Voor zijn dertigste verjaardag, die hij echt als traumatisch ervaart, wordt Hugo Claus gevierd door de Bezige Bij. Herman Teirlinck stuurt hem dertig rozen én een scheldbrief om er hem bovenop te helpen dat hij voortaan afstand zal moeten nemen van de mooie jongen, die alle meisjes kon krijgen.
Een beurs van de Ford Foundation voert hem naar de Verenigde Staten, met Fernando Arrabal, Claude Ollier, ltalo Calvino, Claude Simon en Charles Tomlinson. In Las Vegas slaagt hij erin zijn jeugdidool Frank Sinatra de hand te drukken en de gevleugelde woorden uit te spreken: “You should be America’s next president, Frank.” Diverse tochten door Amerika bevestigen immers zijn opinie dat men dit beter kan bekijken in de bioscoop op panoramisch scherm. In New Orleans schrijft hij het filmscenario “Het mes”. Nadien reist hij door naar Mexico, wat zijn artistieke vruchten afwerpt in de vorm van een reportage, opgenomen in de dichtbundel “Een geverfde ruiter” (1961). Ik geloof dat het in deze bundel is dat hij ook het gedicht “Parijs-Roubaix” heeft opgenomen met daarin de passage “en terwijl Rik Van Looy snikkend over de eindmeet reed, kwamen wij klaar, glad als vissen”. Wat voor de ene de fontein van San Remo is (remember Hennie Kuiper), is voor de andere blijkbaar de kasseien van Roubaix…
Politieke thema’s komen meer en meer boven (in diverse vormen) in zijn werk.. Zo leest hij op nieuwjaarsdag 1962 het gedicht ‘Bericht aan de bevolking’ voor (over de atoomdreiging).
Dat jaar voltooit hij ook de derde versie van het complexe werk “De Verwondering”. Toch wordt het door Het Algemeen Dagblad “een slecht gecomponeerd, vervelend en vrijwel onleesbaar boek” genoemd.
In 1963 volgt “Omtrent Deedee”, dat als “pornografisch snobisme” wordt bestempeld door ’t Pallieterke, maar daarvan hadden we natuurlijk ook niks anders verwacht.
Op 6 oktober 1963 wordt een zoon geboren: Thomas Pieter Achilles (het toneelstuk “Mama, kijk zonder handen” met daarin het personage van Thomas was nog maar enkele jaren oud). Dat jaar publiceert hij ook zijn omvangrijkste gedicht “Het teken van de Hamster”, dat later (1979) in een fraaie uitgave wordt herdrukt met aquarellen en tekeningen van Jan Vanriet.
Claus heeft altijd beweerd geen essay te kunnen schrijven, maar levert tweemaal kort na elkaar het bewijs van het tegendeel met een boek over Karel Appel en een uitvoerige beschouwing over Louis Paul Boon voor schooldoeleinden. Eindredacteur Karel Jonckheere schrapt echter de “obscene passages” en ook Louis Paul Boon reageert ongepast op de overhandiging van het manuscript (“Ik zal er wel eens naar kijken als ik tijd heb“), zodat de vriendschap nog meer in het gedrang komt (Claus had er zich immers reeds aan gestoord dat zijn vrouw Elly Boon in het openbaar als de beste Vlaamse schrijver had bestempeld).
In hetzelfde jaar vertaalt Claus “Scherz, Satire, Ironie und Tiefere” van Christian Dietrich Grabbe.
In 1964 verschijnt “Ik, Jan Cremer” en voor het eerst is er iemand die tegen het Monument aan durft te schoppen: “Voor Claus heb ik nooit enige bewondering gehad, dat is de grootst mogelijk overschatte figuur die er bijloopt. Wel, een heel slimme boer, weet je wel, hij is nu al 35 en speelt nog altijd het Wonderkind.”
Claus zelf is kandidaat voor de functie van directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Gent. Zijn kandidatuur wordt afgewezen omdat hij teveel de nadruk legt op vernieuwing en experiment. Frans Redant: “Wat Hugo hoog zat, was niet zozeer zijn afwijzing, maar de boerse manier waarop hij behandeld werd. Vòòr de ‘jury’ ging beraadslagen, werd hem gezegd enige tijd te wachten; men zou hem dezelfde avond nog nieuws laten. Hugo trok naar een van de vele cafeetjes op het Sint-Baafsplein en wachtte, en bleef wachten. Godot is op de afspraak nooit verschenen. Dit verhaal heb ik van hemzelf gehoord, lang, lang geleden.”
In 1965 verhuist Claus naar het rustige Nukerke. Dit isolement betekent geen artistieke onderbreking: hij stelt een verzamelbundel samen met gedichten uit de periode 1948‑1963. Zijn toneelwerk wordt bekroond met de driejaarlijkse Henriette Roland Holstprijs.
In 1966 bewerkt hij Seneca’s tragedie “Thyestes” en Consciences “Goudland” voor een hedendaags publiek.
Ronny De Schepper