Jan Lampo

53 jan lampoAls ik het over de vader heb, dan moet ik het natuurlijk ook eens over de zoon hebben. Dus na Hubert Lampo, ziehier Jan Lampo, omdat ik uit het bij Hubert Lampo geciteerde artikel ook iets over de zoon zelf wil onthouden, namelijk deze passage: “Toen ik twaalf was, leerde ik mijzelf tikken en schreef een roman (nou ja) van vijftig bladzijden. In volzinnen van vijf regels, hoewel ik mijn vader toen nog niet gelezen had. Dat was dus geen verworven eigenschap.”

Jan Lampo (Antwerpen, 1957) studeerde geschiedenis. In 1985 verscheen zijn debuutroman bij Kritak (“In altijd lege kamers”, 141 blz.) en dat zal aanleiding geven tot een conflict met ondergetekende. En zoals bij alle hevige conflicten was de aanleiding een stom toeval. In De Rode Vaan hadden wij destijds een cultuurrubriek, maar daarnaast hadden we ook de rubriek “activaria”, waarin we zowat alles kieperden waarmee we geen weg wisten. Zo b.v. besprekingen van boeken die we niet belangrijk genoeg achtten voor de cultuurrubriek. Mijn “bespreking” van het boek van Lampo behoorde hiertoe. Ik zet “bespreking” opzettelijk tussen aanhalingstekens, omdat voor dat rubriekje “activaria” niet echt het onderste uit de kan werd gehaald, dat kan je wel denken. Maar wat gebeurt er nu? Die week komt het voorziene hoofdartikel voor cultuur te vervallen (misschien niet tijdig op de redactie gearriveerd, ik weet het niet meer, het is te lang geleden). Als tweede artikel was de bespreking door Johan de Belie van Tom Lanoyes “Slagerszoon met een brilletje” voorzien. Maar ja, dat was bedoeld als tweede artikel en dus niet “consistent” genoeg om het hoofdartikel te worden. Ik bedenk dat ik de twee debuten misschien kan samenvoegen en schrijf daar een inleiding bij over mijn eigen ambities in de schrijvelarij. Et voilà Zizi: een “hoofdartikel” is geboren. Maar een “hoofdartikel” vangt natuurlijk meer wind dan zo’n stukje in activaria natuurlijk. En daarmee is alle herrie begonnen…
LEEG
Ik heb altijd schrijver willen worden. Maar daar is voorlopig (?) nog niets van in huis gekomen. Aanvankelijk schreef ik veel, zeer veel, maar buiten de voldoening van « weer een volbrachte taak », was er weinig bevrediging aan, ik wist zelf wel dat er iets niet klikte. Mensen die het konden weten zeiden me dat dit kwam omdat mijn onderwerpen zo mijlenver van mijn eigen leefwereld afstonden. En dat klopte, want ze speelden zich vaak af in de hogere burgerij (slechte invloed van Françoise Sagan waarschijnlijk, toen) als ze al geen pure science-fiction waren. Ze gaven het natuurlijk niet als stelregel, nee, maar als je nu « om te beginnen » eens over je eigen ervaringen, je eigen milieu zou schrijven… ?
Sindsdien heb ik haast niets meer geschreven. Ik ben net iets te laat geboren om de Tweede Wereldoorlog te hebben meegemaakt, aan de universiteit waren enkel nog de naweeën van mei ’68 voelbaar en voor de rest… Telkens als ik aan mijn schrijfmachine ga zitten, denk ik : mijn lieven, mijn huwelijk en mijn scheiding, mijn verhouding tot mijn kinderen… wie interesséért dat eigenlijk ? Een paar vrienden misschien, maar daar bestaan dan kroegen voor, geen boeken. En dus wordt mijn grote literaire debuut steeds maar uitgesteld tot ik misschien oud en grijs geworden als Jean Gabin zal zuchten : « Maintenant je sais, je sais qu’on ne sait jamais ».
Jan Lampo (medewerker van De Nieuwe en zoon van jawel) worstelt blijkbaar met hetzelfde probleem. Maar het heeft hem niet belet om bij Kritak een roman te publiceren (« In altijd lege kamers », 141 blz.), maar bij Kritak is men nooit erg kritische geweest wat hun fictie-uitgaven betreft. Lampo heeft getracht wat meer afstand te scheppen door zijn hoofdpersoon vrouwelijk te maken, maar helaas dat heeft zijn falen juist in de hand gewerkt. Is niet Strindberg wie wil en ik laat niet toevallig de naam van een toneelauteur vallen, want het zijn voornamelijk de dialogen (doorspekt met uitroepen zoals “Jeminee”, jeminee!) die “vals” klinken. Ook in de mond van jongens trouwens. Antwerpse jongens die een meisje aanspreken met “lekker stuk”, je zal ze nog niet zo gauw meemaken.
Maar dat zijn natuurlijk stijlfouten (zoals de nogal vergezochte vergelijkingen, al worden die wellicht door papa geprezen: “Als een vis die met sterke vinslagen over de zeebodem scheerde, kliefde de Porsche door de avond“), terwijl ik vooral mijn twijfels heb over het opzet van het boek. Want ondanks de Porsches, de Mercedessen en de tennisclubs (Helga, de hoofdpersoon, is dochter van een dokter, maar voor Lampo is deze wereld wellicht niet zo vreemd als voor mij), treffen we hier voortdurend dat “café-realisme” aan (ook in een andere betekenis trouwens: het boek mag dan nog “In altijd lege kamers” heten, het speelt zich vooral af in volle café’s en op vervelende fuiven), waaraan je als lezer weinig of niets hebt. Je kan het natuurlijk steeds vergelijken met je eigen belevenissen en gevoelens in de bakvissenleeftijd, maar veel verder dan een gezelschapsspelletje kom je dan ook niet. Alleszins wordt in dit boek géén beeld opgehangen van “de nu ‘verloren’ generatie tussen 68-ers en punks” zoals de flaptekst ambitieus stelt, want de hasjiesj kan heel makkelijk worden vervangen door lijm of coke en David Bowie door The Beatles of The Sex Pistols. Enig natrekken van wat minder bekende namen die in het verhaal voorkomen kan trouwens geen kwaad: Los Machacucambos en George Mac Grae: stel je voor!
DU COQ A L’ANE
Mijnheer Lampo was niet erg tevreden met mijn recensie en wijdde er een hele pagina aan in “De Nieuwe”, het blad waar hij toen werkte, onder de titel “Du coq à l’âne”. Hij spreekt mij aan met “waarde collega” (maar hij bedoelt natuurlijk “waarde confrater”) en gaat verder met…
“Het is niet gebruikelijk dat schrijvers reageren op wat een recensent vertelt. Slechte kritieken behoren tot de risico’s van hun vak. Als schrijver beklaag ik me dan ook niet over het lauwe onthaal van mijn debuut. Maar als criticus kan ik niet nalaten je op één en ander te wijzen. Stefaan Praet van De Morgen vond net als jij mijn roman een miskleun. Maar afgezien van het feit dat hij tot tweemaal toe beweerde dat mijn hoofdpersoon 14 is (in het boek staat minstens even vaak te lezen dat ze 16 is, en het motto ontleende ik aan de cyclus ‘Zestien’ van Achterberg), verloor hij zich niet in roddelpraat.
Jij doet dat echter wel, en hoé! Om aan te tonen dat ik niets te vertellen heb, zeg je dat je vroeger zélf schrijversambities koesterde, maar er niet in slaagde een geloofwaardig verhaal op papier te zetten. Voor een criticus is dat een zwakke invalshoek. Het enige wat je bewijst is je eigen mislukking, niet de mijne. Je werkwijze is overigens ook geen goeie zaak voor het gilde van recensenten. Velen verdenken hen er sowieso al van dat ze geflipte schrijvers zijn. Naar je zelf vertelt heb je in je jeugd teveel Frangoise Sagan gelezen (vertaald door Hubert Lampo?). Jammer, maar wat zegt dat over mij? Ik heb altijd goéie boeken gelezen. Bonjour Tristesse was mij na 3 bladzijden (in het Frans) al te gortig… Zogezegd was het de schuld van die arme Sagan dat jij vruchteloze pogingen ondernam om de ‘hogere burgerij’ te portretteren. Iets waarvan je ook mij blijkt te verdenken. Je redenering komt erop neer dat jij het niet kon omdat je niet tot die ‘hogere burgerij’ behoort, en dat het mij evenmin gelukt is omdat ik er wél deel van uitmaak. Voorwaar een kreupele redenering.
Mijn roman gaat niet over de ‘hogere burgerij’. Mijn hoofdpersoon is inderdaad de dochter van een dokter, en dus afkomstig uit wat sociologen de ‘middle class’ noemen. Ik heb haar die achtergrond gegeven omdat de jongerencultuur waaraan ze participeert (en waarover ik het hebben wou) grotendeels een ‘middle class’-aangelegenheid was. Dat ik zelf ook uit de middenklasse afkomstig ben, is iets waar ik me volstrekt niet voor hoef te schamen. Al was het maar omdat ik het ook niet helpen kan. Met de ‘hogere burgerij’ heb ik geen uitstaans. Het feit dat jij universiteit hebt gelopen en voor het vak van recensent gekozen, doet mij trouwens veronderstellen dat jouw afkomst evenmin ‘proletarisch’ is. Anders dan jij en je paranoïde geestesgenoten denken, gaan succesvolle auteurs in Vlaanderen niet automatisch tot de bovenste lagen van de samenleving behoren. Mijn vader is geen multimiljonair, en ik ben niet opgegroeid aan de rand van een privé-zwembad. Sedert de scheiding van mijn ouders heb ik trouwens bij mijn moeder gewoond, en die leeft van alimentatiegeld. De vakanties in Benidorm waar velen van mijn minder burgerlijke klasgenootjes jaarlijks van genoten, hebben er voor mij nooit in gezeten. Stereoketens, brommers en soortgelijke gadgets trouwens ook niet. Maar wat is in vredesnaam het belang van dit alles?
Mijn roman bevat welgeteld één hoofdstuk dat zich afspeelt in een tennisclub. Van tennisclubs in het meervoud is geen sprake. Mijn hoofdpersoon voelt er zich bovendien niet thuis. Dat staat óók in de tekst. Zelf ben ik één keer in zo’n lokaal te gast geweest – om in de cafetaria een diavoorstelling bij te wonen. Jouw ergernis over mijn tennisclub pleit dan ook voor mijn waarnemingsvermogen. Moet ik je er trouwens op wijzen dat tennis al lang een sterk gedemocratiseerde sport is? In mijn boek rijden één Mercedes en één Porsche rond (de Saab heb je over het hoofd gezien). De personages die er zich mee verplaatsen zijn niet de sympathiekste die ik ten tonele voer, maar dat vergeet je te vermelden. Handig. Zoals je je wellicht herinnert zijn het gladde jongens van wie er één mijn hoofdpersonage op een haar na verkracht. Volledigheidshalve voeg ik er nog aan toe dat ik een paar weken geleden mijn eigen tweedehandse Simca 1100 (kostprijs: 35.000 fr.) in de prak heb gereden.
Nadat je mij als klassevijand aan de wand hebt gespijkerd (o.m. met het zinnetje ‘… maar voor Lampo is deze wereld wellicht niet zo vreemd als voor mij‘) formuleer je ‘twijfels over de opzet van het boek’ omdat ik me desondanks aan ‘café-realisme‘ zou bezondigd hebben. Afgezien van het feit dat ik niet weet wat onder die term verstaan wordt (recensenten zouden moeten leren om de begrippen die ze hanteren te verklaren) leid ik hieruit af dat ik misschien toch geen klassevijand ben. Een hele geruststelling, maar waar slaat je gelul dan op?
Nee mijn beste, je hebt je vreselijk vergaloppeerd. Om de één of andere reden heb je geen recensie over mijn boek geschreven, maar een doelbewuste poging ondernomen om mij als individu in een verkeerd daglicht te stellen. Mijn kouwe kleren raakt dat eigenlijk niet, maar jij ontpopt je wel tot een journalist met een bedenkelijke instelling. Zeg aan je hoofdredacteur dat ik het gezegd heb. Je grimmige fantasmen over mijn sociale achtergrond bewijzen alleen dit: 1) je hebt geen informatie over me ingewonnen (en dat had je, gezien de ‘Privé’-achtige teneur van je stuk zeker moeten doen); 2) je hebt volstrekt geen kaas gegeten van marxistische literatuurkritiek (wat van iemand die in De Rode Vaan boeken recenseert op zijn minst mag worden verwacht), anders had je nog wel een paar andere dingen over mijn roman kunnen zeggen; 3) je hebt last van een schrijnend sociaal minderwaardigheidsgevoel (normale mensen reageren dat thuis af, niet in weekbladen).
In de uitzonderlijk lange inleiding tot je artikel – je kletst haast zoveel over jezelf als over mij – vertel je ook nog dat je zelf niets hebt om over te schrijven omdat je na Wereldoorlog II werd geboren en op de universiteit alleen de naweeën van ’68 mocht beleven. Voor mij is dat geen reden om het bijltje erbij neer te leggen. Tenslotte moest James Joyce zelfs de naweeën ontberen… Ik vraag me af wat voor meesterwerken de brave man nog zou geschreven hebben als hij in Leuven ooit een kassei uit de grond had gebroken.
Je ergert je aan mijn ‘vergezochte vergelijkingen al worden die wellicht door papa geprezen‘. Het ontgaat me wat mijn ‘papa’ met mijn roman te maken heeft. Als het je erom te doen is hém te pakken, zou het van meer morele moed getuigen wanneer je dat rechtstreeks deed. Je noemt die vergezochte vergelijkingen (evenals de Hollandse uitdrukkingen die mijn personages soms gebruiken) trouwens ‘stijlfouten’. Dat klopt niet. Een vergezochte vergelijking is een vergezochte vergelijking. Een Hollandse uitdrukking is een Hollandse uitdrukking. Een stijlfout is een fout tegen de regels van de Nederlandse stilistiek. Als ik mijn personages Antwerps had laten spreken had je me waarschijnlijk een chauvinist gevonden (en er nog minder van begrepen).
Volgens jou zouden de ‘hasjiesj’ (sic) en David Bowie in mijn roman makkelijk kunnen vervangen worden door resp. ‘lijm of coke en ( … ) The Beatles of The Sex Pistols’. Zorgvuldige lectuur had je wellicht duidelijk gemaakt dat In Altijd lege Kamers nog andere referenties naar het begin van de jaren zeventig bevat. Maar abstractie makend daarvan heb je natuurlijk gelijk. So what? Stefaan Praet dacht er anders over, want volgens hem wees mijn opsomming van een paar popgroepen uit die tijd erop dat ik in de jaren zeventig was blijven vastzitten. Om dat te illustreren citeerde hij het enige stukje dialoog waarin er van die groepen sprake is.
Tot slot nog dit: misschien zijn de namen Los Machacucambos en George Mac Grae inderdaad foutief gespeld. In het vervolg zal ik mijn ouwe jaargangen van Humo doorbladeren voor ik aan een roman begin. Je wat pathetische uitroep ‘Stel je voor!’ staat in ieder geval op de goeie plaats: na jouw recensie. Het stukje over Tom Lanoye dat erop volgt is blijkbaar van iemand anders. Of Lanoye het leuk zal vinden om een volksverteller en een heimatschrijver genoemd te worden, is iets waar ik aan twijfel. Zijn dit de eigenschappen die een schrijver hebben moet om in De Rode Vaan een goeie beurt te maken? (*)
MOR DA NOG NIE
In het nummer 7/8 van de derde jaargang van het literaire blad Diogenes bespreekt Jan Lampo ook wat boekjes van jongere auteurs. En wat schrijft die pipo? “Het relatieve succes van Lanoye en Brusselmans dreigt (…) de aandacht af te leiden van het feit dat sedert drie, vier jaar nog tal van andere jongere schrijvers aan het woord zijn gekomen“. Zoals? Zoals schrijver Jan Lampo, die dus ook een uitgebreide kritische beschouwing waard is. Het doet Marc Reynebeau in “Knack” denken aan een uitspraak uit het Nero-album “De ring van Patatje”, waarin twee dokwerkers staan te kijken hoe een duikboot, beladen met de hele Nero-clan, de Antwerpse haven binnenvaart. Zegt de ene tegen de andere: “Wa emme na al veul zien passère oep’t Scheld, mor da nog nie, hé Choarel!“.
Vijftien jaar later werd “In altijd lege kamers” door het Davidsfonds (!) heruitgegeven als onderdeel van “Blauwe duivels & enige andere verhalen” (148 blz., 795 fr.). Lampo had het boek wat ingekort en het heette nu minder pathetisch “Eigen leden”, maar de pathetiek in de tekst zelf is gebleven, zoals Jeroen Overstijns opmerkt in de Standaard der Letteren van 8 juni 2000. Hij besluit trouwens: “Hoe verschillend de aanpak van de verhalen uit deze bundel ook is, de verkrampte literaire dadendrang loopt er als een rode draad door.”

Referentie
Ronny De Schepper & Johan de Belie, Een slagerszoon en een verslagen dochter, De Rode Vaan nr.3 van 1986
Jan Lampo, Lampo interviewt Lampo, Het Nieuwsblad, 31 oktober 1992.

(*) Ik heb daarop toen wijselijk niet gereageerd, maar dat was niet het einde van de historie. Vele jaren later stuurde ik alle briefwisseling die ik van Vlaamse schrijvers mocht ontvangen (Louis Paul Boon, Jef Geeraerts, Anton van Wilderode…) naar het AMVC. Aangetekend, om zeker te zijn dat het wel zou toekomen. Toch kreeg ik nooit een reactie uit die hoek. Een bedankje bijvoorbeeld, dat had toch wel gemogen, niet? Maar wat zie ik nu, nu dat ik op het internet ’t een en ’t ander ben gaan opzoeken over Jan Lampo? Dat hij daar werkt. Ja, dàn begrijp ik het natuurlijk. Ik hoop alvast dat hij zijn rancune niet zo ver heeft gedreven dat hij die brieven heeft weggegooid. (Maar een woordje duiding zal alvast wel te veel gevraagd zijn.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.