In december 1978 volgde “Blondes have more fun”, waarvoor reeds een kleine personeelswissel werd doorgevoerd. John Jarvis werd vervangen door Duane Hitching (vermoedelijk omdat deze als typische studiomuzikant een afkeer heeft van het vermoeiende toeren) en de saxofonist Phil Kenzie kwam de hoop nog vergroten.
Ondanks het feit dat “Blondes” maar één zijde heeft (de B-zijde is vervangen door “Side A continued”) vinden we er toch de typische Stewart-indeling keiharde rock versus gevoelige soft-rock in terug, zij het beter gemixed dan gewoonlijk.
Qua afwisseling situeert “Blondes” zich dan ook op het niveau van “Gasoline Alley”. Sluitstuk “Scarred and scared” roept zelfs de eenvoud uit die tijd op door het feit dat Rod hier opnieuw als een “poor lonesome cowboy” de mondharmonika hanteert. Tegelijk vinden we in dit lied echter het grootste feil van de plaat: de zoeterige vioolarrangementen. Ik behoor niet tot het koor van huilende wolven dat Hans Van Hemert met de vinger wijst voor het “verknoeien” van RVHG’s “Ik doe niet mee” (koor waartoe Raymond van het Groenewoud zélf behoort, al verdedigde hij oorspronkelijk Van Hemert gevat door in Tliedboek erop te wijzen dat men hier “nooit spreekt van eerste of tweede viool maar van overbodige viool”), maar op deze elpee is Del Newman toch een beetje ver gegaan. Hij heeft Stewart enigszins “gevioleerd”. “Ain’t love a bitch”, dat nogmaals het (naar het schijnt waar gebeurde) verhaal van “Maggie May” oprakelt, betokkelt bijvoorbeeld dezelfde gevoelerige snaar.
Dat een viool in se echter geen moordwapen is, bewijst dan weer het mooie “Best days of my life”. En alhoewel “Last summer” helemaal binnen het easy listening genre valt, maakt fluitist Gary Herbig er toch iets moois van (als je ervan houdt natuurlijk, want Herbig klinkt hier ongeveer zoals Tim Weisberg op Dan Fogelbergs “Twin sons of different mothers” en buiten mezelf heeft bijna iedereen deze plaat gekraakt).
Zoals gewoonlijk klinkt Rod echter het best in slow-rocks. Deze keer is dat “Is that the thanks I get” en “Attractive female wanted”, toevallig twee nummers die verwijzen naar zijn avonturen met Britt Ekland. In “Thanks” zegt hij o.m.: “Your lawyers, detectives and private-eyes could never win me back”. En in “Female”: “She doesn’t have to be a movie star on the cover of a magazine”.

“Blondes have more fun” is inderdaad tot stand gekomen in een wilde periode. Hij heeft met Britt Ekland gebroken, maar inwendig raakt hij blijkbaar niet zo makkelijk van haar af. Misschien is het daarom juister te zeggen dat zij met hém gebroken heeft, al doet hij daar zelf in een interview met Paul Nelson zeer macho over: “Ik ben zelf nooit gewond geraakt in de liefde. Ik was altijd diegene die het afmaakte, die de matten rolde en zei: sorry, zo zit het tussen ons, ’t is uit, tot ziens. Neem voor mijn part twintig valiums en laat dan je maag leegpompen en dan kom je er wel over heen.” (*)
Britt Ekland had Rod Stewart leren kennen toen ze met Joan Collins naar een concert in Los Angeles ging kijken. Het was ook Joan Collins (die Rod dus blijkbaar kende) die haar bij hem introduceerde. Het duurde echter nog zes maanden vooraleer het tot een verhouding kwam. “Rods geestelijke horizon was niet erg ruim,” vertelt Britt in haar autobiografie (**). “Hij gaf niet om lekker eten. En zijn favoriete verzet waren voetbal en electrische speelgoedtreintjes. Hij was wel achtien maanden jonger dan ik en op die manier de eerste man van mijn leeftijd met wie ik optrok. Tot dusver had ik me, Joost weet waarom, steeds door vaderfiguren aangetrokken gevoeld.”
“Hoewel Rod zei dat mijn verleden hem geen bal kon schelen stelde hij zich vaak erg jaloers aan. De kranten bestempelden ons als de Burton en Taylor van de jaren zeventig. Ik voelde me erdoor gevleid hoewel ik het zonder Liz’ diamanten moest stellen. Want het werd me al vlug duidelijk dat ik van Rod geen juwelen te verwachten had. Ik was het die hem juwelen cadeau gaf, gouden armbanden en een polshorloge van Cartier. Rod was erg op de penning en kwam nooit over de brug.”
Achteraf heeft ze dan ook geprobeerd om hem zo’n 600 miljoen toenmalige Belgische frank afhandig te maken (“Zijn portemonnee was de enige plaats waar ik hem pijn kon doen”). Zogezegd omdat ze haar filmcarrière aan hem had opgeofferd. Ze was in die periode inderdaad in weinig films te zien (o.a. in “The Great Wallendas”, een circusfilm van Larry Elikann met verder nog Tania Elg en Cathy Rigby), maar volgens Rod was dat omdat ze zoveel mogelijk bij haar kinderen wou zijn. Uiteindelijk is hij dan ook niet veroordeeld geworden, maar hij heeft wel zijn huis aan Carolwood Drive in Beverly Hills aan haar afgestaan. Kort daarna nam ze er haar intrek samen met Peter Frampton én diens toenmalig liefje, Penny McCall. Moet kunnen!
Rod Stewart: “Ik denk aan haar terug als aan een zware misstap. Een vergissing was het. We hadden eerst een erg fijne tijd. Haar probleem was die taalhandicap: als ze wat zei, klonk dat vrij vlug cynisch of sarcastisch, terwijl zij alleen maar grappig wilde zijn. Wie maakte de eerste fouten? Was ik het, omdat ik heel even vreemd ging, of was zij het, omdat zij daar zo buitenmaats op afknapte?”
Het “heel even vreemd gaan” waarover Rod het hier heeft, slaat op Liz Threadwell, een blonde (uiteraard) strandschoonheid die zich al door heel wat Hollywood-beroemdheden op sleeptouw had laten nemen. We danken er wel het prachtige nummer “If loving you is wrong” aan.
Rod Stewart: “Toen ik die song opnam was Liz aanwezig in de studio, zodat ik het wel moést zingen met volle overtuiging…”
Een gevolg van dit alles is dus dat deze plaat een mengsel is van wat cynisch-droevige melancholische nummers en losbollige niemendalletjes. Deze laatste komen uiteraard gemakkelijker voor de hitparade in aanmerking: “Do you think I’m sexy” wordt midden in de discomania één van zijn grootste hits aller tijden. Vele Stewart-puriteinen nemen hem deze hitsingle kwalijk. Ik niet, al kan ik het op dit moment ook niet meer horen. Maar zoals iemand reeds vóór mij zei: “Zelfs Mozart zou vervelen als het een hit was.” (***)
Ook in de andere rappe nummers is de disco-tijdsgeest hoorbaar. Het positieve gevolg daarvan is dat de Stewart-dreun geleidelijk aan verdwijnt. Enkel “Dirty weekend” herinnert muzikaal bijvoorbeeld nog aan The Faces. Ook “Blondes” zelf natuurlijk, maar dan enkel omdat Rod met de andere Faces een liefde voor Chuck Berry gemeen heeft (zoals reeds gezegd hebben een paar Faces nog als begeleiders van Chuck gefungeerd).
Over The Faces gesproken, uiteraard keert Rod Stewart af en toe nog eens naar Engeland terug om zijn familie te zien. Typisch is echter wel dat hij dan in dure hotels logeert in plaats van bij zijn ouders. Voor de eindejaarsfeesten van 1977 was hij vergezeld van de 22-jarige blonde (moeten we daar steeds “uiteraard” bijvoegen?) Marcy Hanson, op wiens paspoort naar verluidt “actrice” staat, maar die eigenlijk uit de playbunny-stal van Hugh Hefner kwam.

Ronny De Schepper

(*) Typisch is dat Paul Nelson in zijn inleiding stelt: “Ik ken Stewart nog van vóór het grote succes, maar ik vermoed dat hij er sedertdien niet veel gelukkiger op geworden is.”
(**) In 1994 zou Britt Ekland zowaar ook nog een roman publiceren (“Sweet Life”), waarin een “rock star named Rob” voorkomt met “a big nose and a big…” (sic). Merkwaardig genoeg wordt ze daarin tegengesproken door niemand minder dan Rod zelf! Misschien herinner je je nog die kunstenares uit de omgeving van Frank Zappa die penissen van rockvedetten vereeuwigde door ze in plaaster af te gieten? Rod Stewart vertelt erover in zijn autobiografie: “They came to our hotel, bringing with them, in a bag, autographed samples of previously cast appendages, which they solemnly put out on a table for inspection: plaster phalluses of Jimi Hendrix and Eric Burdon ware the two authenticated samples offered for our approval, as I recall. And then the girls offered to ready us for casting, should we wish to be thus commemorated. Obviously it would have been a pleasure and an honour. However, Woody and I took a look at the rather challengingly splendid specimens on the table before us, considered for a moment the slightly more modest scale of our own endowments, and said, ‘Hmm. Nah, I don’t think so, thank you.'” (p.96)
(***) Misschien denkt bijvoorbeeld Guy Mortier er nu ook zo over, maar bij het verschijnen noemde hij het “die magnifieke single“. In zijn lijfblad HUMO verklaarde professionele zwartkijker Theo Maassen trouwens dat het de eerste plaat was die hij ooit kocht: « Mijn allereerste plaatje, dat was een single van Rod Stewart: Da Ya Think I’m Sexy. Gekocht op mijn zesde of zevende, wellicht vanwege het hoesje: ome Rod die schalks de lens inkijkt terwijl hij een lekker wijf tegen zich aan laat schurken. (Zingt) If you want my body / And you think I’m sexy / Come on sugar let me know. Ja, en met dat soort teksten kon de zesjarige Theo zich natuurlijk ook wel identificeren. » De hele elpee vatte Guy Mortier trouwens als volgt samen: “weer verrekt goed, weer ijzersterk gezongen, weer feilloos begeleid“. Ook huidig kunstcriticus Jean Ranson recenseerde destijds popplaten in “De Nieuwe” en zijn conclusie luidde: “Allicht had Frankie Miller, eveneens een Schot en dito zuipschuit, sommige nummers met meer hartzeer en bezieling en minder respect voor de veertigers vertolkt. Maar desalniettemin: een uitstekende plaat.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.