“The 158-Pound Marriage” (“Het huwelijk van 158 pond”) is een voor Irvings doen erg korte roman (235 blz.) over partnerruil. Aangezien Irving een Amerikaan is, heeft de titel uiteraard niks te maken met het Engelse pond, maar wel met een gewichtsklasse uit (je raadt het al) het worstelen. Eén van de vier hoofdfiguren (voor partnerruil moet men met vier zijn) is immers Severin Winter, een worstelcoach van de universiteit van Iowa die in zijn eigen carrière als worstelaar actief was in de categorie tot 157 pond (*). Ondertussen is die categorie echter gewijzigd naar 158 pond: “As a former 157-pounder, it must be nice, Severin, to involve yourself in a field that’s changed one pound in ten years.” (p.24). “What do you weigh now?” Edith asked. He looked so much bigger, though he was lean in those days. “One fifty-eight,” he said. She wasn’t sure if this was a joke. With him you never knew.” (p.42) “I learned later that he liked to categorize books by wrestling weight classes. Such as: “That’s a pretty fair 134-pound novel.” (p.74)

Severin is de zoon van een Oostenrijks koppel, waarbij de man (de kunstenaar Kurt Winter) zijn echtgenote (de actrice Katrina Marek) naar het buitenland had gestuurd de dag vóór de inval van Hitler. Hij had haar een aantal kunstwerken van zijn hand meegegeven “om te kunnen overleven”, maar toen ze deze ontrolde, bleken het allemaal erotische afbeeldingen van haarzelf te zijn. De man had immers geredeneerd dat ze met haar acteerprestaties in het buitenland niet aan de bak zou kunnen komen en bovendien was ze hoogzwanger dus weinig aantrekkelijk. Maar dankzij die tekeningen kwam het dus nog allemaal goed. Ze zou zelfs nooit meer acteren, ook na de oorlog niet toen ze was teruggekeerd naar Wenen. Ze modelleerde zich een weg door het leven, zou men kunnen zeggen. Meestal droeg ze een “muskrat coat” en daaronder helemaal niks. En in het bezette Wenen volstond het dan meestal om gewoon haar jas eens te openen om ergens toegang te krijgen…
Dat had hij dus goed ingeschat. Minder goed was zijn inschatting om tegen het einde van de oorlog de dieren uit de Weense zoo vrij te laten (tiens, waar hebben we dat nóg gelezen?). De dieren waren immers uitgehongerd en de eerste die op het menu stond was uiteraard hun bevrijder. Bovendien waren ook de Russische “bevrijders” (weer zeer anti-communistische passages) uitgehongerd en in plaats van de dieren te redden, werden ze op die manier op de kortste keren zelf allemaal verorberd.
Die Severin is getrouwd met Edith Fuller uit New York, een teer gebouwd schepsel, dat in opdracht van haar moeder (die voor het Museum of Modern Art werkt) op zoek was naar schilderijen van Kurt Winter (louter als overgangsfiguur, niet als belangrijk schilder), en waarop de auteur (de ik-persoon) meteen verliefd wordt als hij het koppel jaren later ontmoet. Zelf is hij getrouwd met Utchka, wat Oekraïns zou moeten zijn voor “klein kalf”, omdat ze als kind verstopt zat in het karkas van een dode koe, toen de Russen hun dorp “bevrijdden” door iedereen te vermoorden, nadat ze de vrouwen hadden verkracht. Ik moet mij overigens corrigeren als ik opmerk dat dit telkens “anti-communistische” oprispingen van Irving zijn, het zijn eerder racistische uitlatingen, want in het geval van Utchka, stipt Irving zelf de ironie aan dat haar vader door de nazi’s werd geëxecuteerd als “bolsjevistische saboteur”: “It is unproven that he was a Bolshevik, but he was a saboteur.” (p.7) Alhoewel. De passage over het naoorlogse Wenen is van het grofste anti-communisme dat ik ooit heb gelezen. Ik heb er wel de film “The third man” een beetje beter door begrepen, maar ik was dan ook erg jong toen ik die voor de eerste keer zag.
Uiteraard loopt het allemaal slecht af, hoe kan het ook anders als het over partnerruil gaat, maar dat ga ik hier toch maar niet verklappen, want ondanks alles is het toch wel een lezenswaardige novelle.

Ronny De Schepper

(*) Wat ik niet begrijp is dat John Irving schrijft dat Severin tot dat worstelen is gekomen, omdat hij in zijn jeugd in het naoorlogse Wenen beschermd werd door twee Joegoslavische worstelaars, waarvan er één (Vaso Trivanovich) “een bronzen medaille had gewonnen op de Olympische Spelen van Berlijn” (p.38). Ik ben dan natuurlijk van het type dat dit onmiddellijk gaat opzoeken en uiteraard is er geen sprake van die man. Akkoord, als Bob Mendes een verhaal schrijft over een achttienjarige “beur” die zowaar bijna de Ronde van Frankrijk wint, dan gelooft natuurlijk ook geen mens dat, maar waarom geeft Irving dan zo’n precieze informatie die zo gemakkelijk te weerleggen is? Waarom het niet vager houden? Dat heeft toch geen enkele invloed op het boek?

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.