Johan Verminnen: ik hou van België en andere verhalen

Het Feest van de Rode Vaan heeft traditiegetrouw weer plaats in september, meer bepaald op 15 en 16 september. Uit de spijtige taalincidenten van vorig jaar hebben de organisatoren hun lessen getrokken, zodat er nu een afzonderlijk Franstalig en een afzonderlijk Nederlandstalig programma is en dit zowel op zaterdag en zondag. In totaal dus vier spektakels waarvoor je telkens amper 100 fr hoeft neer te tellen. Als je dus maar één voorstelling meepikt, betaal je voor het hele feest slechts 150 fr (50 fr is de toegangsprijs voor de tent met de stands, het vrij podium en de dansvloer). Heel wat goedkoper dus dan vorig jaar, wat ook al een tegemoetkoming is aan de bezwaren die toen werden gesteld.
Voor een gedetailleerde opgave verwijs ik je naar elders, maar daarbij moet je nog weten dat ook artistiek gezien het dit jaar een primeur is. Inderdaad een Franstalig en een Nederlandstalig artiest werden aangezocht om de beide programma’s samen te stellen, te presenteren en te animeren. Met dit laatste bedoelen we dat binnen het huidige concept alles mogelijk is, de weg voor jamsessions en andere samenwerkingsvormen ligt volledig open.
De twee artiesten die zo vriendelijk waren om aan de toch nogal slopende voorbereiding van zo’n feest mee te werken, zijn Paul Louka en Johan Verminnen. Bovendien zijn zij beiden heel goed bevriend, zodat zij ook elkaar hebben uitgenodigd in hun eigen programma (voor Verminnen was dit hoegenaamd niet moeilijk daar hij ook een Frans repertoire heeft), wat uiteindelijk dan toch ook een eenheid van het Feest weer beklemtoont.
Het spreekt vanzelf dat wij naar aanleiding hiervan even gingen praten met Johan Verminnen.

We gingen hem opzoeken na een optreden in de Gentse jeugdclub « Open Hof » en vroegen hem of hij van een bepaald concept was uitgegaan bij het samenstellen van het programma ?
Johan: Ik heb gedacht aan verschillende genres van muziek en representatieve mensen, want het vreemde is; ik kom meestal op avonden waar hetzelfde genre wordt gepropageerd, en dat vind ik niet interessant eigenlijk. Ik vind dat iemand als Toots Thielemans werkelijk beschouwd kan worden als een representatieve vertegenwoordiger van wat Belgische muziek betreft. Evengoed als wat Raymond van het Groenewoud doet b.v. Dat kan beschouwd worden als een typisch Vlaams verschijnsel eigenlijk. En ik vind het programma van Paul Louka ook wel belangrijk. Ik heb eigenlijk altijd van hem gehouden vooral in de tijd van zijn eerste succesje, « Marcinelle ». Ik vind dat dus allemaal representatief. Of dat dan succesrijk is, dat is iets anders. In ieder geval belangrijk.
— Zijn er nog meer verschillen tussen een gewoon optreden en een programma zoals dat op een R.V.-feest?
Johan
: Er zijn b.v. een aantal visuele attracties zoals John Massis en Jack in the box om de gewone euvels die bij marathonavonden gebeuren namelijk het opstellen en afbreken van verschillende groepen tegen te gaan, al zal dat ook wel meevallen omdat alles tot één geluidsinstallatie is beperkt. Daarmee wil ik echter geen afbreuk doen aan wat die visuele attracties op zichzelf betekenen. Ik denk dat iemand als John Massis gezien kan worden als een typisch verschijnsel in ons recordwezen, dat hier welig tiert in Vlaanderen.
— Ze willen allemaal de grootste zijn in iets…
Johan
: In Meise ben ik eens gaan kijken naar een man die wereldrecord drummen wou kloppen. Wij hebben hem betrapt om vijf uur ’s morgens met een reservedrummer achter het drumstel, maar heel het café was zat, dus we vergaven dat wel. En de deurwaarder die zal wel iets anders te doen gehad hebben… Maar ik vind dat het Guiness Book beter het Ginder Ale-boek of Stella Artois-boek zou heten. Die zouden dat trouwens moeten doen, dat sponsoren. Ik wil daar dus niets van afdoen aan waarde. Ik vind dat iemand als John Massis per slot van rekening toch sterke tanden heeft, wat van die van mij niet kan gezegd worden. (De mannen van zijn orkest beginnen uitbundig te lachen, dit vergt dus een verklaring:) In Veurne vorig jaar ben ik na het eten van zoute vis bij een live-optreden voor de televisie een tand verloren. John Massis was daar toen ook trouwens, maar misschien eet hij geen zoute vis.
— Is het mogelijk dat er ook éénmalige dingen gebeuren, zaken die later niet meer zullen voorvallen?
Johan
: Dat hangt allemaal van de atmosfeer af. Waarom is de ene avond goed en de andere minder? Dat hangt van zoveel omstandigheden af, je kunt dat niet voorspellen. Maar ik denk b.v. dat als Toots Thielemans zich goed voelt, dat je dan… Want op een bepaald moment als je elkaar zo goed kent word je toch een beetje « kameraad ». Dat is echt zo, zonder enige commerciële bedoeling. Dan zou het kunnen dat hij eens meespeelt. Of andere mogelijkheden. Het zit er allemaal in, ik denk dat het publiek daarop een enorm grote invloed heeft. De mensen moeten niet altijd staren naar een podium, zij moeten soms ook eens naar zichzelf staren. Als je een fantastisch publiek hebt, dan ben je twintig keer beter. Soms ben je zelfs beter dan je eigenlijk bént.
— Jij bent er op het r.v.-feest al bij van in Wieze?
Johan
: Dat is mij toen enorm goed meegevallen. Ik speelde toen in trio, het was in een tent en het was een tamelijk vreugdevolle bedoening o.a. door natuurwijn die met volle teugen genuttigd werd. Er waren ook veel Franstaligen, maar het viel mij op dat er toen geen enkele reactie was tegen het feit dat ik in het Nederlands zong. Ik vond dat fantastisch want de communistische partij geeft voor de mensen vaak de indruk dat ze meer Franstaligen vertegenwoordigt dan Vlamingen. En dat was toen mijn eerste ervaring. Ik vond dat erg prettig. Vooral omdat de mensen werkelijk iets voor elkaar over hadden.
– Vorig jaar in Oudergem was het niet zo prettig?
Johan
: Het was een beetje een drukke bedoening, hé? Het was bijna een onmogelijke toestand als je dat zo mag uitdrukken. Vorig jaar was er ook één persoon die een opmerking maakte en die terecht door de anderen weggeapplaudisseerd is. Hij heeft in de volgspot gestaan, gelukkig maar voor hem, dan heeft hij dat ook eens gevoeld, wat voor spanning dat dat is. Maar ik denk dat het vrij positief was vorig jaar, want ik wil daar wel de nadruk op leggen, al kom ik dan misschien over als grote unitarist: ik hou van België. En dat meen ik uit de grond van mijn hart. Ik hou van België, dus zowel van Luik als van Antwerpen of Gent. Ik vind: wij horen bij elkaar. We hebben allemaal dezelfde mentaliteit, al spreken we soms een andere taal. En natuurlijk zijn er lastigaards bij zoals in elk land, maar ik hou van mijn land. Niet van de koning, hé!
— Kort na het R.V.-feest verscheen dan die fameuze elpee « Als mijn gitaar me helpt ». De kritieken waren het er allemaal over eens: dit was groots. Er was zelfs niemand bij die ze « gewoon goed » vond, ze vonden ze allemaal schitterend. Er zijn adjectieven bovengehaald, die zelden uit de kast komen. Een verklaring?
Johan
: Ik denk dat er nogal wat mensen blij waren dat er een plaat kwam die mij vertegenwoordigde. Die plaat is niet fanfastisch of buitengewoon, ze vertegenwoordigt een gevoel. En ik denk dat dát gevoel begrepen is. En dat noem ik een enorme aanmoediging. Meer dan adjectieven of superlatieven die ik niet geloof. Zoals ik evenmin geloof de mensen die mij tot op de grond afbreken. Ik vind dat dus een plaat die mij vertegenwoordigt en niet alleen mij trouwens…
— Ook je muzikanten.
Johan
: Absoluut.
— Die verdienen inderdaad ook eens in het zonnetje te worden gezet. Een dergelijke elpee schept echter wel problemen voor de volgende.
Johan:
Dat is uiteraard zo. De volgende zal moeten beter zijn, hé. En misschien wordt die dan wel slecht onthaald. Maar of dat dan erg is? Voor mij misschien wel, gedurende twee maanden en dan ga ik spelen voor het publiek en dan moet ik het voor die mensen maar waarmaken zoals ik het eigenlijk elke avond moet waarmaken. Vóór die elpee komt er trouwens eerst een Brusselse single uit met daarop o.a. “Rue des Bouchers”. Het is met accordeon, nogal cajunachtig. Eens iets anders.
— Toekomstmuziek was dat, daarom gauw « back in time it’s a Caroline flashback »: je biografietjes beginnen steeds bij Ontdek de Ster 1969, maar ik zou wel eens willen weten wat je daarvóór uitvreette?
Johan
: Als ik twaalf was zat ik in een groepje dat heette «Het Klaverke». Dat was heel mooi met van die twiststrikjes indertijd, met zo’n vals pareltje in. We hadden toen een zanger met een mooie sopraanstem die o.m. de versie van The Strangers van « The lion sleeps tonight » zong. Maar ik maakte toen ook al liedjes, op muziek van mijn vriend Luc Verhaegen, onbekend, burgerlijk ingenieur nu, zit ergens in Frankrijk heb ik gehoord, want ik heb hem al lang niet meer gezien. Die heeft me trouwens een beetje gitaar geleerd. De andere jongen heette Luc Van der Straeten. Wij zongen heel braaf in jeugdgroeperingverband en dan op feestjes en partijen voor gepensioneerden, gratis. Eén keer een groot optreden in Aalst in de Handelsbeurs, toen moet ik dertien jaar geweest zijn, in de Lize Markeshow.
– Speelde je toen reeds elektrisch?
Johan
: Neen. Achteraf kwam dan de Ferre (Grignard). De Ferre die heeft een ongelooflijke invloed gehad, vooral op mensen die geen muzikale studies achter de rug hadden. Dan zong ik « Ring ring », « Diggin’ my potatoes », « My crucified Jesus » en ook nog steeds eigen liedjes. Toen was ik zeer goed bevriend met Erik Van Neygen o.a. « Jonathan’s Arc » heetten we toen of « The Motten Drizzle ». We zongen ook liedjes van Fabien Colin, die onbekend is, al heeft-ie dan twee plaatjes gemaakt. Dat was de zoon van Eddy van Qually van « Tien maal drie minuten gloednieuwe opnamen », daar luisterden we naar, dat waren de nieuwe singles van dat moment, op radio Antwerpen. Die Fabien zat toen al erg aan de drugs en maakte liedjes. Eén daarvan was mijn lijflied: « Water en brood ». « Geef me water en brood, geef me liefde, want anders ga ik dood ». Ik zou dat eigenlijk nu nog kunnen zingen. Daar kwam ook in: « ’t Is beter langharig dan kortharig, maar iemand zei me: ’t is beter kortharig dan langdradig. » Dat vergeet ik nooit meer. Toen kreeg ik dus lang haar en ben ik gaan spelen bij een groep die achteraf een plaat heeft gemaakt, maar toen hadden ze me reeds buitengesmeten: Burning Plague. En toen speelden we blues, zwarter als de negers. Toen zong ik (doet het, inderdaad « zwarter als de negers »): « Gypsy woman told my mama, just before I was born, yeah you got a boy child comin’, it’s gonne be a son of a gun, they call me a hoochie coochie man, baby ». Nadien zong ik vooral in cafés. In Wemmel b.v. in het Gildenhuis, met of zonder gitaar, vaak Brusselse liedjes. Waaruit « De Vagebond » is ontstaan en « Rue des Bouchers ». Toen was ik erg in de ban van Don Partridge, een one-man-band, dat vond ik dé oplossing voor mij, want ik was mijn muzikanten verloren. En daar hebben ze me dan ingeschreven voor Ontdek de Ster.
— Tot slot ga ik me het een beetje gemakkelijk maken. Ik ga je tien begrippen geven die steeds weer opduiken in kritieken over jou en jij…
Johan
: Ik geef daar mijn reactie op, in orde.
— Leverancier van kopij.
Johan
: Er is een periode geweest waarin de anderen niets deden. En ik deed iets. Dat was al genoeg om in de pers te komen
— Glimlach.
Johan
: Toon Hermans heeft dat uitgevonden. Hij heeft dat gezegd tussen twintig volzinnen, maar alleen die volzin hebben ze onthouden.
— Expressionisme
Johan
: Dat zal wel. Dat hangt van het temperament af. Je moet eens goed kunnen vloeken op alles, zeggen ze, dan ben je een goeie kameraad. Alles is barok bij mij, maar dat heb ik proberen te vermijden op mijn laatste plaat b.v.
— Berusting.
Johan
: Dat is me eens verweten omdat ik durf nuanceren. Ik vind dat een kwaliteit.
— Brusselse kliek.
Johan
: Ooit gezegd geweest door verscheidene collega’s die hun luiheid trachten te verbergen door te verwijzen naar het feit dat mensen woonden in een straal van 30 km.
— Jeugdsentiment.
Johan
: Heb ik vaak. Jij niet?
— Negroïde stem.
Johan
: Een verkeerde stemtechniek zou een officiële stempedagoog zeggen. De oplossing zit hierin dat je dat gebruikt wanneer dat moet. En dat je het weglaat wanneer het niet hoeft. Vermoeidheid geeft ook vaak bij de mensen de indruk van een negroïde stem te zijn, maar dat is niet waar.
— Tederheid.
Johan
: Dat heb je nooit genoeg. Maar het is moeilijk om te laten zien.
— Pathos.
Johan
: Een beetje teveel waarschijnlijk, maar beter te veel pathos dan niks. Zo koud als een kikker is ook triestig in ’t leven, niet?
— Tenslotte: Brussel.
Johan
: Brussel? Ik hou daarvan. Da’s vreemd voor vele Vlamingen, maar ze zouden er meer van moeten houden. En dan zouden ze meer recht hebben om te spreken. Ik denk dat ze er gewoon niet genoeg van houden van die stad. En zij zullen dan zeggen vaak: om redenen van, ja, zij respecteren ons niet genoeg. Ze moeten zich laten respecteren. Door het Kaaitheater b.v., een organisatie van Vlamingen in Brussel, waar zowel Vlamingen als Franstaligen als buitenlanders naar komen kijken. Ik vind dat dit de juiste politiek is. Het Muntplein, enz. En dan denk ik niet dat een Vlaming op schouderophalen zal onthaald worden.
— Op de valreep nog een laatste vraag, n.a.v. deze redelijk sensationele avond in jeugdclub Open Hof in Gent: dansen bij Verminnen is dat uitzonderlijk?
Johan
: Het is vrij uitzonderlijk, maar het gebeurt nog. In een jeugdclub vind ik dat zeker normaal, want die mensen reageren veel spontaner. De eerste keer dat me dat overkwam, keek ik wel een beetje raar. Maar iemand die zich uit, wat kun je daartegen doen?
— Zou je in die richting willen evolueren?
Johan
: Neen, ik denk dat Raymond in die richting is geëvolueerd en dat hij nu zelfs een stap wil terugzetten. Maar het is alleszins niet mijn bedoeling want ik wil evengoed een liedje kunnen brengen dat ondansbaar lijkt en alleen op de tekst drijft. Ik vind dat je van alles moet kunnen, een breed palet hebben. Dat wordt je vaak niet gegund. Soms speel ik rock’n’roll en soms chanson en dan zegt men: je zit tussen twee stoelen. Ik zit daar graag tussen, of liever: ik verander eens graag van stoel. Kerkstoelen zijn misschien wel wat hard, maar van die opvouwbare caféstoeltjes dat kan ook wel eens gaan tegensteken. Dus het mag een parochiezaal zijn en het mag een feest voor de communistische pers zijn.

Referentie
Ronny De Schepper, Johan Verminnen: ik hou van België en andere verhalen, Kritis, augustus 1979

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.