuurlijk niet afnam als bleek dat het een Turk was die zijn zoontje Aron had doodgereden; als echter blijkt dat die man daar echt niets kon aan doen, wordt uiteindelijk diens dochtertje nog een surrogaatkind voor het echtpaar Van Durme-De Koninck, tot zijn “Keuninkske” zich door een andere Elvisfan wél een kind laat maken – hijzelf mocht er niet meer aankomen sinds de dood van Aron), maar het is allemaal nogal voorspelbaar. Verpale voorspelde al tranen bij het schrijven, en jawel hoor (gezien in het PSK op 21/1/1997).
In 1998 brengt Bob met Wannes van de Velde “De Reis naar Dux” (de plaats waar Casanova zijn memoires schreef), waarin zij beiden op zoek gaan naar hun vader.
Het derde solostuk van De Moor (dat tegelijk in première ging met zijn laatste stuk als directeur van De Korre, namelijk eind 1999) was niet van Verpale, maar van Jo Van Damme. De titel was op het eerste gezicht nogal flauw (“De conférence”), maar eigenlijk gaat het inderdaad over het schrijven van een conférence door Van Damme voor De Moor. “Schrijven is het mooiste wat er is. Het ter plekke verzinnen. Vandaar dat een acteur misschien een mislukte schrijver is. Of is het een luie schrijver? Want als ik Eriek Verpale heb die voor me schrijft of Filip Van Luchem of Jo Van Damme, waarom zou ik het dan zelf doen? Al ben ik nu sinds een paar jaar wel mijn mémoires aan het schrijven. Ik ben niet van plan ze ooit uit te geven, al heb ik wel al een titel: De man die nooit aankwam. Want als je aankomt, is het gedaan, hé?”
“De conférence” blijkt uiteindelijk te gaan over hun wederzijdse fascinatie voor Cuba, al is De Moor daar nog nooit geweest. Dit in tegenstelling tot Van Damme, die er zelfs een echtgenote heeft aan overgehouden. Over één en ander heb ik Bob geïnterviewd op 7/11/1999 in het Sphinx-café. Daar verklapt hij me o.a. dat hij ook iets wil doen met de “Pierke”-columns van Richard Minne in Vooruit (die werden geïllustreerd door Frits Vandenberghe en door de bemoeienissen van wijlen Antonin Van Elslander door de Gentse universiteit werden aangekocht). Hij improviseert ter plekke “De geschiedenis van de Leie van de wieg tot aan het graf” en bekent dat hij Geert Hoste eens zal bestuderen omdat “De conférence” zo dicht aanleunt bij stand-up comedy, dat hij dat ook best eens wil proberen. Al heeft hij immers geen televisiebekendheid (ondanks rolletjes in “Hof van assisen” of “Flikken”), toch zijn ook zijn producties geschikt voor een breder publiek dan enkel het theaterpubliek dat hij nu bereikt.
Aan de verfilming van “Olivetti” door VRT-medewerker Rudy Van Den Bossche zal hij uiteindelijk niet meewerken omdat de financiers daar bezwaar tegen hadden. Het wordt dus Dirk Roofthooft. Anderzijds heeft Verpale wel een nieuw stuk voor hem gereed, “Voor u geknipt”…
Let wel, het is dus niet “Kort geknipt” zoals oorspronkelijk aangekondigd, want deze werktitel werd uiteindelijk verlaten voor “Voor u geknipt”. Nochtans is kapper Ignace Huylebroeck gespecialiseerd in het knippen van een “brosse”, wel degelijk “kort geknipt” dus. Maar het meest is hij bekend als “de late coiffeur”. Omdat hij zo laat open blijft.
DE TRAGE COIFFEUR
Zijn voorganger stond bekend als “de trage coiffeur”, een naam die geen verklaring behoeft, maar die ook meegeeft dat deze man vele verhalen kwijt moest tijdens het knippen.
Dat zouden we ook kunnen zeggen van Eriek Verpale, de auteur uit Zelzate, die voor Bob De Moor deze derde monoloog schreef. Net zoals bij de twee vorige, krijgen we eigenlijk een wirwar van verhalen over kleine mensen, die uiteindelijk uitmonden in een pakkende ontknoping.
Deze ontknoping is bij elk stuk minder spectaculair, maar juist daarom staan de verhalen ook telkens dichter bij de luisteraars, die zichzelf steeds tegenkomen in de teksten van Eriek Verpale.
DE LATE COIFFEUR
Dat geldt dan vooral voor leeftijdsgenoten, zoals dat ook voor Bob De Moor zelf het geval is. Daardoor lijken deze verhalen hem wel op het lijf geschreven, al is er juist in de aanvangsfase bitter weinig contact tussen auteur en acteur. Zo wist Eriek Verpale helemaal niet dat de vader van Bob De Moor zelf een kapper was. Van zodra hij dat hoorde, vroeg hij Bob uitdrukkelijk hem geen anekdotes te vertellen die zich dan eventueel een weg konden banen naar het stuk. Degenen die zich dus aan verhalen hadden verwacht over het ontstaan van de Gentse Feesten komen bedrogen uit.
Niets belet echter dat Bob zelf een paar trekjes van zijn vader in zijn vertolking zou verwerken. “Maar dat is niet zo,” verzekert de Gentse acteur. “Mijn vader is nu reeds dertig jaar overleden en ik heb het daar heel uitdrukkelijk over gehad in een vorige productie ‘De Reis naar Dux’ die ik samen met Wannes van de Velde heb gemaakt, maar in dit stuk heb ik daar geen gebruik van gemaakt. Het had gekund, hoor, want mijn vader was een echte entertainer die meesterlijk kon vertellen. En in zijn salon heb ik inderdaad veel verhalen gehoord van allerlei mensen, want dat boeide me. Maar eigenlijk kon dit stuk net zo goed over een beenhouwer of een bakker gaan.”
HET LAATSTE NIEUWS
Is het ook daarom dat er geen kapperstoel te zien is? Of was er gewoon geen voorhanden? “Oh, jawel hoor, een heel mooie zelfs,” verklapt Eriek Verpale, “maar uiteindelijk besloot Bob hem te vervangen door die dozen met zijn krantenknipsels.”
“Allemaal uit Het Laatste Nieuws,”
roept Bob. “Met dank overigens aan Dirk Dauw, die me geholpen heeft bij de samenstelling van mijn archief.”
Dat knipselarchief is inderdaad een belangrijk onderdeel van het verhaal. De gewijzigde titel verwijst daar trouwens ook naar. Het publiek mag dan ook naar hartelust mee raden naar data van belangrijke gebeurtenissen. Waarmee het duo Verpale-De Moor het kunstmatige van zo’n monoloog (een kapper die in een gesloten kapperszaak tegen een publiek staat te praten!) handig heeft omgebogen naar een aantrekkelijke vorm van “publieksparticipatie”.
Het bewijst ook dat er tot op het laatste moment aan de voorstelling werd gewerkt. Tot een week voor de première was het immers nog altijd de bedoeling dat Bob zich tot een hond zou richten, die de leegstaande zaak was binnengedrongen. Gelukkig heeft men daarvan afgezien. Weet die hond immers veel wanneer de grote dijkbreuk in Nederland heeft plaatsgevonden of wanneer de Estonia gezonken is!
SIMPELE ONTROERING
Bob De Moor mag dan nog beweren dat zijn personage net zo goed een beenhouwer of een bakker kon zijn, toch kan men niet ontkennen dat een kapperszaak bij uitstek een plaats is voor sociaal contact. Misschien is dat nog meer het geval voor vrouwen, waar de (liefst homoseksuele) kapper vaak een soort van psychiater is, maar ook mannen kunnen zich laten gaan als ze “een warm frictionneke” krijgen. Bovendien vormt het praten in een spiegel natuurlijk een mooie metafoor voor het publiek. “Voor u geknipt” vat nogmaals Bobs opvatting over theater samen. “Ik heb het al eerder gezegd: ik wil eigenlijk niet acteren, ik wil zijn. En daar ik vooral de mensen – en ook mezelf – wil ontroeren, wil ik bij iedere voorstelling de indruk wekken dat het allemaal écht is. De anekdote die ik in dat verband graag vertel, is dat ik in een bepaald stuk eens zei dat ik het benauwd had en vroeg of er geen deur open mocht staan, iemand uit het publiek effectief opstond om een deur in het theater op een kier te zetten. En ik voeg er dan graag aan toe dat die persoon op de koop toe zelf een acteur was!”
TRAGIEK
“Ge denkt dat ze bij u komen omdat ge zo’n goede coiffeur zijt,” is zijn slotzin. “Maar ’t is eigenlijk gewoon omdat ge de enige zijt die tot tien uur ’s avonds open is.” Waarmee de hele tragiek van de voorstelling wordt samengevat. Een leven dat zo waardeloos is als een bijeengespaard archief over de twintigste eeuw, terwijl het nu allemaal op CD-rom staat…
Rond die tijd acteerde Bob De Moor ook weer in een tweede monoloog van Jo Van Damme, “Iguanodons”, en met de jaarwisseling 2003/2004 kwam daar nog een derde bij, “De laatste hongerkunstenaar”. Wellicht geïnspireerd door de allernieuwste hongerkunstenaar die in een doorzichtige kubus boven de Thames heeft gehangen, greep Jo Van Damme terug naar het verhaal “Een hongerkunstenaar” van Franz Kafka, want ook in diens tijd waren er reeds mensen die als attractie veertig dagen hongerden in Praagse en Weense theatercafés. Uiteraard haalt Van Damme het verhaal naar het Gent van hier en nu, maar Bob De Moor van zijn kant ondergaat als Emilio Flores (artiestennaam voor Emiel Blomme) een grotere transformatie dan ooit. De bottomline blijft echter dezelfde: dit tragische personage koestert een onmogelijke liefde. Om die te uiten is hij bereid ver te gaan. Té ver. De humor voorbij zelfs.
Voor de Gentse Feesten 2004 kroop Bob dan zelf in zijn pen, op vraag van het stadsbestuur. Het resultaat was “De Vlaamse Reus”, een politieke satire waarin hij een eeuwenoude techniek uit het volkstheater gebruikte.
Bob De Moor: “Je staat tot je middel op de scène, je handen worden je voeten en een onzichtbare acteur achter jou speelt je handen. Het leuke van dat manneke is dat je alles kan zeggen wat je anders niet kan zeggen, ook als het vulgaire of genante dingen zijn. Dat vind ik typisch voor volkscultuur: dat je ongestraft een franke muil mag opzetten. Volkstheater moet de macht onderuit halen. Het moet de illusie opwekken dat wij gewone mensen voor één keer de baas zijn.”
In september 2004 volgde dan een productie voor Theater Malpertuis: “Vodden”, opnieuw geschreven door Eriek Verpale. Deze keer is het echter geen monoloog, maar een dialoog tussen twee mensen in de marge van de samenleving. Het thema blijft echter hetzelfde: een onmogelijke liefde. Alleen zien we het voorwerp van die liefde nu ook op scène. Het is… Tania Van der Sanden. Vaneigens.
Nogmaals met Tania Van der Sanden, maar daarnaast ook met Wim Van der Grijn en Mieke De Groote bracht Bob De Moor in februari 2005 een theaterbewerking van “Gloed” van Sandor Marai. Allé, de bewerking was van Danny Ceuppens en Lucas Vandervost deed de regie. Het was een productie van Theater Malpertuis.
Ondertussen bereidde De Moor een nieuw stuk voor, geïnspireerd op stukken van Romain Deconinck. Het was de bedoeling dat het klaar was voor de Gentse Feesten 2005. Dat lukte niet helemaal, maar enkele maanden later waren “De Truuken van de Foor”, want zo heet de tekst, klaar. “We hebben geduldig gewacht tot bepaalde politici uit de bocht zijn gegaan en dan hebben we ze bij hun pietje. Met name de gebeurtenissen rond het mislukken van het Muziekforum vormen de rode draad. Romain Deconinck zat ook altijd dicht op de actualiteit. Ja, ik was een fan. Mijn ouders namen me tijdens de Gentse Feesten altijd mee naar de Minard. Dat was mijn eerste kennismaking met het theater. In 1976 heb ik zelfs nog een jaar in zijn gezelschap gespeeld voor Home zweet home. Men keek daar toen raar van op, maar ik meende dat. Toch voelde ik vrij snel dat zijn manier van werken me niet lag. Ik wilde een Groot Acteur worden en dat was bij Deconinck een verkeerde ingesteldheid. Bij hem primeerde het ensemble. Toch moet ik zeggen dat hij bij mij het vuur heeft aangestoken, al wordt de komedie per definitie wantrouwig bekeken, hé. Terwijl het nochtans een even groot vakmanschap vereist als de tragedie en een even grote relevantie bezit. Mensen als Dario Fo weten dat al jaren. Ik heb iets tegen mensen die vinden dat iets passé is. Alsof zij op een scharniermoment in de geschiedenis leven of meer zelfs, dat moment zelf bepalen. Maar het volkstheater is wel degelijk dood, dat is waar. Het is samen met Romain Deconinck gestorven, of eigenlijk zelfs nog vroeger: in 1988 toen hij door de stad uit zijn Minard werd gezet.”
Op de Gentse Feesten 2007 speelde Bob samen met Daan Hugaert alweer een stuk van Jo Van Damme, “De jongens”. Het gaat over twee broers die elkaar na een lange tijd terugzien bij de notaris om de erfenis van hun moeder op te strijken. Dan moeten ze echter wel de Turk zien buiten te krijgen die op dat moment in haar huis woont. Aanleiding voor een lading “politiek incorrecte” humor.
En hoe moet het nou verder met Bob De Moor?
“Ach, ik zit al jaren in het vak, maar ik weet het hoe langer hoe minder. Ik weet het, ’t is een cliché, Jean Gabin heeft dat ook allemaal al eens gezegd, maar zoals Ben Crabbé altijd zegt: clichés zijn juist clichés omdat ze wààr zijn. Toen ik jong was, wist en kon ik alles, maar nu heb ik geleerd voorzichtiger te zijn. Ik heb ooit beweerd dat ik vernieuwing verschrikkelijk vond, dat ik me geweldig stoorde aan die flauwekul. Zulke dingen zeg ik nu niet meer, omdat ze onvermijdelijk verkeerd begrepen worden.”
In 2008 verwezenlijkte hij uiteindelijk toch zijn droom: hij gaf zijn job bij Theater Malpertuis eraan en stichtte het Vernieuwd Gents Volkstoneel. Samen met Mieke Bouve en opnieuw Daan Hugaert bracht hij in dat kader “De ondernemers”, alweer een stuk van Jo Van Damme. “Vorig jaar was ‘De Jongens’ dé theaterhit van de Gentse Feesten. Bob De Moor en Daan Hugaert kropen in de huid van de ‘Soprano’s van Ledeberg’. Jo Van Damme schreef de tekst. Ze speelden in ‘schoon Gents’. Vaart, vinnige en vettige dialogen, veel couleur locale en grote muilen kenmerkten dit nieuwsoortige, geestige volkstheater. Je vergat er zelfs bij dat het bloedheet was in het Arcazaaltje. Dit jaar trekken ze als ‘De Ondernemers’ naar de Minardschouwburg. Om een voor de jongens Toni en Franky mysterieuze reden heeft hun vader hen gevraagd een dame af te halen op de luchthaven. En vaders wil is wet! De kennismaking met de dame verloopt woelig en is nog maar het begin van een reeks opportuniteiten en verregaande calamiteiten. Zeker als blijkt dat de dame in kwestie een spirituele dimensie aan het leven van de jongens dreigt te geven. Daar hebben de heren allerminst om gevraagd, laat daar geen misverstand over bestaan! Met Mieke Bouve als de dame.” (Karel Van Keymeulen in De Gentenaar van 16/7/2008)
Om te bewijzen dat het afscheid van Malpertuis “in wederzijdse verstandhouding” plaatsvond, zou hij in 2009 ook nog een solobewerking van het Gilgamesj-epos brengen (weliswaar samen met muzikant Roland Van Campenhout). Ik teken wel enig voorbehoud aan als ik in de begeleidende tekst lees dat hij zich heeft laten “inspireren door De eeuwige bron, een bestseller van de Amerikaanse schrijfster en filosofe Ayn Rand. De voorstelling wordt een hartstochtelijk pleidooi voor persoonlijke autonomie. ‘Be your own hero!’, het is de enige weg naar geluk. Op het einde van de avond krijgen de toeschouwers het recept voor het geluk op aarde mee naar huis…”
Het lijkt erop dat die voorstelling er (na mijn voorbehoud?) uiteindelijk toch niet is gekomen en dat ze werd vervangen door de Samuel Beckett-monoloog, “Het einde”. De dag dat hij uit een opvangtehuis wordt gezet en nieuw onderdak moet gaan zoeken, kijkt een man terug op zijn leven. Van een souterrain in de stad gaat het naar een grot aan zee en van daar naar een hut in de bergen en een oude boot in een schuur. Zonder ergens de geborgenheid te vinden waarnaar hij verlangt… Met ‘Het einde’ waagt Bob De Moor zich voor het eerst aan het werk van de Ierse Nobelprijswinnaar Samuel Beckett. De novelle werd geschreven in 1946 en betekende voor Beckett het begin van een zeer vruchtbare periode. Het hoofdpersonage is een in zichzelf gekeerde, langzaam aftakelende zwerver. Bob de Moor gebruikt al zijn capaciteiten als rasverteller om in Becketts droefgeestige universum veilig aan land te komen.
Op dinsdag 22 november 2011 speelde Bob De Moor de theatermonoloog ‘Wees gul met uw organen’ in de Bibliotheek aan het Zuid. Vijfentwintig jaar lang was hij alleen bekend van het intrigerende fotootje bij zijn Humo-column, maar vandaag is het eindelijk zover: Cornelius Bracke verschijnt in levende lijve voor het publiek. Corneel wordt door de Vlaamse overheid als bekende vlaming ingeschakeld om overal te lande reclame te gaan maken voor orgaandonatie. Maar Corneel zou Corneel niet zijn als dit niet ontaardde in een hilarische egotrip. Corneel heeft namelijk een zwarte lijst opgesteld van mensen die uitgesloten zijn van genot zijner organen omdat ze ooit eens tegen zijn kar hebben gereden. De meanderende memoires van Corneel, verteld met het olifantengeheugen van een misantroop, op tekst van Guido Van Meir. Bob De Moor brengt het beste uit vijfentwintig jaar Corneel met een vanzelfsprekende naturel alsof het personage van meet af aan op zijn lijf geschreven werd.
In januari 2012 voegde tekstschrijver Jo Van Damme in zijn stuk “Guernica” voor het eerst ook ontroerende elementen toe aan zijn maatschappijkritische repertoire. “Het verhaal portretteert een vader die samen met zijn nieuwe vriendin en zoon naar Madrid rijdt om er Guernica te gaan bekijken, een werk van Pablo Picasso“, vertelt acteur Bob De Moor aan de Gazet van Antwerpen. “Ik speel de zoon die gaandeweg ontdektwaarom zijn vader hem absoluut wilde meenemen naar Spanje. Dat Van Damme ontroering gebruikt als nieuw ingrediënt, vind ik een goede evolutie.”
De monoloog is met zijn uitgesproken boodschap allesbehalve vrijblijvend. “We moeten het geluk durven te provoceren“, vat Bob het samen. “Je kan er op zitten wachten, maar wie het durft af te dwingen, vindt het sneller dan anderen.”
Zelf houdt De Moor nog het meest van Guernica’s absurde humor. “De voorstelling telt nogal wat scènes waarin je jezelf als kijker afvraagt: dit kan toch niet. Persoonlijk vind ik die grappige situaties nog het best. Het valt me op dat Van Dammes absurdisme elke keer op de lachspieren werkt, bij eender welk publiek.”
De vertelling fungeert als een kapstok waaraan Van Damme uitgebreide beschouwingen ophangt. “De inhoud is een canvas waarin mijn personage de kans krijgt om breed uit te weiden over de meest uiteenlopende onderwerpen. De graad waarin dat gebeurt, bepaalt de sterkte van deze monoloog.”
Met “Guernica” is Jo Van Damme toe aan zijn vierde monoloog voor Bob De Moor, na “De conference”, “Iguanodons” en “De laatste hongerkunstenaar”. “Het is een goed verhaal en het wordt mooi gebracht, al zeg ik het zelf’, lacht de acteur. (Gazet van Antwerpen, 13/1/2012)

Referentie
Ronny DE SCHEPPER, De Moor vertelt Vlaamse legende, Het Laatste Nieuws 24 november 1995

2 gedachtes over “Bob De Moor in “Sinatra”

    1. Het spijt me, Marc. Mijn “interview” met Eriek is eigenlijk zeer toevallig tot stand gekomen: ik ging naar een repetitie kijken om met Bob De Moor te spreken en Eriek was daar toevallig ook aanwezig. We hebben dus geen adressen of telefoonnummers uitgewisseld. Sorry. (Maar het is wel een uitstekend idee om hem voor je boek te interviewen!)

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s