Cicero en de theorie van de welsprekendheid

Nooit eerder werden de Catilinarische Redevoeringen van de Romeinse schrijver én advocaat Cicero (60 vr. Christus) bewerkt tot een theaterstuk. De bewerking is van de hand van theaterschrijver Daniël Gybels (zelf ook advocaat), die de pleidooien heeft belicht vanuit een hedendaagse reflexie. De “politiek correcte puritein” Cicero krijgt een menselijk gelaat, temidden de intriges van macht, temidden politieke afrekeningen en temidden één van de meest groteske samenzweringen uit de wereldgeschiedenis. Cicero stapt geregeld uit zijn “rol” en denkt na over de mens die achter de vijand schuilt en over de mens die hijzelf is… als hij zijn toga even vergeet. Zo blijken vijanden uiteindelijk vaak gelijkgestemde zielen te zijn. Zo zijn – als van alle tijden – zogezegd grotere belangen vaak pure eigenbelangen. Zo worden zogenaamd dappere macho’s erg kwetsbare wezels en speelt, in een mannenwereld van macht, de vrouw nog altijd, of toch meestal, de stille hoofdrol. Guido Vanderauwera geeft, vanuit een gedroomde type-casting, met Romeins elan stevig gestalte aan Cicero, als de imposante, wijze, soms zachtmoedige, doch zeer gedreven staatsman-consul. Jo Decaluwe voert de regie. Nog te zien op do l1, wo 17 & wo 24 oktober in Theater Tinnenpot in Gent.

Trouwe lezers weten dat ik mezelf heb voorgenomen alles wat ik ooit heb geschreven op deze blog te zetten. Dat ben ik van plan en ik zal daar niet van afwijken, ook niet als ik er eigenlijk geen zin in heb. Zo heb ik hier een tekst over “de theorie van de welsprekendheid”. Hij vertrekt van een les van Anton van Wilderode die we kregen in, jawel, de Retorica. Ik zie dat er ook nog wat toevoegingen zijn uit mijn studententijd (uit de lessen van Antonin van Elslander neem ik aan). En het geheel wordt afgerond met een eigen lesvoorbereiding, want zelf heb ik daar blijkbaar ook een les over gegeven. Ik kan me wel niet meer herinneren welke leerlingen ik daarmee heb lastig gevallen. Wellicht was het een opdracht van het fameuze “programma”. Ha, nu herinner ik me dat ik de laatstejaars van het Koninklijk Atheneum van Dendermonde ooit eens een redevoering heb laten schrijven, dus wellicht diende die les ter voorbereiding daarvan. Dat heeft overigens nog geleid tot een incident. Ik had namelijk gedacht dat ze een speechke zouden schrijven om een tentoonstelling in hun jeugdclub of zo te openen, maar dat waren allemaal zeer ernstige speeches. Akkoord ik had ook wel gesuggereerd dat ze een grafrede konden houden, maar als voorbeelden had ik Elvis Presley, Hanns-Martin Schleyer of Andreas Baader gegeven, en daarnaast had ik b.v. ook een lofrede op Lucien Van Impe voorgesteld n.a.v. zijn (in die tijd) recente overwinning in de Tour, maar nee, het werd dus een saaie boel. En aangezien ik ze ook liet voorlezen, kreeg ik op een bepaald moment zelfs de slappe lach en dat nog wel toen één van mijn beste leerlingen, de zus van een bekend auteur, een grafrede gaf bij iemand die in een concentratiekamp had gezeten of zoiets. “Ja maar, als ge vindt dat het om te lachen is, dan stop ik ermee,” dreigde ze. Ik schaam mij er nog altijd voor. Maar, allé, geef toe, wie denkt er nu dat tieners zich met zulke zwaarmoedige zaken gaan inlaten!
1) De bouw van een redevoering (dispositio)
a) de inleiding of het exordium
exordium simplex: een eenvoudige korte kennismaking met spreker, onderwerp of toehoorder
b.v. “Grafrede voor E.Van Den Bussche” (Gezelle)
exordium solemne: plechtige inleiding bestemd voor speciale gelegenheden of heel verheven onderwerpen, zoals academische redevoeringen, inaugurale redevoeringen (bij een aanstelling), troonreden, huldigingsreden…
b.v. “Lofrede voor Damiaan De Veuster” (Cruysberghs)
exordium insinuans: indirecte inleiding, waarbij de spreker een aantal oratorische voorzorgen neemt om de welwillendheid van zijn toehoorders te krijgen
b.v. “Toespraak tot de hoofden van Lebak” (Multatuli)
exordium ex abrupto: een anecdotische of pathetische inleiding waarbij het te behandelen onderwerp onmiddellijk wordt aangevat
b.v. “De eerste Catilinarische” (Cicero)
Raadgevingen:
– een inleiding moet rustig en bescheiden (in houding, gebaren, verwoording…) worden uitgesproken omdat de allereerste indruk die de toehoorders hebben meestal beslissend is; vermijd dus geaffecteerd spreken (zoals minister Vermeylen, liet AvW optekenen) en dialectklanken (zoals eender wie, zou ik na de komst van VTM hier kunnen aan toevoegen)…
– het exordium mag niet te lang zijn en niet louter verbaal (geen loutere welsprekendheid)
– het exordium moet in de mate van het mogelijke een zekere oorspronkelijkheid hebben en het zou het midden moeten houden tussen stereotiep en buitenissig taalgebruik; zorg ervoor dat je inleiding aansluit bij de actualiteit…
– het exordium moet vlot worden uitgesproken (liefst van buiten): dat is nog steeds de meest overtuigende factor
b) de stelling of propositio en de indeling of divisio
De propositio is de voorstelling van het onderwerp. Die moet kort en duidelijk zijn. De toehoorder mag niet onder- noch óverschat worden.
De divisio is een aanduiding van de hoofdpunten en geeft de lijn van de redevoering weer. Ook dit moet kort zijn, omdat men hierop nog kan terugkeren.
c) de weerlegging of refutatio
De eventuele opwerpingen tegen de stelling worden behandeld. Dit is natuurlijk niet noodzakelijk in élke redevoering en niet overal op dezelfde plaats.
Zorg voor een evenwichtige behandeling van de onderwerpen. Indien men op iets teveel nadruk legt, gaat men zichzelf discrediteren. Te weinig nadruk is echter ook verkeerd, want dan is er misschien een gebrek aan interesse.
Zorg ook voor een eerlijke behandeling. Wat men zeker niet mag doen is de tegenstander(s) belachelijk maken, want de toehoorders nemen het nogal gemakkelijk op voor de afwezigen.
d) het verhaal of de narratio
Een uiteenzetting van de omstandigheden. Dit is ook een element van verpozing, dus doe het rustiger aan.
Wat aan bod kan komen zijn persoonlijke belevenissen, herinneringen, anecdoten, die het onderwerp illustreren. In een lofrede kan hier b.v. een relaas komen over enkele levensbijzonderheden van de gehuldigde of één enkel feit dat men een beetje uitbreidt en dat als karakteristiek geldt. Bij een lijkrede zijn hier de voornaamste gebeurtenissen uit het leven van de overledene op hun plaats en bij een pleitrede is dit het moment waarop men de (verzachtende) levensomstandigheden van de beschuldigde opsomt.
Hoe dan ook, de narratio moet functioneel (brevitas) en duidelijk (narratio aperta) zijn, want anders schaadt dit de geloofwaardigheid.
e) het betoog of de confirmatio
Hier volgt de argumentatie, waarin de spreker met zijn visie op het onderwerp voor de dag komt.
Raadgevingen:
– De argumentering moet bevattelijk en goed verstaanbaar zijn, want daarvan hangt af of de toehoorders overtuigd zullen zijn. Let op: de toehoorders hebben niet de tijd om de waarde van de argumenten af te wegen, omdat zij mee moeten met de redevoering (uninterrupted flow of time). Zo kunnen bepaalde argumenten het wel doen.
– Men moet naar een zeker climax toewerken (amplificatio). Drie argumenten is een goed gemiddelde. Men begint het best met een redelijk sterk argument, dan het zwakste (maar geen echt zwàk!), om te eindigen met het sterkste argument.
– De argumentatie moet een dosering zijn van verstands- en gevoelsargumenten. Deze laatste zijn bijzonder krachtig in een redevoering en spreken iedereen aan. Als men de gevoelsargumenten echter laat doorwegen, dan spreekt men van demagogie.
Argumentum auctoritatis: “gezaghebbende bron”.
f) het slot of de peroratio
– Heeft als doel de toehoorders tot een besluit te brengen en dus moet de peroratio helemaal in de lijn liggen van de rede. Zij moet als het ware de enig mogelijke conclusie zijn. Daarom wordt het ook het “dus”-stuk genoemd.
– De peroratio moet literair goed geformuleerd zijn, omdat ze anders verzwakkend werkt. Maak ze het liefst concreet en origineel. Men mag echter nooit het gevoel geven dat men op applaus wacht (geen “open doekjes”).
– Vermijd een peroratio “in schuifjes”. Dan hebben de toehoorders de indruk dat de spreker van geen ophouden weet.
– De peroratio moet zo vlot mogelijk worden uitgesproken, bij voorkeur terwijl men zijn papieren dichtvouwt.
g) de elocutio (de uitwerking van de redevoering)
1.De redeneringsvormen
– Inductie: manier van redeneren waarbij men besluit van het bijzondere tot het algemene (cfr.roddelpraat: hij heeft zijn vrouw verlaten, “dus” hij is niet pluis)
– Deductie: afleiden, observeren (zijn alibi klopt niet, dus…)
– Syllogisme: sluitrede, redenering bestaande uit twee premissen (major- en minorterm) en de conclusie, b.v. major = alle mensen zijn sterfelijk; minor = Socrates is een mens; conclusie = Socrates is sterfelijk
– Kettingredenering: hij is oud dus is hij niet fit meer dus hij is niet zo snel dus hij kon op dat tijdstip niet van A naar B zijn gegaan dus hij was niet aanwezig op het moment van de moord dus hij is onschuldig
– Dilemma: cfr. het eerste pleidooi van (en in het boek) Ernest Staes. Ofwel spreken deze getuigen de waarheid en is juffrouw Plus onschuldig, ofwel liegen zij en moeten zij vervolgd worden wegens meineed.
– Redenering ad hominem: op de man spelen i.p.v. op de bal.
– Redenering a fortiori: hij heeft zijn eigen vader wel vermoord, waarom zou hij dus de man die hem dreigde te verklikken niet vermoorden?
– Redenering a pari: hij heeft zijn vader vermoord, hij kan dus evengoed zijn moeder vermoord hebben.
– Drogreden: bedrieglijke redenering.
2.De stijlvormen
– Paradox: schijnbare tegenstelling (cfr.Kupers vader in “Schipper naast God”).
– Apostrofe: wending waarbij de spreker het woord rechtstreeks tot één persoon richt (dikwijls ook een niet-aanwezige of een personificatie, b.v. een portret).
– Preteritie: het opzettelijk even vernoemen, maar verder erover zwijgen (demagogisch effect). Meestal met de bekende wending: “Ik wil niet eens spreken over…”, maar b.v. ook de reactie van Jacques Anquetil na de WK-sprint van Moser en Thurau (“bizarre”). Maar gevraagd naar meer commentaar wou hij niets meer zeggen.
– Herhaling: Brutus is an honourable man, so they are all, all honourable men.
– Climax
– Zelfcorrectie: wat zeg ik?
– Retorische vraag (of oratorische vraag of schijnvraag of interrogatio): hoelang nog Catilina? (bedoeld wordt: niet lang meer, je haring braadt niet meer)
– Vergelijking (cfr.Lebak)
– Tegenstelling (cfr.Lebak)
– Allusie of toespeling: vergelijk met preteritie, maar niet zo direct.
– Concessie of schijnbare toegeving: akkoord, hij is ziek, maar dat belet niet… (wolf in schapenvacht)
3.Figurae
– Klankfiguren: alliteratie, rijm.
– Woordfiguren: ellips (weglaten van woorden), anafora (nadrukkelijke herhaling), apostrofe (gebruikt als aanspreking).
– Redeneringsfiguren: comparatio en antithese.
– Grammaticale figuren: inversie, chiasme.
– Beeldspraak (tropen): metafoor (de kameel is het schip der woestijn), metonymie (ik lees Couperus), circumlocutio (omschrijving), synekdoche (pars pro toto), hyperbool (overdrijving), litotes (tegengestelde).
– Figura etymologica: zeer populair in de Middeleeuwen, maar meestal verkeerd, zoals het werkwoord “regere” dat dan zou staan voor “recte agere”.
– Allegorie: Christus is de nieuwe Adam.
– Topoi: bescheidenheidsformule (Beatrijs), luiheid (Matthijs de Castelein), opdracht aan maecenas of vriend, zich richten tot het publiek, klachten over zedenverwildering (tegenover de lof van de eigen tijd: dat zou hic et nunc eerder omgekeerd zijn).
Vele van deze raadgevingen zijn natuurlijk ook van toepassing op de zogenaamde “spreekbeurten”. Toch volgen hier nog een aantal meer specifieke aandachtspunten.
1.De keuze van het onderwerp.
Houdt bij voorkeur verband met de lessen, of heeft op z’n minst een algemeen opvoedende waarde. Hou er echter rekening mee dat je de interesse van je toehoorders moet gaande houden. Het lijkt evident, maar vaak is het toch noodzakelijk nog eens te onderlijnen: wees zélf geïnteresseerd in je onderwerp!
2.Materiaal verzamelen.
Nu zou ik me ervan kunnen afmaken met te zeggen: raadpleeg het internet. Maar dat bestond in die tijd nog niet. Wat had je dan wel? Tijdschriften, encyclopedieën, handboeken, gesprekken met mensen die er meer van afweten, radio, televisie, platen (die men toen kon ontlenen in de Belgische Mediatheek) en natuurlijk… boeken, waarvoor de bibliotheek dan weer de beste toevluchtshaven was.
3.Excerperen.
Niet alles is bruikbaar. Enkel het belangrijkste aanduiden.
4.Ordenen.
Maak een schema. Enerzijds voor jezelf (een doorlopende tekst voorlezen is uiteraard niet toegestaan), anderzijds voor je toehoorders (gebruik het bord).
5.Illustraties.
Maken de spreekbeurt levendig. Zorg er echter voor dat ze de aandacht niet afleiden. Dat ze b.v. groot genoeg zijn, zodanig dat je niet genoodzaakt bent ze te laten doorgeven in de klas.
Anderzijds mogen ze ook niet gaan overheersen. Een spreekbeurt over een bepaald muziekgenre mag niet herleid worden tot wat plaatjes draaien!
6.Niet memoriseren.
Hoe moet je je dan wel voorbereiden?
Val je ouders lastig of gebruik een bandopnemer.
Oefen ook eens voor de spiegel (houding).
7.Wees voorbereid op eventuele vragen.
8.Een variante op de spreekbeurt is een tegensprekelijk debat. Daarbij komen twee sprekers aan bod. De spreker die “pro” een of ander punt is opent, daarna volgt de spreker “contra”. Daarop volgt een repliek van “pro”, waarna “contra” nog eens de kans krijgt die repliek te weerleggen (neem nota terwijl de tegenstrever aan het woord is). Daarna kan ook de klas zich met het debat bemoeien.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.