Het is al 95 jaar geleden dat in de Parijse opera de Bolero van Maurice Ravel werd gecreëerd door Ida Rubinstein.
Het was Rubinstein (1885-1960) die zelf de opdracht had gegeven aan Ravel om voor haar een stuk te schrijven. Ze was gedebuteerd in 1908 in Oscar Wilde’s Salomé, waarin ze de erotische Dans van de zeven sluiers vertolkte.
Kort daarna engageerde Sergei Diaghilev haar voor de net opgerichte Ballets Russes en danste ze te Parijs de titelrol in Cléopâtre (1909) en de rol van Zobéide in Shéhérazade (1910), beide keren in een choreografie van haar oude leermeester Michel Fokine en met decor- en kostuumontwerpen van Léon Bakst. In Shéhérazade, waarin de legendarische Vaslav Nijinski haar partner was, werd ze geroemd om haar sensuele en weelderige oriëntaalse dansstijl (zie bovenstaande foto).
Een zekere Henry wijdt op het internet aan haar een artikel onder de titel “The decadence of Ida Rubinstein”. Een uittreksel: “Rubinstein captured European audiences with her embodiment of the exotic temptation of the East, a reputation strengthened by her private life of both male and female lovers and nude modeling for painters Valentin Serov and Romaine Brooks. (…) In ‘Dancing Decadence’ and ‘The Art of the Beautiful Pose’, Vertinsky describes the significance of Rubinstein’s role in Salomé: “the theme of Salomé as a bestial virgin Jewess whose dance revived the dead embers of carnal life in even the most chaste of men was passed around writers and painters of the period, who used it to explore the links between gender and race in the realm of decadence”. Female sexuality at the time was represented as both exotic and veiled; Rubinstein as Salomé was both her introduction as a strong female presence onstage in the early 20th century, and a foreshadow of her extravagant, and often scandalous, career as a dancer, choreographer, and producer in Russia and France.”
Reeds van bij de creatie werd de Bolero dus (terecht) geïdentificeerd met een erotische dans. Het is wel merkwaardig hoe in de loop der tijden de sensualiteit is verschoven van vrouwelijk naar mannelijk. De fameuze choreografie van Maurice Béjart voor zijn sterdanser Jorge Donn is daar zeker niet vreemd aan. Ik heb verscheidene choreografieën van de Bolero gezien (waaronder de zojuist genoemde), maar ik kan mij geen enkele herinneren met een vrouw (of een meisje) in de hoofdrol. Dat vind ik uiteraard zeer jammer, maar als ik heel eerlijk ben, moet ik als overtuigde hetero toch toegeven dat ook die mannelijke choreografieën een erotisch effect hebben. De meest erotische uitvoering die ikzelf heb gezien (op televisie weliswaar) was merkwaardig genoeg van een mij onbekende Nederlander (of althans toch op een Nederlandse zender) die erop danste alsof het zo’n dans van een draaiende derwisj was.
Al deze beschouwingen bij elkaar genomen, ben ik wel erg verbaasd dat Wikipedia schrijft dat “het stuk meteen een groot succes was”, als men dat vergelijkt met de incidenten bij de première van “Le sacre du printemps” b.v.! Ook al omdat Ravel zelf er ook niet erg tevreden over was en hij zou het zich de rest van zijn leven beklagen dat hij vooral met dit stuk zal worden vereenzelvigd.
De Bolero bestaat uit twee thema’s die telkens door andere instrumenten worden gespeeld. Na twee inleidende maten door de kleine trom wordt het eerste thema ingezet door een enkele fluit, waarna langzamerhand het gehele orkest gaat meedoen, waarbij bij elk opeenvolgend fragment crescendo plaatsvindt. Het stuk, dat oorspronkelijk “Fandango” heette, duurt ongeveer 15 minuten.
Het is het repetitieve muziekstuk bij uitstek, vandaar dat men er heerlijk kan op verder borduren natuurlijk. Zo schreef Robert Groslot voor The Night of the Proms een bewerking waarin de muziek van Vangelis voor de film “1492″ en een fragment uit de “Carmina Burana” van Carl Orff haast feilloos is geïntegreerd. Maar nóg knapper is een uitvoering van “You really got me” van The Kinks op de CD “Classic Rock” helemaal ondersteund door het ritme van de Boléro. Wat ik echter niet wist, is dat Steve Winwood in zijn originele versie van “Gimme Some Lovin’” expliciet een variatie van de Boléro heeft geïntegreerd, met name in de baslijn van broertje Muff. Toch ben ikzelf uiteindelijk voor een “klassieke”, ja zelfs “historische” of “authentieke” versie gegaan, namelijk door Anima Eterna onder de leiding van Jos Van Immerseel. Op Wikipedia wordt er in het lemma over Maurice Ravel maar nauwelijks gerept over de Boléro. Wellicht omdat de auteur, net als Ravel zelf, eigenlijk niet opgezet is met het feit dat de componist altijd wordt vereenzelvigd met een stuk dat hij enkel als Spielerei had geschreven.
Ronny De Schepper