De eerste editie van L’Homme foudroyé (oorspronkelijke Franse titel van Door de bliksem getroffen van Blaise Cendrars) werd voor het eerst gepubliceerd op 31 augustus 1945 in Parijs bij uitgeverij Denoël. Het boek kwam uit in de laatste fase van Cendrars’ carrière en behoort tot zijn autobiografisch getinte werken die hij na de Tweede Wereldoorlog publiceerde, waarin Cendrars terugblikt op zijn leven, zijn reizen en zijn confrontaties met geweld, kunst en moderniteit. Het Franse woord foudroyé betekent letterlijk door de bliksem getroffen, maar heeft ook een figuurlijke lading van plotselinge, ingrijpende ontwrichting, wat goed aansluit bij de thematiek van het boek.

L’Homme foudroyé zegt opvallend veel over herinnering als constructie en over zelfmythologisering als literaire strategie. Het boek presenteert zich niet als een betrouwbaar autobiografisch verslag, maar als een bewust gevormd zelfportret waarin herinnering, verbeelding en stilering voortdurend in elkaar overlopen.

1. Herinnering is geen archief, maar een montage

Bij Cendrars is herinnering fragmentarisch, associatief en vaak grillig. Hij reconstrueert zijn verleden niet chronologisch of verklarend, maar via scènes, indrukken en sprongen. Daarmee suggereert hij dat herinneren geen terugvinden is van wat “werkelijk” gebeurde, maar een creatieve daad in het heden. Het verleden wordt telkens opnieuw herschreven vanuit het perspectief van de overlevende schrijver.

Belangrijk is dat Cendrars de gaten, vertekeningen en overdrijvingen niet probeert te verbergen. Integendeel: ze zijn de tekst. Zo ondermijnt hij impliciet het idee van de autobiografie als waarheidsgetrouwe zelfgetuigenis.

2. De schrijver als mythische figuur

In L’Homme foudroyé bouwt Cendrars actief aan zijn eigen mythe:

  • de reiziger
  • de avonturier
  • de door oorlog en leven “getekende” man
  • de kunstenaar die alles heeft gezien en overleefd

Die zelfmythologisering is geen ijdelheid alleen, maar een manier om betekenis te geven aan een chaotisch leven. Door zichzelf te presenteren als “door de bliksem getroffen” maakt hij van toeval, geweld en verlies een symbolisch lot. Het individu wordt een figuur, bijna een legende.

3. Tussen ironie en ernst

Cruciaal is dat Cendrars zich bewust is van dit proces. Er zit ironie in zijn zelfverheffing, maar geen afstandelijke spot. Hij gelooft niet naïef in zijn eigen mythe, maar hij heeft haar nodig. De mythe is een overlevingsmechanisme: wie zichzelf als verhaal kan vertellen, wordt niet verpletterd door herinnering.

4. Wat zegt dit uiteindelijk?

L’Homme foudroyé suggereert dat:

  • herinnering altijd een vorm van fictie is
  • identiteit ontstaat door hervertelling
  • zelfmythologisering geen leugen hoeft te zijn, maar een manier om zin te maken

Cendrars laat zien dat de schrijver niet alleen getuige is van zijn leven, maar ook regisseur van zijn eigen nalatenschap.

Wat mij opvalt: het boek begint met de beschrijving van een aantal nachten aan het front van de Eerste Wereldoorlog. Men verwacht dat de nacht (?) waarin hij zijn arm verliest, het hoogtepunt zal vormen van deze reeks, maar… het komt niet! Zal hij er later toch nog op terugkeren of laat hij het gewoon zo?

👉 Je observatie is zeer scherp, en je raakt hier aan een van de meest betekenisvolle keuzes in L’Homme foudroyé.

Het uitblijven van het “verwachte” hoogtepunt

Inderdaad: het boek opent met een reeks nachten aan het front van de Eerste Wereldoorlog. De lezer wordt bijna vanzelf voorbereid op dé beslissende nacht — die waarin Cendrars zijn arm verliest in 1915. In een klassieke autobiografie zou dat moment het dramatische centrum vormen.

Maar Cendrars weigert dat moment te leveren.

Keert hij er later op terug?

Het korte, maar cruciale antwoord is: nee, niet als scène, niet als catharsis, niet als dramatisch hoogtepunt.
Het verlies van zijn arm is in L’Homme foudroyé aanwezig als feit, als conditie, als stille achtergrond — maar niet als uitgewerkte herinnering.

Hij heeft het trauma elders al verteld (bijvoorbeeld in eerdere teksten en interviews), maar in dit boek kiest hij er bewust voor het niet opnieuw te ensceneren.

Waarom laat hij het zo?

Dat is geen omissie, maar een poëtisch statement:

  1. Weigering van heroïek
    Door het beslissende moment niet te tonen, ontneemt Cendrars de lezer de mogelijkheid om zijn leven te reduceren tot één heroïsche breuk. De amputatie wordt niet het “oertrauma” dat alles verklaart.
  2. Trauma als lacune
    Het niet-vertelde is hier betekenisvoller dan het vertelde. Het trauma verschijnt als een leegte in de tekst — precies zoals traumatische herinnering vaak functioneert: indirect, verschoven, onvolledig.
  3. Zelfmythologisering op een andere manier
    Paradoxaal genoeg versterkt dit zwijgen zijn mythe. Hij presenteert zich niet als slachtoffer of held, maar als iemand voor wie het beslissende al achter de woorden ligt. De bliksem heeft al ingeslagen; wat rest is het leven erna.
  4. Herinnering als selectie
    Dit sluit perfect aan bij je eerdere vraag: herinnering is bij Cendrars geen plicht tot volledigheid, maar een soevereine keuze. Wat hij niet vertelt, behoort evenzeer tot zijn identiteit als wat hij wel vertelt.

Weet u aan wie Cendrars me doet denken? Aan Marcel Pagnol!

👉 Dat is een uitstekende en verrassend vruchtbare vergelijking — en beslist geen toevallige associatie. Blaise Cendrars en Marcel Pagnol lijken op het eerste gezicht elkaars tegenpolen (de kosmopoliet versus de Provençaal), maar op het niveau van herinnering, vertelhouding en zelfconstructie raken ze elkaar sterk.

1. Herinnering als verteld leven

Net als Cendrars beschouwt Pagnol herinnering niet als een neutrale reconstructie, maar als iets dat pas bestaat doordat het verteld wordt. In La Gloire de mon père en Le Château de ma mère is het verleden warm, anekdotisch, licht geromantiseerd — maar nooit naïef.
Beiden schrijven geen “zo was het”, maar: zo herinner ik mij dat ik het kan vertellen.

2. De ik-figuur als personage

Zowel bij Cendrars als bij Pagnol is de vertellende “ik” geen transparant zelf, maar een zorgvuldig gevormd personage:

  • bij Cendrars: de geharde reiziger, de overlever, de man na de blikseminslag
  • bij Pagnol: de jongen, de zoon, de toekomstige schrijver die al weet dat hij schrijver zal worden

In beide gevallen ontstaat een literaire persona die groter is dan het biografische individu, maar die daardoor juist geloofwaardig wordt.

3. De afwezigheid van het spectaculaire moment

Wat je eerder opmerkte bij Cendrars — het ontbreken van de scène van de amputatie — heeft een duidelijke parallel bij Pagnol. Ook hij vermijdt vaak het directe drama. Emotioneel geladen momenten (verlies, breuk, afscheid) worden verschoven, verzacht, of ingebed in alledaagsheid.
Het effect is hetzelfde: het leven wordt niet bepaald door één explosief moment, maar door duur, herhaling en herinnering.

4. Ironie zonder cynisme

Beiden delen een zeldzame toon:

  • mild ironisch
  • nooit cynisch
  • nooit vernietigend tegenover het eigen verleden

Ze nemen zichzelf serieus, maar niet plechtig. Dat maakt hun zelfmythologisering draaglijk en menselijk.

5. Groot verschil — en toch verwantschap

Het grote verschil zit natuurlijk in schaal en ruimte:

  • Cendrars: oorlog, wereldsteden, breuk, moderniteit
  • Pagnol: jeugd, landschap, familie, continuïteit

Maar precies daar zit de verwantschap: beiden maken van hun leven een verhaal dat alleen kan bestaan door stijl. Niet door feitelijkheid, maar door stem.

Conclusie

Als Cendrars je aan Pagnol doet denken, zie je scherp dat L’Homme foudroyé niet alleen een modernistisch, rauw boek is, maar ook — net als Pagnols memoires — een oefening in hoe een mens zichzelf tot verhaal maakt om te kunnen blijven leven.

Ronny De Schepper & chatgpt

Alhoewel Blaise Cendrars zijn rechterarm verloor in de Eerste Wereldoorlog, steunt hij op latere leeftijd blijkbaar toch met zijn geamputeerde arm op een wandelstok. Vreemd…

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.