In de zomer van 2002 verscheen van Michel Houellebecq “Platform, midden in de wereld” (Arbeiderspers), de langverwachte vertaling van zijn jongste roman “Plateforme”. Plateforme verscheen voor het eerst in 2001 bij Flammarion, maar er zit een interessant detail aan de exacte datum. De publieke verschijningsdatum in de boekhandel was aanvankelijk gepland voor 24 augustus 2001. Le Monde meldde op 22 augustus dat de roman op 24 augustus zou verschijnen. De eerste druk dateert echter bibliografisch van juni 2001. Dat wordt bevestigd door catalogi van antiquarische eerste edities, die expliciet spreken van édition originale, juni 2001.

Het is een verhaal van de passionele liefde van een wat saaie ambtenaar voor Valérie, een op zijn zachtst gezegd minder saaie medereizigster op een reis naar Thailand, tegen de achtergrond van georganiseerde vakanties naar exotische “seksparadijzen”. De titel verwijst naar een jeugdherinnering waarbij het hoofdpersonage (complexloos Michel geheten) op twaalfjarige leeftijd in de bergen in een elektriciteitsmast klimt, helemaal tot op het platform. De gapende leegte onder zijn voeten oefent een vreemde aantrekkingskracht op hem uit om te springen (p.272). Als hij dertig jaar later in Valérie de liefde van zijn leven meent te herkennen, moet hij terugdenken aan dit moment. Hoe stabiel is immers geluk? “In ieder geval kunnen we er geen recht op doen gelden, zoveel is zeker,” aldus de flaptekst.
“Traditiegetrouw rijdt de auteur met een bulldozer over de heilige huisjes en schetst een cynisch wereldbeeld. Controversieel, politiek incorrect, deprimerend, kortom niet voor watjes”, zo besluit D.M. in Het Nieuwsblad.
Het boek opent al meteen met een politiek incorrecte moord op de vader van de ik-figuur door een islamiet. Deze kwam namelijk het feit wreken dat deze krasse zeventiger (een John Irving-personage) een verhouding had met zijn zus, die officieel als schoonmaakster bij hem werkte. Alhoewel het hoofdpersonage een slechte verhouding had met zijn vader, wil hij bij de reconstructie de dader toch ter plaatse neerschieten: “Die kleine smeerlap vermoorden leek me niet alleen een neutrale handeling maar zelfs een heilzame, positieve daad.” (p.22) Heel politiek correct Frankrijk op zijn achterpoten, zeker omdat hij eraan toevoegt:“voor de rechtbank zou hij er goed van afkomen: een paar jaar voorwaardelijk, meer niet.” (p.23)
Want wat Houellebecq inderdaad sterk beklemtoont is het “onveiligheidsgevoel”. Maar is hij daarom extreem-rechts? Lees het boek van Chimo dan maar eens, en daarvan wordt toch verondersteld dat hij zelf een “beur” is? Alleen mensen die vinden “dat blikken meer kunnen kwetsen dan een vuistslag” (prof.Eugeen Verhellen destijds in de Rode Vaan) zullen trachten dit gegeven te ontkennen (“De kranten hadden het over niets anders meer dan over neergestoken leraren, verkrachte onderwijzeressen, brandweerwagens die met molotovcocktails waren bestookt en gehandicapten die uit het raam van een trein waren gegooid omdat ze een bendeleider ‘scheef hadden aangekeken’.” p.227). En daarbij komt natuurlijk ook nog dat de kleine Houellebecq door zijn moeder in de steek werd gelaten toen zij zich als ex-hippie tot de islam bekeerde, Cat Stevens achterna. Geen wonder dat Houellebecq ook hippies haat als de pest (maar dat komt vooral in “Elementaire deeltjes” aan bod). Zelf zou hij trouwens ook een tijdlang aan de drugs geweest zijn – vandaar zijn belangstelling voor iemand als Lovecraft waarschijnlijk – zijn literaire carrière begon trouwens in een afkickinstelling, waar hij de tijd verdreef met het schrijven van gedichten.
Op het einde van “Platform” zal blijken dat de moord bij het begin van het boek slechts een voorbode is van een hele islamitische slachtpartij. Deze cirkelconstructie (waarvan ik zelfs niet zeker ben dat ze gewild is) is ongeveer het enige wat aan “Elementaire deeltjes” doet denken, want voor de rest is dit boek veel rechtlijniger, veel meer in de lijn van het eerste boek. Het thema is eigenlijk zelfs hetzelfde:“Zelf had ik er totaal geen moeite mee dat seksualiteit aan de wetten van de markteconomie zou worden onderworpen.” (p.251)
Stylistisch maakt Houellebecq zelfs de fout, als Jean-Yves, de “overste” van Valérie, in het verhaal verschijnt, over te stappen van de ik-persoon naar “de alwetende verteller”. Men kan wel veronderstellen (en op p.249 staat het zelfs expliciet) dat hij het allemaal aan de weet is gekomen “fando audire” (van horen zeggen), maar toch is het een stijlbreuk, die nadelig uitvalt aangezien men precies wegens die ik-vorm heel nauw betrokken wordt bij het verhaal.
Toch is het veel beter dan “De wereld als markt en strijd”, zoals “Extension” in het Nederlands werd vertaald, omwille van de optimistische toon (ik heb het nu over de stijl, want de afloop is natuurlijk weer allerminst optimistisch) en de ad-remme uitspraken over allerhande topics. Zo bijvoorbeeld bij zijn bezoek aan het JEATH-museum dat gebouwd is om de geallieerde krijgsgevangenen te herdenken die omkwamen bij de bouw van de fameuze brug over de rivier Kwai:“Natuurlijk, zei ik bij mezelf, was dat allemaal zeer betreurenswaardig; maar er waren in de Tweede Wereldoorlog toch wel ergere dingen gebeurd. Ik kon me ook niet losmaken van de gedachte dat als de gevangenen Polen of Russen waren geweest, er veel minder ophef over zou zijn gemaakt.” (p.55)
Verder zijn er ook nog de rake typeringen, al moet ik toegeven dat men de aanzet hiertoe ook reeds in zijn debuut kan terugvinden. Men zou kunnen stellen dat Houellebecq in de existentialistische traditie is opgeklommen van Sagan naar Sartre, al zal hij dat zelf wel een vreselijke vaststelling vinden. Maar: “Door de omgang met anderen word je je van jezelf bewust; dat is precies wat de omgang met anderen zo onverdraaglijk maakt” (p.77) is dat niet “l’enfer c’est les autres”?
Samengevat kan ik me eigenlijk wel vinden in de woorden van Valérie, als ze Michel vergelijkt met een andere, “echte” extreem-rechtse vakantieganger: “Het is duidelijk dat je er moeite mee hebt, je bent niet geschikt voor dit soort vakanties; maar je doet tenminste een poging. Eigenlijk denk ik dat je een heel aardige jongen bent.”
Dat men hem probeert in de extreem-rechtse hoek te duwen (en dat ik daar bevooroordeeld als ik was in het begin ook ben ingetrapt), doet onrecht aan bepaalde passages. Zo is er het bijna ontroerende verhaal van de medestander van Fidel die op een eenvoudige wijze het failliet van het communisme op Cuba en elders in de wereld verklaart: “We hadden een ultramoderne fabriek, gebouwd met Russische hulp. Na een halfjaar was de productie gedaald tot de helft van de normale opbrengst: alle arbeiders stalen chocola, onbewerkt of in plakken, om aan hun familie uit te delen of door te verkopen aan buitenlanders. En hetzelfde gold voor alle fabrieken, overal in het land. En wanneer ze niets konden stelen werkten de arbeiders slecht, ze waren lui en altijd ziek en bleven voor het minste of geringste thuis. Ik heb jarenlang op ze in gepraat om ze ervan te overtuigen dat ze zich iets meer moesten inspannen in het belang van hun land; het heeft me enkel teleurstelling en ontgoocheling opgeleverd.”
Michel reageert daarop met: “Wat was het precies dat mensen ertoe kon bewegen saai en zwaar werk te doen? Dat leek me de enige politieke vraag die het waard was te worden gesteld. Het antwoord van de oude arbeider was ondubbelzinnig en ontluisterend: alleen de zucht naar geld, volgens hem; in ieder geval was de revolutie er overduidelijk niet in geslaagd haar ideaal van een onbaatzuchtige nieuwe mens te verwezenlijken.” (p.203)
Ook in zijn opvatting over het leven kan ik me trouwens als vijftigjarige (*) uitgerangeerde volledig terugvinden: “Er zijn dingen die je kunt doen, en andere die te moeilijk lijken. Beetje bij beetje wordt alles te moeilijk; dat is waar het leven op neerkomt.” (p.112) En “op grond van de weinige keren dat ik erover na had kunnen denken (moet eigenlijk zijn:“had kunnen nadenken”, maar doorgaans levert vertaler Martin de Haan wél goed werk af), leek cultuur me een noodzakelijke compensatie voor het ongeluk dat onze levens kenmerkt.” (p.271) Maar toch is hij onmiddellijk bereid die cultuur in te leveren voor een ongecompliceerd maar gelukkig leven. Want, jawel, zoals ik al zo vaak heb gezegd: kunst maakt niet gelukkig. Als antwoord op de reeks “Why are you creative?” op Arte, repliceerde Houellebecq immers onmiddellijk in gebrekkig Engels: “Because I am unhappy”. Trouwens, eigenlijk is dit een veel belangrijker vraagstelling dan het vaak gehoorde “kan kunst de wereld redden?” (**)

Ronny De Schepper


(*) De recensie is dus blijkbaar zelf ook al 25 jaar oud.

(**) Voor Camille Paglia is het alleszins duidelijk: “De kunstenaar maakt zijn kunst niet om de mensheid te redden, maar om zichzelf te redden.” (Het seksuele masker, Amsterdam, Prometheus, 1993, p.42)

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.