Altijd gevoelig voor nieuwe trends publiceerde Umberto Eco zijn vierde boek, “Baudelino”, in mei 2001 eerst op het internet.

Als op 14 april 1204 de pelgrims Constantinopel binnenvallen en plunderen, redt de vijfenzestigjarige Baudolino de historicus Nicetas Choniates uit de bloeddorstige handen van de veroveraars. Tijdens hun vlucht uit de brandende stad doet Baudolino Nicetas verslag van zijn ongelooflijke avonturen.
Baudolino is een boerenzoon uit Noord-Italië. Als dertienjarige ontmoet hij bij toeval keizer Frederik Barbarossa, die onder de indruk is van de gewiekstheid van de jongen. Eenmaal aan het hof wordt hij de vertrouweling van de vorst. Barbarossa leunt zwaar op zijn oordeel en Baudolino gaat er ten overstaan van Nicetas dan ook prat op dat hij grote invloed heeft gehad op het politieke handelen van de keizer. Hij is echter ontdaan van het feit dat hij de moord op zijn pleegvader niet heeft kunnen verhinderen.
In “De verovering van Constantinopel”, een ooggetuigenverslag door de historische Nicetas van de plundering van de trotse Byzantijnse stad, wordt weliswaar met geen woord over Baudolino gerept, maar dat is ook logisch, want de wijze Paphnoutios heeft het hem afgeraden. Nicetas vindt dat wel jammer: “Het was een mooi verhaal. Jammer dat niemand er ooit kennis van zal nemen.”
Waarop Paphnoutios antwoordt: “Je moet niet denken dat jij op de wereld de enige geschiedschrijver bent. Vroeg of laat zal iemand het verhaal vertellen, iemand die nog leugenachtiger is dan Baudelino.” (p.473) Vergelijk ook met (*).
In “Baudelino” speelt Umberto Eco met andere woorden wederom zijn meesterlijke spel met de historische werkelijkheid. Hij toont zich opnieuw een verteller van wereldformaat en een begenadigd stilist. Met veel gevoel voor humor tekent hij een psychologisch portret van zijn held, die geen gelegenheid voorbij laat gaan om de waarheid geweld aan te doen. “Baudelino” begint als een schelmenroman, maar naarmate het verhaal vordert, worden de leugens van Baudelino steeds waanzinniger en krijgt de roman de surrealistische allures van een boek als “Gulliver’s travels”. Zoals gewoonlijk, geeft Eco zelfs een hint hiervoor in de tekst zelf: “terwijl de blemmyae een paard aanduidden met houyhmhnm – en dat was tevens de enige keer dat we hen klanken hoorden voortbrengen die geen klinkers waren, teken dat ze een nooit gebruikt woord verzonnen voor een dier dat ze nooit gezien hadden.” (**)
Maar net op het moment dat het al te waanzinnig wordt (of als ik heel eerlijk mag zijn: eigenlijk al enige tijd daarna), eindigt het boek dan toch nog als een ware whodunit.

Ronny De Schepper

(*) “Daarna koersten ze weer in noordwestelijke richting en vonden een eiland met zeer vriendelijke inlanders. Ze bleven er twee dagen en twee nachten en de Maltezer ridder begon hun verhalen te vertellen: hij vertelde deze in een tongval die zelfs Roberto niet verstond, en zij al helemaal niet, maar hij ondersteunde zijn verhaal met tekeningen in het zand en gebaarde als een toneelspeler, waardoor hij de geestdrift van de inboorlingen wekte, die hem toezongen: ‘Tusitala, Tusitala!’ De ridder overpeinsde met Roberto hoe mooi het zou zijn je laatste dagen tussen deze mensen te slijten en hun alle fabelen van de wereld te vertellen. ‘Maar is dit Escondida?’ had Roberto gevraagd. De ridder had zijn hoofd geschud. Hij is bij de schipbreuk omgekomen, zo dacht Roberto op de Daphne, en misschien heb ik zijn Escondida wel gevonden, maar zal ik het hem noch iemand anders ooit kunnen vertellen. Wellicht schreef hij daarom wel aan zijn Dame. Wie overleven wil moet verhalen vertellen.” (Het eiland van de vorige dag, p.201-202)

(**) De vierde en laatste reis van Gulliver is naar het land van de houyhnhnms, de sprekende paarden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.