Op 14 maart 1931 ging in de Majestic Cinema in Mumbai (toen nog Bombay) de eerste Indiase geluidsfilm in première. Het was “Alam Ara”, geregisseerd door Ardeshir Irani. De eerste Indiase geluidsfilm was een liefdesverhaal tussen een prins en een zigeunermeisje (Alam Ara), gebaseerd op een Parsi-toneelstuk van Joseph David. De film  was zo populair dat “de politie moest worden ingeschakeld om de menigte in bedwang te houden”. De film bevatte het hitnummer “De de khuda ke naam per”, dat tevens het eerste lied in de Indiase cinema was. Het werd gezongen door acteur Wazir Mohammed Khan, die in de film een 
​​fakir speelde. De film was geïnspireerd op de eerste filmversie van Jerome Kerns “Show Boat” (1929), uitgebracht door Universal Pictures. Helaas is er geen kopie van de film meer bekend.

De geschiedenis van Bollywood gaat terug tot 1913, toen de film “Raja Harishchandra” werd opgenomen. In de jaren dertig was de industrie al zo gegroeid dat er zo’n 200 films per jaar werden geproduceerd. De eerste film met geluid was dus “Alam Ara” uit 1931. Zoals de bekende filmregisseur Shyam Benegal zei: “Het was niet zomaar een praatfilm. Het was een film met zowel gesproken als gezongen scènes, met meer zang dan gesproken tekst. Er zaten veel liedjes in en dat legde de basis voor de films die later gemaakt werden .” De film ‘Indrasabha’ uit 1932 telde maar liefst 71 liedjes.

De eerste kleurenfilm, getiteld “Kisan Kanya”, werd in 1937 opgenomen. In 1973 werd de film “Zanjeer” uitgebracht. Deze betekende een keerpunt omdat hier gebroken werd met het klassieke Bollywood-imago van in het algemeen levendige musicals die tijdloze verhalen vertellen over liefde en onrust. Nu werd echter overgegaan op rauwe actie. In de jaren zeventig en tachtig werden veel actiefilms uitgebracht, waaronder veel zogenaamde Curry-westerns of “easterns”. Een voorbeeld hiervan is “Sholay”, die gezien wordt als de meest succesvolle Indiase film ooit.
In de jaren negentig kwam de nadruk weer meer te liggen op de romantiek. In 1983 was Shekhar Kapur met “Masoom” (Innocent) een van de bekendste regisseurs van Hindi‑films geworden, maar in 1994 kreeg “Bandit Queen”, zijn controversieel biografisch portret van de vogelvrij verklaarde Phoolan Devi, bij de voorstelling op het Filmfestival van Cannes internationale erkenning, maar de film werd aanvankelijk verboden door de Indiase regering.
Een andere film die te maken kreeg met de Indiase censuur was Fire van Deepa Mehta uit 1996. Gedraaid met Canadees kapitaal schrijft Alison Darren hierover in haar Lesbian Film Guide: “Het hedendaagse New Delhi. Radha is een toegewijde echtgenote van Ashok en zorgt voor zijn bejaarde moeder Biji. Ashoks jongere broer trouwt met tegenzin met een jonge vrouw van wie hij niet houdt – Sita – en de twee trekken in bij hem in huis. De spanningen lopen op naarmate de nabijheid van de familieleden en hun afzonderlijke behoeften de traditionele waarden die hen allen bijeenhouden, op de proef stellen. De jonge Sita realiseert zich plotseling dat ze verliefd is op Radha en vertelt haar dat. De ontluikende romance wordt gadegeslagen door Biji, zwijgend en afkeurend…
Een werkelijk prachtige film, en ook baanbrekend wat de weergave betreft – voor het eerst – van een lesbische relatie in India. De aanvankelijke onzekerheid van de twee vrouwen, de tederheid die ze voor elkaar tonen en de groeiende passie van de ontluikende relatie worden prachtig vastgelegd. De grootste prestatie van regisseur Deepa Mehta is het plaatsen van de ontluikende relatie tussen de twee vrouwen tegen de achtergrond van de dagelijkse beperkingen die vrouwen ondervinden. Bovendien lijken de mogelijkheid en de gevolgen van ontdekking werkelijk verschrikkelijk.
Sita, de jongere vrouw, is opener in haar uitspraken over haar geaardheid en liefde voor elkaar. Het is haar verlangen om met de traditie te breken. Haar pogingen lijken aanvankelijk simpel, niet meer dan een spijkerbroek willen dragen en op moderne muziek willen dansen. Daarentegen lijken Radha’s behoeften en verlangens, die zo lang verborgen zijn gebleven, pijnlijk diepgaand. Haar emotionele wederopstanding is noodzakelijkerwijs erg langzaam, maar diep levensbevestigend.
Er zijn fantastische acteerprestaties van alle betrokkenen, maar vooral van de twee hoofdrolspeelsters. Nandita Das (Sita) was destijds een onbekende en Fire was haar eerste film, maar westerse kijkers beseffen misschien niet dat Shabana Azmi (Radha) een zeer bekende en gerespecteerde actrice in India is. Toen ze in 1996 werd geïnterviewd op het London Film Festival, waar de film in première ging, legde ze uit hoe ze zich aangetrokken voelde tot de rol vanwege Radha’s waardigheid. Ze merkte ook gekscherend op dat ze niet geloofde dat het spelen van een lesbisch personage haar carrière zou schaden – sterker nog, mochten er in India nog meer films met een lesbisch thema worden gemaakt, dan achtte ze het waarschijnlijk dat zij en Nandita de rollen als eerste aangeboden zouden krijgen! Hoewel Fire door critici werd geprezen, na de film, kwam Deepa Mehta, toen de film in India werd vertoond, in het middelpunt van een afschuwelijke tegenreactie te staan ​​en ontving ze talloze doodsbedreigingen. In 1998 werden verschillende bioscopen die de film vertoonden aangevallen en het publiek bedreigd door extremisten.” (p. 74-75)

Ronny De Schepper

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.