“Blankenberge” van Tom Lanoye mocht door de pers (en nog meer door Tom zelf) nogal op zware kritiek zijn onthaald, het was toch een publiek succes en daarom aarzelde men in het NTG niet lang om de Vlaamse creatie te brengen van “Bij Jules en Alice”, Toms eigen bewerking van één van zijn novellen uit “Een slagerszoon met een brilletje” (1985).
Deze bewerking had hij oorspronkelijk gemaakt voor Toneelgroep Amsterdam, die daar een jaar eerder een goed onthaalde, nogal “droge” voorstelling van bracht (o.a. in de Brusselse Beursschouwburg). In tegenstelling tot de “zuinige” aanpak van de Nederlanders, pakt Eddy Vereycken in de Minnemeers uit met een reusachtig speelplateau en een volledige trukendoos. Het seksuele element wordt ook veel meer benadrukt, misschien als “Wiedergutmachung” omdat een te preutse aanpak door regisseur Senne Rouffaer o.m. de oorzaak ervan was dat “Blankenberge” de mist inging, i.p.v. dat de dampen werden veroorzaakt door de broeierige hitte, die het moest oproepen. Vereycken was toen overigens samen met Pedro Edo de enige acteur die van Lanoye wél lof oogstte voor zijn prestatie.
Toch kon Vereycken géén betere “Jules en Alice” afleveren dan de sobere Hollandse aanpak, die ik het jaar daarvoor te zien kreeg. De rommel op het toneel drukte veel beter de ‘rommel’ in Jules’ hoofd uit dan het cleane decor van Andreas Szalla, maar dat is niet de grootste fout die Vereycken heeft gemaakt. Een totaal foutieve keuze lijkt mij vooral het opteren voor een komedie, meer zelfs: een farce, een klucht, een slapstick. Inclusief een taartengevecht, het dieptepunt van de opvoering. Ik zal wel de laatste zijn om te ontkennen dat er in de tekst grappige elementen zitten, maar net zoals bij mensen als Claus, Boon of Walschap (die terecht als referentie worden aangehaald), is die lach een grim-lach, die eigenlijk de tragedie nog meer beklemtoont. Door die komische elementen echter dik in de verf te zetten en breed uit te smeren miste de regisseur compleet de tragische dimensie. Omdat echter elke medaille twee kanten heeft, moet ik er wel onmiddellijk aan toevoegen dat ik een voorstelling bijwoonde waar toevallig veel gehandicapten waren op afgekomen. En alhoewel het niet niks is wat Jules op dat gebied overkomt, konden die hun pret niet op. Therapeutisch theater, zeg dat wel! (Het feit dat Jules na een ruzie met Alice zijn geslacht afsnijdt, waarna zij het in de diepvries stopt, mag op het eerste gezicht vergezocht lijken, in oktober 1992 deed een 32-jarige man in het Australische Perth precies hetzelfde!)
Bovendien moet ik constateren dat er ook nu weer veel acteerplezier te rapen valt. Magda Cnudde verdient toch wel een speciale vermelding als een volbloed Alice, een Shirley Valentine uit Waasmunster, al mochten Walter Moeremans (na vier jaar Arca teruggekeerd naar de oude stal) als Jules en Eddy Spruyt als zijn vriend Oscar er ook zeker zijn. Twee rasactrices als Chris Thys (buurvrouw Verstraeten) en Blanka Heirman (moeder Desmet) werden door de regie al zwaarder op de proef gesteld, maar konden het dankzij hun talent toch nog waarmaken. De anderen vielen wat lichter uit, zij het dat Pjeroo Roobjee op het einde een opgemerkte verschijning maakt…
Daarvóór had ik “Bij Jules en Alice” dus reeds gezien in de Brusselse Beursschouwburg op 15/05/1991 door Toneelgroep Amsterdam in een regie van Alize Zandwijk en een decor van Paul Gallis. Met Marieke Heebink (Alice Pauwels), Fred Goessens (Jules Desmet), Hein van der Heijden (Oscar Van Landeghem), Mark Rietman (Madame Desmet) en Wim Selles (Alice’s broer, die tevens voor de muziek zorgt). Wie in “Madiwodo” Tom Lanoye zijn dagboek over de creatie van “Bij Jules en Alice” hoorde voorlezen, zal wel in het ongewisse verkeren over wat hij van deze voorstelling mocht verwachten. De schrijver, of auteur pardon, evolueerde immers van “help, ik word niet goed” tot een erkenning dat het hier wel degelijk een goede voorstelling betreft, zij het dan dat het niet zijn voorstelling was. Wat “zijn” voorstelling dan zou zijn geweest, daar hebben we natuurlijk het raden naar. Lanoye heeft b.v. maling aan een elitaire opvatting over kunst en het “volkse” karakter bleef zeker behouden bij de theaterbewerking. Dat dit echter geen garantie is om ook een “authentieke Lanoye” te zien, dat weten we reeds sedert de ontgoochelende enscenering door Senne Rouffaer van “Blankenberge” in het NTG. Deze keer krijgt de regie van Alize Zandwijk echter wel veel krediet. Het Algemeen Dagblad schrijft b.v. dat de verrassende kwaliteiten van drie jongerenproducties die ze vóór dit stuk had gerealiseerd, geen toevalstreffers blijken te zijn. “Haar regie van het stuk van Lanoye getuigt van alles wat een goede regisseur moet bezitten.” En de recensent voegt er in één adem aan toe dat de voorstelling wat hem betreft tot de hoogtepunten van het seizoen behoort.
Het stuk speelt zich volgens de persinformatie af in een “mythologisch Vlaanderen”. Nederlanders hebben daar allerlei bedenkingen bij, maar als Vlaming heb ik het moeilijk om mij hiervan een juiste voorstelling te maken. Want ergens doet “Bij Jules en Alice” mij b.v. denken aan “Station Service” van de Fransman Gildas Bourdet en voor hetzelfde geld zou men dan kunnen beweren dat dit stuk zich in een “mythologisch Frankrijk” afspeelt. Dit mythologische Vlaanderen is dan ook een land waar het familieleven zich even treurig voortsleept als een lange, regenachtige zondagmiddag. En alhoewel het een macho-cultuur is, wordt de plak toch gezwaaid door Moeder de Vrouw.
Net zoals in “Blankenberge” wordt er wel veel gesproken, maar weinig gezegd. En als woorden niet meer toereikend zijn, vallen er klappen. Zo ook bij Jules Desmet (Fred Goessens) en Alice Pauwels (Marieke Heebink), die wel van elkaar houden, maar “bij elkaar niet kunnen komen”. Daarvoor is de berg autowrakken te hoog. Jules heeft immers een autokerkhof en een bizarre antiquiteitenhandel, waardoor het toneel bezaaid ligt met allerhande auto-onderdelen en prullaria. Dit rommelige is ook terug te vinden in de voorstelling en volgens de reeds genoemde recensent raakt deze daarmee “de kern van Lanoyes boodschap over zijn volk”.
Ronny De Schepper
(foto Luk Monsaert)