Het is al vijf jaar geleden dat de in het Hebreeuws schrijvende Amos Oz is overleden (foto Lesekreis). heeft zo’n vijftien romans, ook verhalen, essays en boeken voor de jeugd op zijn actief. Daarvan las Johan de Belie in juni 2021 ‘Zo beginnen verhalen’ (1996; Meulenhoff, Amsterdam). Het was de zeventiende aflevering van zijn “schatkamer”…
Amos Oz werd geboren als Amos Klausner op 4 mei 1939 in Israël. Naast schrijver was hij ook hoogleraar Hebreeuwse literatuur aan de Ben-Gurion Universiteit van de Negev. Vanaf 1967 was Oz een prominent pleitbezorger van een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict.
In “Zo beginnen verhalen” gaat hij op zoek naar hoe schrijvers in de eerste zin van hun verhaal of roman een ‘contract’ aangaan met de lezer. Die eerste zin kan bij uitbreiding een alinea zijn, of een eerste bladzijde, soms zelfs meerdere bladzijden – het hangt er vanaf. Hij doet dit aan de hand van teksten van o.m. Gogol, Tsjechov, Kafka, Theodor Fontane, Elsa Morante, Raymond Carver, Garcia Marquez, en verwijst ook nog naar Dostojevski, Tolstoi… Het gaat er voor hem om dat de auteur reeds in die eerste zin(nen) de lezer op één of andere wijze meeneemt, verleidt. Hij onthult een geheim. Er wordt in die eerste passage een complot gesmeed tussen hem en de lezer. Een toon wordt gezet. Uiteraard gebeurt dit proces onbewust. Maar het is essentieel voor het lezen van de rest van het verhaal of de roman. Het kan sensationeel zijn, gruwelijk, naar de keel grijpen. Of op een roddel lijken, banaal. Maar ook heel subtiel. Soms zelfs filosofisch.
Ik vond het best boeiend om, vooral bij de teksten die ik kende, deze vanuit dit perspectief te bekijken. Aan de hand van de ontleding van Amos Oz. Niet dat het de interpretatie van de werken veranderde, mij tot werkelijk nieuwe inzichten bracht. Wel werden focussen verlegd, een brandpunt gewijzigd, ergens een toets aangebracht, een schaduw onthuld of een accent verschoven. Weinig ingrijpend telkens maar vaak toch interessant en vooral boeiend.
Maar, zo waarschuwt de auteur in een afsluitend essay, men moet zich ervoor hoeden alles stuk te analyseren: “technieken en motieven, het oxymoron en de metonymia, allegorieën en connotaties, verborgen joodse tekens en verwijzingen naar de psychologie en de sociologie, en de archetypische personages en lotsideeën en wat al niet.” Boven alles primeert het leesplezier. Lezen is enerzijds een confrontatie met de bekende wereld, maar nog meer een reis naar het onbekende, en vooral ook de verleiding om het ‘onvoorstelbare’ aan te raken. Datgene dus dat via het lezen toegankelijk blijkt voor onze zintuigen, onze angsten, onze fantasie, onze begeerten. En daarom moeten we als lezer actief deelnemen, met enerzijds ervaring, anderzijds onschuld. En die eerste zinnen in elk verhaal kunnen, goed gelezen, dienstig zijn als… een spel, een doolhof, een schaakspel. Intrigerend. Boeiend.
Johan de Belie