Hersenschimmen is een roman uit 1984 van J. Bernlef, oorspronkelijk uitgegeven door Querido. In 2010 verscheen de vijftigste druk. Het boek werd in 1988 verfilmd onder dezelfde titel. Rond die tijd kwam het ook aan bod in de boekenclub die gesticht was door o.m. Walter Schelfhout, Hilde Proot, Anton Stevens en ikzelf. Een regel van deze club was echter dat je niet verplicht was om het besproken werk ook te hebben gelezen. Dat was bij mij het geval, vandaar dat ik het dus nu pas ga lezen…
Over die leesclub moet ik u toch ’t een en ’t ander vertellen. Die was gesticht binnen ’t kader van het toenmalig Volkshuis in de Sleepstraat. Dat was toen nog altijd het lokaal van de Gentse afdeling van de communistische partij, maar die boekenclub ging daar helemaal niks mee te maken hebben, zei men. Ja, dat zal wel, dacht ik bij de eerste bijeenkomst toen iemand meteen een boek over de eerste vrouwelijke minister van cultuur van de nieuwe Sovjetrepubliek, tevens minnares van Lenin, voorstelde.
Maar ik vergiste me: die vrouw had dat boek eigenlijk aangegrepen als een metafoor om over haar eigen huwelijksproblemen te kunnen praten. Dat systeem zou zowat altijd het uitgangspunt van onze leesclub blijven, die daarmee het enge kader van een boekenclub als zodanig ver oversteeg. Zo herinner ik me ook Walter Schelfhout die het boek “Hersenschimmen” van J.Bernlef ter sprake bracht om over de Alzheimer van zijn eigen vader te kunnen praten.
Die boekenclub had bijgevolg zoveel succes dat de communistische partij toch van zich liet horen en dan meer bepaald in de vorm van de studiedienst IMAVO (Instituut voor Marxistische Vorming) die op sterven na dood was. Die kwamen niet aan voldoende “uren” om aan de subsidienormen te kunnen voldoen en daarom vroegen ze of de bijeenkomsten van de boekenclub voortaan mochten doorgaan onder de auspiciën van IMAVO. Inhoudelijk zou er niets veranderen, de deelnemers zouden alleen gevraagd worden een aanwezigheidslijst te ondertekenen. Daartegen hadden wij geen bezwaar en aldus geschiedde.
Maar natuurlijk, dergelijke vormingsinstellingen die worden (gelukkig maar) ook geïnspecteerd. En wat wil nu het toeval? Op een avond hadden wij – zoals wij als Germanisten destijds Louis Paul Boon naar ’t Keetje hadden uitgenodigd – Pol Hoste gevraagd om een avond bij te wonen over zijn werk (ik geloof dat het “Vrouwelijk enkelvoud” was). Het Volkshuis zat afgeladen vol en precies die avond kreeg IMAVO bezoek van een inspecteur. Het werd een geanimeerde discussie tot een stuk in de nacht en die inspecteur schreef zo’n lovend rapport dat het IMAVO daar nog ettelijke jaren subsidies heeft voor mogen ontvangen!
Voor de volledigheid: achteraf hebben we tóch gebroken met het IMAVO, al was er geen concrete aanleiding. Vanaf dan vergaderden we in De Grote Avond en daar heeft er o.m. een even succesvolle avond plaatsgevonden met als eregast Willy Van Poucke. Toen ik na een paar jaren nog altijd niet aan bod was gekomen als spreker, werd ik er min of meer toe gedwongen. Ik nam “vrouwelijke auteurs van erotische werken” als onderwerp…
De vroege literaire ontvangst van Hersenschimmen laat zich nauwkeurig dateren: de eerste gedocumenteerde recensie van de roman verscheen op 20 september 1984 in de Nederlandse krant Trouw, geschreven door Tom van Deel onder de titel “Het lekraken van de geest”. Dit lijkt de eerste recensiedatum te zijn die in de beschikbare bronnen genoemd wordt; recensies in andere grote dagbladen zoals NRC Handelsblad volgden kort daarna (bijvoorbeeld op 5 oktober 1984).
Zoals gewoonlijk heb ik het boek ook in ons ontbijtcafé gelezen, een filiaal van de groep Aernoudt in de De Pintelaan. Ongevraagd zegt een jong dienstertje tegen mij dat ze het een goed boek vindt. Een andere beweert dat ze liever Kafka en Dostojevski leest. Welk personeel er al niet gerekruteerd wordt in dergelijke zaken! 🙂
Ik heb dit aan chatgpt voorgelegd om een overgang te hebben naar een “serieuze” bespreking van het werk, maar dat is niet echt gelukt, dus laat ik maar meteen overgaan naar wat hij/zij ervan vindt:
Hersenschimmen is een klein boek, maar literair uitzonderlijk krachtig. Wat het vooral bijzonder maakt, is het perspectief. Bernlef laat je niet over dementie lezen, maar van binnenuit meemaken hoe het bewustzijn afbrokkelt. Hoofdpersoon Maarten Klein verliest langzaam grip op taal, tijd en logica — en de roman volgt die desintegratie stijlmatig mee. Zinnen worden eenvoudiger, verbanden losser, herinneringen onbetrouwbaar. Vorm en inhoud vallen samen.
Een paar kernpunten die het boek zo sterk maken:
- Onbetrouwbaar geheugen
Wat Maarten zich herinnert, klopt niet altijd — maar je merkt dat pas later. Daardoor wordt de lezer net zo onzeker als hijzelf. (Zeg dat wel! RDS) - Taal als meetinstrument van aftakeling
Bernlef, zelf ook dichter, gebruikt taal uiterst precies: niet sentimenteel, niet verklarend, maar registrerend. Juist die soberheid maakt het schrijnend. - Morele spanning zonder drama
De relatie met zijn vrouw Vera wordt steeds problematischer, maar zonder grote conflicten. De echte tragedie zit in het onvermogen om nog betekenis te geven aan wat er gebeurt. - Geen troostend einde
Het boek weigert een catharsis. Er is geen “inzicht”, geen verlossing — alleen het langzaam verdwijnen van het ik. Dat was in 1984 ongewoon en confronterend. Het dwingt je wel na te denken over identiteit, herinnering en de vraag of je nog wel ‘iemand’ bent als je zonder geheugen door het leven moet gaan.
Ronny De Schepper & chatgpt
